Ik zocht in mijn handschrift naar het meisje dat ik was

Onlangs kreeg Erwin Mortier de prijs voor de ‘Beste Nederlandse zin van 2008′. De winnende zin betekende waarschijnlijk: ‘Ik zocht in mijn handschrift naar het meisje dat ik was.’ Maar wat maakte Mortier ervan en waar doet dit ons aan denken? ‘Zij brengt het vloeibare en het menselijke kristal bij elkaar door het schone scheprad van de hand.’

 

Mortier maakte ervan: ,,Ik volg de cadans van mijn handschrift en zoek naar de in letters gestolde, kwezelachtige wellust van het meisje dat ik ooit geweest moet zijn, het wicht dat op de drempel van haar adolescentie haar schriftuur even strak aantrok als de dunne lederen veters waarmee ze haar laarsjes dichtreeg – hoe ze het vlees van het woord in de baleinen van de zinsbouw dwong, tot haar eigen lijf vol striemen stond en ze naar uitbraak verlangde.”

Waar doet dit ons aan denken? Aan de Spaanse dichter Luis de Góngora y Argote, bijgenaamd ‘Vorst der duisternis’, de uitvinder van het gongorisme, een literaire stijl die niet meteen uitblinkt door duidelijkheid.

Luis de Góngora y Argote werd in 1561 in Córdoba geboren, als zoon van vermogende ouders. Hij zakte in zijn rechtenstudie, maar zijn invloedrijke familie hielp hem vervolgens aan een baantje bij de kerk. In de hoop een hoger ambt te verwerven vestigde hij zich later in Madrid. Daar slaagde hij er inderdaad in kapelaan van de koning te worden, maar hij maakte ook veel vijanden en door het dure leven raakte hij steeds verder in de schulden. Hij werd ziek en neerslachtig en in 1626 kreeg hij een beroerte. Een paar maanden later stierf hij, 65 jaar oud.

Góngora schreef in totaal zo’n vijfhonderd gedichten. Zijn werk wordt ingedeeld in twee perioden. Vóór zijn vijftigste schreef hij heldere, toegankelijke verzen, die hem de bijnaam ‘Engel van het licht’ opleverden. Maar na zijn vijftigste volgde een radicale omslag. ‘De dichter verklaart bij het begin van deze tweede levensperiode, dat hij niet langer gemakkelijk begrepen wil worden. Voor den minder ontwikkelde lezer moeten zijn verzen een gesloten boek blijven. Hij wil slechts schrijven voor mensen met meer beschaving, voor de culti. Duister zijn wordt zijn doel’, aldus G.J. Schoute in 1934, in de enige Nederlandse bloemlezing van het werk van Góngora.

Deze tweede periode leverde Góngora de bijnaam ‘Vorst der duisternis’ op. Bovendien leidde het in het begin van de negentiende eeuw tot het begrip gongorisme, dat behalve in het Nederlands ook in het Frans, Duits en Engels voorkomt, en min of meer synoniem is geworden met een gezwollen, slechte stijl.

Het toppunt van gongorisme bereikte Góngora in twee omvangrijke gedichten, Fábula de Polifemo y Galatea (1612) en  Las Soledades (1613). Al tijdens het leven van Góngora verschenen er geannoteerde versies van deze gedichten, om de grootste moeilijkheden te verklaren. Later verscheen er zelfs een verklarend woordenboek op het werk van Góngora, dat vele malen dikker is dan zijn verzameld werk.

Wat deed Góngora om door zo weinig mogelijk mensen begrepen te worden? In de eerste plaats gebruikte hij talloze vreemde en geleerde woorden, die hij soms zelfs van een nieuwe, onbekende betekenis voorzag. Daarnaast propte hij zijn werk vol woordspelingen, talloze mythologische en historische toespelingen en gezochte vergelijkingen. Zo schrijft hij ergens: ‘Zij brengt het vloeibare en het menselijke kristal bij elkaar door het schone scheprad van de hand’ – een zin die zo in het werk van Mortier had kunnen staan.

