Alle minnaren overspelen heimelijk
In 1810 liet een Japanse vorst een Japans-Nederlands woordenboek samenstellen dat nu is tentoongesteld.
Met alle aandacht die er is geweest voor ‘vierhonderd jaar Nederland-Amerika’ zouden we bijna vergeten dat ook de relatie tussen Nederland en Japan dit jaar vierhonderd jaar bestaat. Dat wordt in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag gevierd met een prachtige tentoonstelling (‘Van hier tot Tokio’), waar tientallen topstukken te zien zijn.
Een van die topstukken is het Nieuw Verzameld Japans en Hollandsch Woordenboek. Het gaat om een vijfdelig werk uit 1810, gedrukt met houten blokken waarin de letters en karakters in reliëf werden gesneden – wat het zéér kostbaar maakte.
Ook voor iemand die, zoals ik, geen Japans leest, is het een feest om dit boek door te bladeren. Dat begint al bij het voorwoord: ,,Als men de natuur en de aart van de Europesen met die der Azianers vergelijkt, zoo zoude men kunnen zeggen, de Europeesen zijn als steen en de Azianers zijn als hout, want de steen is zwaar, zinkt en blijft stil, het hout is ligt en drijft, dus de Europeesen door haare stil en bedaarend natuur kunnen veel wonderlijke konsten ontdekken, maar de Azianers kunnen het zelden; om deze reden heeft de vorst van Nakats reeds ondernoomen om de Hollands taal te leeren, om met het leezen van Europeese boeken de nuttige en verstandige konsten te vinden, en daar mede zijn veelvuldige onderdaanen tot verstandig en bekwaam te maaken.”
Zoals bekend was Nederland eeuwenlang het enige Westerse land dat handel mocht drijven met Japan. Het was de Nederlanders, bij elkaar gezet op Deshima – een klein kunstmatig eilandje in de haven van Nagasaki -, streng verboden om Japans te leren. Zij waren verplicht gebruik te maken van tolken, wier kennis van het Nederlands soms te wensen overliet. Dat zie je ook terug in dit woordenboek, dat grotendeels is samengesteld door de ,,keijzerlijk translateur van Hollands taal van Nagasakij”.
Eigenlijk had hij er geen tijd voor, schrijft de translateur in zijn voorwoord, maar hij was zo onder de indruk van de ,,leerzuchtigheid” van de vorst van Nakats dat hij ,,alle woorden die ik van buyten geleerd heb” thematisch bij elkaar zette.
Wij kijken via dit boek dus in het hoofd van een Japanse tolk uit 1810, en in dat van zijn opdrachtgever, want ook die drukte sterk zijn stempel op de inhoud. Wat dat betreft mag het veelzeggend heten dat al op een van de eerste bladzijden dit rijtje staat: ,,vrouwelijkheid/ wrat”, gevolgd door: ,,zaad/ mannelykheid/ balzak/ groote zweering”. Met direct daaronder trouwens ,,tandstokkies kooker”.
Sommige woordenrijtjes zijn ware gedichten. Zo lezen we op pagina 9 in deel 1: ,,smeeken/ gaan/ geil hart/ minnespel/ geil/ vrouwachtig/ minnezuchtig.” En elders staat: ,,Alle/ minnaaren / overspelen/ heimelyk/ geheim verhaal/ geheim zaak/ verborgentheid/ kort.”
Er zijn trouwens ook conversatiezinnetjes opgenomen, waarvan sommige ons nu heel vreemd voorkomen. Zoals: ,,Ik heb u iets te zeggen/ breekt de boom al?”
Bij sommige woorden vraag je je af hoe ze in hemelsnaam in dit boek zijn terechtgekomen. Van wie leerde de tolk dat kront, bildergelid en sakaneering Nederlandse woorden waren? Van wie pikte hij tegenpartydig hart op en wie fluisterde hem beroemde paap in? En wat gebeurde er met die woorden en zinnen? Leerde die ijverige vorst van Nakats ze allemaal uit het hoofd en sprak hij er Nederlanders mee aan?
Een boek dat ook veel vragen oproept dus, maar wat een genot om het een keer te zien.



maandag 28 september 2009, 21:29 uur
Van Josien Wijtzes-Blomhoff [via Ewoud Sanders]
Geachte heer Ewoud Sanders,
Met interesse las ik uw artikel in NRC’s Woordhoek van vandaag.
Toen ik de passage tegenkwam over de vorst van Nakats, die Nederlands had geleerd, ging er bij mij onmiddellijk een lichtje branden. Ik weet niet of het u bekend is, maar deze vorst kon zelfs dichten in het Nederlands en dat is toch wel heel bijzonder. Als nazaat van Jan Cock Blomhoff, die van 1817 tot 1824 leider van de Nederlandse handelsnederzetting Deshima is geweest en in 1853 op zijn landgoed Birkhoven te Amersfoort is overleden, heb ik een archiefje over deze voorvader.
In zijn hoedanigheid als “opperhoofd” van Deshima maakte Cock Blomhoff tweemaal met een omvangrijk gevolg een Hofreis naar de shogun in Edo (Tokyo), beladen met allerlei cadeaus. Deze Hofreis werd om de vier jaar gemaakt en besloeg een afstand van 1400 kilometer, zoals vermoedelijk bij u bekend. Een zeer speciale vriend van Blomhoff was de vorst van Nakats, die van Blomhoffs voorganger Doeff de naam Frederik Hendrik had ontvangen. De vorst had grote bewondering voor de Nederlanders en hun cultuur en kon inderdaad Nederlands schrijven en spreken. Tijdens de bezoeken die Blomhoff hem op zijn Hofreis bracht, werd niet alleen gezellig gebabbeld, maar werden ook gedichten uitgewisseld.
Zo schreef Blomhoff voor zijn vriend het volgende gedicht:
Hoe trof mijn hart die schone zuivere taal!
Als ik, mijn vriend! Uw land ten tweede maal
Betrad, geuit in digtmaat, door Uw eigen hand geschreven,
Bewijst, hoe gij mijn Vorst, in ’t Hollands zijt bedreven.
Hoe gij vermaak schept in al ’t geen mijn Landaart is gewoon
Te dragen en te doen, toont aan Uw smaak en een gevoel zo schoon
Daar weinig voorbeelden, ergens van zijn te vinden,
Gaat, bid ik, hierin voort, met d’overige vrienden,
Dat niets die zugt, voor al wat Hollands is, in Uw verdooft,
Dit hoopt, dit wenscht gestaag! Het Hollandsch opperhoofd.
Waarop de vorst van Nakats hem antwoordde met het volgende kleine, maar krachtige gedicht:
Ik ben een van de menschen
Die den bloei van Hollands Handel wenschen.
Ik geef toe, een beetje een Sinterklaasrijm, maar deze Japanse vorst kon het toch maar! Misschien zijn er nog wel meer voorbeelden te vinden van zijn dichtkunst, ik heb ze helaas niet in mijn bezit.
Wellicht heeft u hier iets aan.
Met vriendelijke groet,
Josien Wijtzes-Blomhoff