Schaatsen of schaatsenrijden?
Het is nu even aan ’t dooien, maar als het een beetje meezit kunnen we binnenkort onze schaatsen weer onderbinden. Als u dat gedaan hebt en u glijdt er vandoor, hoe noemt u dit dan: schaatsen of schaatsenrijden?
Ik zou zeggen: schaatsen. Ik schaats, jij schaatst, wij schaatsen.
En als u mij zou vragen: hoe lang wordt het werkwoord schaatsen al in het Nederlands gebruikt, dan zou ik antwoorden: zonder twijfel sinds mensenheugenis. We fietsen op de fiets, we lepelen met een lepel, dus we schaatsen op schaatsen – wat is er logischer dan dat?
Maar zo simpel ligt dat niet.
De Grote Van Dale vermeldt het werkwoord schaatsen pas sinds 1898. In de druk ervoor, die in 1884 verscheen, was alleen nog sprake van schaatsenrijden (overigens zonder betekenis, die werd kennelijk als algemeen bekend beschouwd).
Het Woordenboek der Nederlandsche Taal, het grote wetenschappelijke woordenboek van het Nederlands, besteedde in 1921 een apart artikel aan het werkwoord schaatsenrijden. Het werkwoord schaatsen werd slechts kort genoemd bij schaats, met als enige toelichting: Schaatsenrijden, niet algemeen.’’
Hm, niet in de Van Dale van 1884, wel in die van 1898, in 1921 nog „niet algemeen” – als we deze bronnen mogen geloven is het werkwoord schaatsen dus helemaal niet zo oud als de weg naar Kralingen, maar pas in de laatste decennia van de 19de eeuw ontstaan.
Kunnen we daar een bevestiging van vinden? Ja, en makkelijker dan u zou denken. Ik heb hier weleens eerder melding gemaakt van de digitale verzameling historische kranten van de Koninklijke Bibliotheek.
Aanvankelijk bevatte die 1 miljoen krantenpagina’s uit de periode 1618-1945, maar onlangs is er een half miljoen pagina’s aan toegevoegd, en begin volgend jaar komt er nog zo’n portie. Er komen dan ook kranten bij tot 1995 (zij het niet NRC Handelsblad).
Wie deze prachtcollectie doorzoekt heeft al snel beet, want op 23 januari 1893 plaatste Het nieuws van den dag een ingezonden brief van C.J. Vierhout onder de kop ‘Het invoeren van nieuwe woorden’.
Vierhout begint als volgt: „Een paar dagen geleden werd door een der lezers van dit blad voorgesteld het lange woord schaatsenrijden te vervangen door het kortere schaatsen.”
Vierhout wijst dit voorstel af op basis van een curieus argument.
Onze woordenschat verandert geleidelijk aan, stelt hij, en zomaar een nieuw woord introduceren is een vrijwel kansloze onderneming.
Het aardige is dat de daarop volgende ingezonden brieven – een kleine selectie uit een groot aanbod, aldus de redactie – juist aantonen dat het werkwoord schaatsen indertijd al aan een geleidelijke opmars begonnen was. Iemand schreef: „Het werkwoord schaatsen is niet nieuw en mijns inziens zeer juist. Gedurende mijn 7-jarig verblijf in Limburg heb ik meermalen hooren zeggen: ‘Ik ga schaatsen’.’’
Een andere lezer kende het juist uit het noorden van het land. En niet zomaar uit de mond van dialectsprekers, die drukten zich anders uit, maar „uit den mond van hen die beschaafd Nederlandsch spreken’’.
Op basis van deze informatie concludeerde Het nieuws van den dag: „Alles te zaam genomen, heeft het woord schaatsen kans ’t te winnen, nu ook de ‘spraakmakende gemeente’ er reeds meê bezig is.’’
Kortom, we rijden sinds eeuwen schaatsen in dit land, maar we gebruiken daarvoor pas sinds het eind van de 19de eeuw het werkwoord schaatsen.


maandag 13 december 2010, 19:54 uur
De dialecten bieden nog vele variaties.
Zo zeggen ze in Groningen (waar ik nu woon) “scheuvel’n” i.p.v. schaatsen. In mijn jeugd, op de Noord-Veluwe(ik ben geboren in 1949,)zeiden ze “schaatsen lopen” – vergelijk het Duiste “Schlittschuh laufen”.
maandag 13 december 2010, 21:53 uur
Curieus verhaal. Omdat het bij schaatsen nu juist niet om rijden gaat maar om glijden.
Zien we overigens hetzelfde bij sleetje rijden? Is het woord sleeen ook pas in de 19-e eeuw aan een opmars begonnen?
Van skieen wordt niet ook gezegd: skies rijden. Dat is gewoon: skieen. Maar dat zal wel komen omdat skieen pas ingeburgerd raakte na WOII – dus ruim nadat schaatsen en sleeen waren ingeburgerd.
dinsdag 14 december 2010, 11:42 uur
Grappig,
Dit soort taal-aanpassingen wordt natuurlijk niet gevolgd bij het benoemen van het insect schaatsenrijdertje. Daarin blijft dan het oude woord gevangen. Zijn van zo’n bewaarconstructie in dieren- of plantennamen meer voorbeelden?
Marja van Trier Loon op Zand
maandag 27 december 2010, 12:00 uur
Ik bin berne yn Snits mar thús waard frysk praat en wy hienen it altiten gewoan oer riden en yn ‘e winter wie dat fansels reedriden.
Der waard by ús ek nea praat oer skaatsen mar altiten oer redens.
dinsdag 8 februari 2011, 13:31 uur
in noorwegen wordt voor skieen en schaatsen gezegd: op ski’s/schaatsen lopen (å gå på ski/skøyter)
donderdag 3 maart 2011, 15:33 uur
Zo curieus is het toch niet..Ook een woord als wielrijden heeft die
verandering ondergaan, simpelweg omdat iedereen op dat punt kon lezen en schrijven, en je er niet meer mee hoefde te pochen.
Dus maak het dan mar zo eenvoudig (of simpel)mogelijk,
dus niet wielrijden op het rijwiel, maar fiets+en, schaats+en
en niet meer sleetje rijden maar sleeën!
zondag 13 maart 2011, 22:54 uur
Zo vreemd is het toch niet om allerlei vormen van voortbeweging met een hulpmiddel als “rijden” aan te duiden? Denk aan “wielrijden” en “motorrijden”. In het Fries is naast het lange “reedride” (‘schaatsrijden’) ook het kale “ride” voor ‘schaatsen’ in gebruik.
maandag 15 augustus 2011, 17:07 uur
Dit is bizonder; in het fries zeg je “ride” of “reedride” en ride = rijden en ‘ride’ doe je in het fries op “redens”= schaatsen (Ik ken trouwens niet het enkel woord voor het woord ‘redens’. Het ‘reedride’ (schaatsen) is vrij verankerd in de Friese cultuur en gewoonten; het was vroeger voor de gewone man en vrouw de goedkoopste en snelste manier om van A naar B te komen. Dus ik neig ertoe om ‘schaatsrijden’ een ouder te taxeren dan het worod ‘schaatsen’.