Volgens Schoute zou dit mogelijk kunnen betekenen ‘zij brengt met de hand het heldere water naar haar gelaat, dus zij drinkt of zij wast zich’, maar de precieze betekenis is nooit achterhaald.

Latijnse zinsbouw

Een ander kenmerk van het gongorisme is dat er een emmer woorden wordt leeggekieperd om iets heel eenvoudigs te zeggen. Zo beschrijft Góngora de onvoltooide kathedraal van Granada ergens als volgt: ‘Een gebouw, dat ons meer beroemdheid belooft dan dat, welks as nog in onze herinnering nagloeit, van haar, die tot haar eigen verderf bespied wordt door hem, die door zijn eigen jachthonden werd gedood’ – een beschrijving die pas kan worden begrepen als je het verhaal Actaeon en Diana uit de Griekse mythologie paraat hebt.

Maar het allerergst was dat Góngora er zonder nadere toelichting toe overging de Latijnse zinsbouw toe te passen op het Spaans. Dat wil zeggen dat hij lidwoorden of voorzetsels scheidde van zelfstandige naamwoorden, hulpwerkwoorden van bijwoorden en zo verder. Wat stijlbloempjes opleverde als: ‘de die zacht/ groeve haar heeft bereid bij’, waar had kunnen staan: ‘De groeve, die de bij haar zacht bereid heeft.’

Maakte Góngora zich met dit alles geliefd bij het Spaanse publiek? Niet bij iedereen. Door schrijvers als Lope de Vega en Quevedo werd hij verketterd, maar door de ‘mensen met meer beschaving’ werd hij op handen gedragen. Tot in de achttiende eeuw gold het gongorisme in Spanje als de enig juiste stijl van schrijven. Later raakte zijn stijl in ongenade, maar omstreeks 1927, bij de herdenking van zijn sterfdag, werd Góngora opnieuw ondekt, wat leidde tot een internationale stroom publicaties.

Of je Mortier als een navolger van Góngora kunt zien, weet ik niet, maar stilistisch hebben hun werken zeker de nodige overeenkomsten.

 

Ewoud Sanders


Dit bericht heeft 4 reacties op “Ik zocht in mijn handschrift naar het meisje dat ik was”

  1. Paul van Buuren » Blog archief » Gongorisme zegt:

    [...] Vandaag gevonden in Ewoud Sanders Woordhoek in een reactie op het winnen van de prijs voor de ‘Beste Nederlandse zin van 2008′ door Erwin Mortier. [Gongorisme] betreft een poëtische stijl waarin geleerde woordkeus van gehispaniseerde Griekse en [...]

  2. Bart Haers zegt:

    Zou Mortier een prins der duisternis willen zijn? Ongetwijfeld wil hij vooral volks zijn en het volk aanspreken? Dus tja, voor de culti doet hij het niet, wel. Mooie verwijzing waar we van genoten hebben.

  3. Mina zegt:

    Wat interessant! Sommige gongorische zinnen kunnen (deels) wel mooi zijn, maar eerlijk gezegd vind ik de zin ‘Ik zocht in mijn handschrift naar het meisje dat ik was’ zoveel mooier dan de zin die Mortier eigenlijk opgeschreven had.

  4. Paul Regeer zegt:

    Prachtig hoor, die Mortier, maar tot nog toe lijkt me zijn Tzum-voorganger Jeroen Brouwers onovertroffen. Ik kan nog uit mijn hoofd het begin citeren. “Stond er een kachel in het centrum van het huis en stortte ik deze vol met kolen of hout uit het bos…..”. Als ik tegenwoordig ergens kom waar men hout stookt, denk ik weleens: Zou het ‘hout uit het bos’ zijn? Verderop in dezelfde zin omschrijft Brouwers jenever als ‘het witte water van de firma Bols’. Net als Ewoud Sanders dacht ik: dit is een grap, en ik schaamde me zelfs dat het vijf of zes seconden geduurd had voordat ik door had dat het een grap was. Het duurde aanzienlijk langer voordat ik begreep dat de Tzumredactie er de humor niet van inzag.

Reageren: