Hoe makkelijk leesbaar is Oeroeg?
Het debuut van Hella Haasse, Oeroeg, is uitgekozen voor de campagne ‘Nederland Leest’. Het zal aan het eind van dit jaar verschijnen in een oplage van krap een miljoen exemplaren. Oeroeg verscheen in 1948 en was indertijd de ,,lieveling van middelbare scholieren en andere beginnende literaire lezers”. Is het voor hedendaagse middelbare scholieren nog net zo makkelijk leesbaar als toen?
Oeroeg, dat de ontsporende vriendschap tussen een Nederlandse en een Indische jongen in Nederlands-Indië beschrijft, behoort tot de bekendste boeken van Hella Haasse. Op de website van uitgeverij Contact, een van de uitgeverijen waarbij Haasse heeft gepubliceerd, lezen we dat zij met dit ,,makkelijk leesbare, goed geschreven boek” indertijd de ,,lieveling van middelbare scholieren en andere beginnende literaire lezers” werd.
De vraag is of Oeroeg voor hedendaagse middelbare scholieren nog net zo makkelijk leesbaar is als toen. Met het verhaal zullen zij niet veel moeite hebben, hoewel wij niet meer op dezelfde manier met ‘Indië’ verbonden zijn als zestig jaar geleden. Maar het boekje bevat ook een aantal woorden en uitdrukkingen die nu niet meer algemeen gangbaar zijn.
Zo schrijft Haasse dat Oeroeg in de buurt bleef als een leraar les kwam geven. ,,Hij zat een eind van ons vandaan op de grond, en had geen oog van ons af.”
Een van de minder bekende woorden is afglans. Haasse gebruikt het in de zin: ,,Ik zocht haar nu vaker op, niet zozeer om nieuws van Oeroeg te horen als wel om een flauwe afglans te vinden van de huiselijkheid die ik in Soekaboemi bij haar had leren kennen…” De beginnende literaire lezer wordt hier gered door de context, die duidelijk maakt dat afglans een literair woord is voor ‘afspiegeling’ of ‘glimp’.
Elders lezen we: ,,De voorgalerij ging bijna geheel schuil achter talloze grote en kleine potten vol varens, palmen en chevelures, die op de balustrade en het lage muurtje stonden.”
Chevelures in een pot – zonder twijfel hebben sommige lezers paraat dat het hier gaat om een soort ,,van het varengeslacht Adiantum, van de naaktvarenfamilie, met name de Adiantum capillus-veneris”, maar ík moest het even opzoeken. De Grote Van Dale vermeldt overigens dat deze varens, die luisteren naar de volksnaam venushaar, ,,op enige oude muren bij Maastricht worden gevonden”.
,,Kussens, kleedjes, teacosy’s en handgeknoopte tapijtjes sierden het interieur”, schrijft Haasse. Je kunt natuurlijk volop van een boek genieten zonder dat je ieder woord begrijpt, en wellicht is dat de tactiek die gevorderde en vergevorderde literaire lezers volgen. Maar ik wilde weten wat een teacosy is, en uit het woordenboek leerde ik: een theemuts.
Ook voor kainstof keek ik in Van Dale, maar vergeefs, want dat staat er niet in. Haasse heeft het over ,,een hoofddoek van kainstof” en over ,,de op Soendanese wijze gewonden kain om zijn hoofd”. Zouden alle Boekenweekgeschenklezers in 1948 precies hebben geweten dat een kain (dat wél in Van Dale staat) een ,,gebatikte of geweven doek” is ,,die om het onderlijf gewikkeld en met behulp van een ceintuur of band vastgezet wordt”, dan wel een ,,algemene term voor geweven (gebatikte) doek of kledingstof”? Het zou kunnen, maar vermoedelijk denken meer mensen bij kain nu aan iemand uit de Bijbel, hoewel ik hiermee wellicht de actuele Bijbelkennis overschat.
En dan zijn er nog woorden als goenagoena voor ‘tovermiddelen’, topi voor ‘tropenhelm’ en katjang in de zin ,,Hij wordt je reinste katjang”. Sommige jongeren zullen hierbij aan hete pinda’s denken en ouderen aan De Katjangs van J.B. Schuil.
Aan de populariteit van Oeroeg heeft dit alles gelukkig geen afbreuk gedaan; het is al 46 (!) keer herdrukt en aan het eind van het jaar komt er dus een herdruk bij van een bijna een miljoen exemplaren – een oplage waar de meeste schrijvers slechts van kunnen dromen. Dat neemt niet weg dat ,,makkelijk leesbaar” een betrekkelijke, tijdgebonden kwalificatie is.
Ewoud Sanders



donderdag 15 januari 2009, 17:38 uur
Leesgemak is niet hetzelfde als “moeilijke of verouderende woorden”, al valt het een rubriek getiteld Woordhoek niet kwalijk te nemen dat ze zich op dat taalaspect concentreert. Maar moeilijkheid heeft met andere dingen meer te maken: lange zinnen, ingewikkelde zinsbouw, een gedachtelijn die niet direct voor de hand ligt voor de lezer. En heel belangrijk is ook “redundantie”: het herhalen van informatie, die, streng logisch gezien, overbodig zou zijn. Als die ontbreekt, wordt de tekst dermate geconcentreerd dat dit de lezer uitput.
Moeilijke woorden zijn uit de context vaak nog wel te begrijpen, of de lezer leest er inderdaad overheen. Dat tast zijn begrip nauwelijks aan.
Dus: de vraag naar de moeilijkheid van de wóórden in Oeroeg is terecht; maar de titel van het artikel suggereert eigenlijk een ander onderwerp, dat veel meer facetten kent.
dinsdag 3 februari 2009, 11:06 uur
Dit is eigenlijk geen reactie maar een vraag om hulp. De vraag gaat over het woord ‘denktank’ waarover u al eerder schreef :”In het Nederlands is think-tank in 1972 voor het eerst gesignaleerd” (…) ” Eind 1972 vroeg het tijdschrift Onze Taal: ,,Hoe vertalen we think tanks?” In het Afrikaans, stond erbij, hadden ze er ideëfabriek van gemaakt, en de Volkskrant had het – op 7 oktober 1972 – geprobeerd met denkfabriek. ” (NRC 27 juni 2005).
Ik ben bezig een beredeneerde database aan te leggen van woorden en uitdrukkingen van Marten Toonder. Eén van zijn boeken heet ‘De denktank’. Het stamt uit 1977. Uit het bovengenoemde citaat maak ik op dat het nederlandse woord eind 1972 nog niet bestond. Vier jaar later al was het de titel van een boek. De vraag is nu of het woord al algemeen bekend was toen Toonder zijn boek schreef.
Kunt U mij helpen deze zaak tot een oplossing te brengen?
mvg
Richard Eichenberger
Emdrupvej 137
2400 Kopenhagen
Denemarken
Wanneer ‘think-tank