Bukshag

Je komt het woord vooral tegen in oorlogsherinneringen: bukshag, shag gemaakt van sigarettenpeukjes die je van de grond opraapte – dus waarvoor je moest bukken. Maar bleef dit gebruik beperkt tot de Tweede Wereldoorlog, of is het al ouder? En verdween het na de oorlog, of werd er daarna ook nog bukshag gerookt? En wie was Simon Peukie?

In 1994 publiceerde Sippora Stibbe haar memoires onder de titel Hoe zorgeloos is de kindertijd. Terugkijkend op de Tweede Wereldoorlog schreef zij: ,,Bij vrouw Van Slooten, die met man en kind in een piepklein huisje in de Papendwarsstraat woonde, kon je eigengerolde sigaretten kopen. De buurtbewoners kochten er niet, want we zagen haar speurend langs de trottoirbanden lopen, steeds de sigarettenpeuken oprapend die door de Canadezen werden weggegooid. Als mensen ons vroegen waar je sigaretten kon krijgen, waarschuwden we hen voor deze ‘bukshag’.”

Ook in de memoires van Jan Willem Holsbergen lezen we over bukshag. Holsbergen zat ondergedoken tijdens de oorlog. Terugkijkend op die jaren schreef hij in 1980 in De prijs van een hoofd: ,,De shag raakt op. De verleiding is groot de peuken te bewaren en de tabak eruit te halen. Dan krijg je bukshag. Tabak waar je voor moet bukken, de peukjes van de grond rapen. Van vijf peuken draai je één sigaret, zeggen ze.”

De meeste mensen (althans de mensen die dit woord kennen) associëren bukshag met de Tweede Wereldoorlog. Maar werden er ook voor die oorlog peuken geraapt om tabak te verzamelen? En was het een Nederlands verschijnsel?

In 1982 voerde Simon Carmiggelt in Welverdiende onrust een man sprekend op die zegt: ,,De enige waardevolle inlichting die hij mij verschafte, was dat ik, in Podgornica, beter geen sigaretten kon kopen van kleine jongetjes, aangezien ze waren gedraaid van op straat gevonden peuken. Toen vond ik dat nog vies. Maar alles is betrekkelijk, want later, in de oorlog, werd ‘bukshag’ een delicatesse.”

Voor de goede orde, Podgornica ligt in Montenegro (voorheen een deelrepubliek van Joegoslavië) en dit speelt dus nog vóór de Tweede Wereldoorlog.

Er is nog een ander bewijs dat bukshag al voor WOII in Nederland werd geraapt. In de jaren twintig van de vorige week kende Amsterdam een straatfiguur die luisterde naar de bijnaam Simon Peukie. In het boek Bekende Amsterdammers (1983) van J.A. Groen lezen we het volgende over deze straatfiguur: ,,Omdat het in de jaren twintig verboden was op de Koopmansbeurs aan het Damrak te roken, smeten de meeste bezoekers hun brandende sigaar of sigaret op het Beursplein weg. Soms was het bruine of witte stokje klein, maar heel vaak was het nog pas voor de helft opgerookt en in dat geval werd het de prooi van een mannetje dat in de omgeving van de beurstrap opereerde om deze eindjes op te rapen. Zijn ware naam en voornaam waren onbekend; iedereen omschreef hem met de bijnamen ‘Simon Peukie’, ‘Simon Eindje’ of ‘Simon Pijpekop’. Men kan hem beschouwen als stichter van het gilde der peukjesrapers dat vooral in de Tweede Wereldoorlog, toen het rookgerei schaars werd, zo’n groot aantal leden omvatte. Omdat deze lieden zich bukten om de peukjes op te rapen, werd de door hen naderhand in een stukje sigarettenvloei samengevatte tabak zeer toepasselijk ‘bukshag’ genoemd. De Amsterdammers omschreven Simons handelwijze gewoon als die van een peukjesraper, maar de ter beurze komende makelaars en commissionairs hadden hiervoor al snel een prachtig, gallisch aandoend equivalent gevonden: zij noemden hem een peukiér.”

Stopte het peukjesrapen na de Tweede Wereldoorlog. Nee, want in die eerste decennia na de oorlog was er nog veel armoede. Een lezer uit Zaltbommel schreef hierover: ,,Op het Stationsplein in Alkmaar liepen in de naoorlogse jaren enkele oudere mannen rond die elke weggegooide peuk opraapten, het vuur eraf haalden en de peuk in een doosje deden. Als ze voldoende peuken hadden verzameld werd de tabak eruit gehaald en werd vervolgens met behulp van een vloeitje een sigaret gedraaid. Deze tabak werd ‘bukshag’ genoemd.”

Dit gebruik bleef overigens niet beperkt tot oudere mannen – ook armlastige jonge schrijvers raapten soms peuken, en zij deden dat tevens als zij in buitenland waren. Zo lezen we over Remco Campert en Frank Lodeizen in Schrijversportretten uit de Haagse Post (1975): ,,Ze leefden van de hand in de tand. In Parijs zocht Remco met Frank Lodeizen de trottoirs af naar peukjes en geldstukjes. Ze rookten bukshag. In Amsterdam woonden ze op koude, vochtige huurkamers in de Kerkstraat en Bethaniënstraat.”

Nederlandse soldaten namen hun kennis van de bukshag mee naar Indonesië. Op de Poentjakpas, tussen Buitenzorg en Bandoeng, heeft ooit een bord gestaan met de tekst ,,Huize Bukshag. Heeft u iets te roken?” Henk Salleveldt maakte hier in 1980 melding van in zijn Woordenboek van Jan Soldaat in Indonesië. Langs een andere konvooiweg stond, aldus Salleveldt: ,,Hebbie nog sigaretten?/ La’ maar vallen.”

G.L. van Lennep meldt in het Verklarend oorlogswoordenboek (1988) dat bukshag ook wel buksie werd genoemd. In Antwerpen is het opgetekend in de vorm buktem. De Grote van Dale vermeldt als tweede betekenis bij bukshag ‘iets zonder waarde’. Dat is misschien nog wel het aardigste van bukshag. Doordat het zo’n slechte naam had, kreeg buk een zeer negatieve betekenis. ,, Het voorvoegsel buk- werd door veel mensen gebruikt om iets minderwaardigs aan te duiden”, aldus Van Lennep. ,,Zo had men het over bukpudding, bukmannetje.”

Onlangs nog gehoord: wat een bukzooi. Maar dat leek me een eufemisme voor kutzooi.

Ewoud Sanders


Dit bericht heeft 1 reactie op “Bukshag”

  1. koos zegt:

    bukshag is van zeer slechte kwaliteit daar de nicotine in het peukgedeelte wat als filter werkt blijft zitten dus zit veel meer nicotine in ook werd bukshag geraapt door veel mensen die wel kopen van shag afgeleerd waren alleen het roken nog niet de mensen die wilde stoppen met roken raapte nog ff een peukje en staken deze aan om nog 4a5 haaltjes te kunne nemen

Reageren op dit bericht is niet meer mogelijk.