Jongens van Jan de Witt

De herkomst van de uitdrukking jongens van Jan de Witt lijkt, zo op het eerste gezicht, klaar als een klontje.

Johan de Witt (1625-1672) was de onkreukbare raadpensionaris van Holland. Hij versterkte de Hollandse vloot zodanig dat die de verenigde vloten van Frankrijk en Engeland kon verslaan. Vooral zijn gruwelijke dood is bekend gebleven. Samen met zijn broer Cornelis werd hij op 20 augustus 1672 in Den Haag door het volk gelyncht. Minder bekend is dat het plebs daarbij werd aangevuurd door enkele notabelen, waaronder admiraal Tromp en een paar hervormde predikanten, en dat de stedelijke schutterij met de armen over elkaar toekeek.

De uitdrukking is in 1852 voor het eerst aangetroffen, in het tijdschrift De Navorscher. Een marineofficier vroeg daar naar de herkomst en de juiste betekenis van deze zegswijze. Er bleek ook een liedje te zijn dat Hulde aan Jongens van de Wit heet. In vier coupletten worden de goede eigenschappen bezongen die iemand tot een ‘jongen van de Wit’ maken. De vier overige coupletten sommen allerlei nare eigenschappen op. Zo luidt het vierde couplet:

Maar die zich ‘t hoofd met reuk bewatert,

En met verwijfden opschik prijkt,

Een paauw gelijk van glorie snatert,

Of als hansworst in ‘t ronde strijkt,

Die stroozak, zonder merg of pit,

Dat is geen jongen van de Wit.

De marineofficier kreeg verschillende antwoorden. Eén inzender meende dat de herkomst moest worden gezocht bij het oorlogsschip ‘Joan de Witt’, waarvan de bemanning, onder het gezag van commandeur Wolterbeek, omstreeks 1800 bij Texel had uitgeblonken door goed gedrag, vlugheid en geoefendheid. Een ander legde, zonder enige onderbouwing, een verband met de Amsterdamse schilder Jacob de Wit (1695-1754).

Veel logischer was echter de verklaring dat de uitdrukking moest worden uitgelegd als ‘ferme, flinke jongens, als een matroos tijdens het bestuur van raadpensionaris Johan de Witt’. Deze uitleg was dan ook decennialang in onze spreekwoordenboeken te vinden.

In 1902 werd dit alles op z’n kop gezet door R.A. Kollewijn, indertijd directeur van een HBS in Amsterdam en de grootste voorvechter van spellingvereenvoudiging (de spelling-Kollewijn). In het tijdschrift Taal en Letteren merkte Kollewijn als eerste op hoe vreemd het was dat de uitdrukking pas halverwege de negentiende eeuw was gevonden, terwijl De Witt ruim anderhalve eeuw eerder leefde. Voor de zekerheid schreef hij een aantal deskundigen aan, maar nee, ook zij waren de uitdrukking nooit in teksten uit de zeventiende of achttiende eeuw tegengekomen.

Er was nog iets anders dat Kollewijn deed twijfelen. Volgens de schrijver C. Busken Huet, die de kwestie in 1882 zijdelings ter sprake bracht, bewees de uitdrukking jongens van Jan de Witt dat de raadpensionaris als geen ander bij het volk populair was gebleven. Maar Johan de Witt was helemaal niet geliefd. Sterker nog: hij werd door het volk gehaat en gelyncht. Dat matrozen zich liever jongens van Jan de Witt noemden dan jongens van onomstreden volkshelden als Tromp of De Ruyter was dan ook wel erg onwaarschijnlijk.

In de beroemde avonturenroman Der Abentheuerliche Simplicissimus van Hans Grimmelshausen uit 1669 las Kollewijn iets dat hem op een ander idee bracht. Er staat daar ergens:

Zo bracht ik mijn buit en gevangenen de volgende morgen met succes naar Soest, en legde met deze strooptocht meer eer en roem in dan ooit tevoren; iedereen zei: ‘Dies gibt wieder einen jungen Johann de Werd!’ [zoiets als ‘Daar hebben we weer een jonge Johann de Werd!'] Wat mij een enorme opsteker gaf.

Nog op twee andere plaatsen in Grimmelshausen wordt een jonge Johann de Werd spreekwoordelijk gebruikt.

Wie was die Johann de Werd, met wie men een stoutmoedig krijgsman vergeleek? Johann van Werth – zoals we nu schrijven – werd omstreeks 1600 in Duitsland geboren in een boerengezin. Van eenvoudig huursoldaat wist hij op te klimmen tot veldmaarschalk. Hij was een van de opmerkelijkste ruitergeneraals in de Dertigjarige Oorlog en kreeg uiteindelijk de titel van rijksgraaf. Vooral in Frankrijk ging hij als een beest te keer. Zijn ruiterij maakte grote streken van Noord-Frankrijk onveilig en in 1636 deed hij een vergeefse poging Parijs te veroveren.

Frankrijk sidderde voor de Duitse krijgsheer. Om stoute kinderen in het gareel te brengen, zong men van ‘Jean de Wet die de koning van Frankrijk in tranen bracht’ en ‘le cardinal’ (Richelieu) deed beven. En in Vlaanderen zei men tegen ondeugende kinderen: ‘braaf zijn want Jan de Weert is daar’. De veldheer komt ook nog voor in twee Franse spreekwoorden, nu als ‘Jean de Vert’. Het gaat om je m’en soucie comme de Jean de Vert en c’est du bon temps de Jean de Vert. Beide betekenen zoveel als ‘dat is verleden tijd; daar lig ik totaal niet wakker van; het kan me geen lor schelen’.

Duitse krijgsheer Een en ander bracht Kollewijn tot de volgende theorie: de Duitse krijgsheer – in sommige streken een boeman – zal bij de katholieken in het zuidoosten van Nederland juist hoog in aanzien hebben gestaan. Dat de uitdrukking een jonge Johann de Werd of jongens van Johann de Werd niet in Nederlandse teksten uit de zeventiende of achttiende eeuw is gevonden, komt volgens hem omdat die voor het grootste deel door protestantse schrijvers uit de westelijke provincies zijn geschreven. Zij kenden die uitdrukking simpelweg niet. Op een gegeven moment wist men echter niet meer wie Johann de Werd was. Daarom werd zijn naam vervangen door – zo men wil: verbasterd tot – ‘Jan de Witt’ of ‘De Wit’, zoals je vaak leest (ook nu nog). Waarschijnlijk is dit aan het begin van de negentiende eeuw gebeurd. Dat men nog lang ‘De Werd’ heeft gezegd zonder precies te weten wie er werd bedoeld, is niet zo vreemd, want hoeveel mensen weten precies op wie praten als Brugman teruggaat? Inmiddels is Kollewijns theorie algemeen geaccepteerd: jongens van Jan de Witt waren dus oorspronkelijk jongens van Johann van Werth.

Ewoud Sanders


Dit bericht heeft 3 reacties op “Jongens van Jan de Witt”

  1. rj zegt:

    De ene 17de eeuwer vervangen door een ander, die net al de ene pas in de 19de eeuw opduikt? Misschien heeft Grimmelshausen gewoon de naam verkeerd verstaan of weliswaar goed verstaan maar verkeerd getranscribeerd? De spreekwoordelijke Nederlander heet bij de Duitsers niet voor niets Herr Kannitverstan (Hebel, 1808). Het is niet vreemd als Grimmelshausen niet wist wie De Witt was en er maar wat van maakte. (Dat etymologen graag theorieën verzinnen wil ik niet laten meespelen: ze kunnen zomaar eens kloppen!) Blijft de vraag: waar komt de uitdrukking dan vandaan? Tja, waar komen uitdrukkingen sowieso vandaan? Misschien is het wel een geheime republikeinse uitdrukking die een tijdlang een sluimerend of ondergronds bestaan heeft geleid.

  2. berend willem hietbrink zegt:

    Jongens van jan die weet! bij de pinken zijn.
    Ferme jongens stoeren knapen … zijt gij niet van zessen klaar = zijt gij niet van zo-is-en-klaar. Opgeschoten jongens van het opschietende gewas en gras.

  3. berend willem hietbrink zegt:

    Dat etymologen niets dan verzinnen speelt wel degelijk een rol, R.J. Daar zij schreven louter om vol geschreven pagina’s te verkopen. Sneeuwwitje=zo-nu-weet-je… dat zal je leren om van vreemde iets aan te nemen. Velen sprookjes zijn waarschuwende verhalen voor de kinderen…Trouwens sneeuw-witje wordt overal afgebeeld met zwarte haren.

Reageren op dit bericht is niet meer mogelijk.