*

Woordhoek » Doe mij maar een advocaatje :: nrc.nl

Doe mij maar een advocaatje

Waar komt het woord advocaat in de betekenis ‘brandewijn met eieren, suiker en geraspte nootmuskaat’ vandaan?

 

Over de herkomst van dit woord zijn de deskundigen het niet eens. Volgens het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT), het wetenschappelijke woordenboek van het Nederlands, is advocaatje ontstaan als verkorting van advocatenborrel, een woord dat nog altijd in de Grote Van Dale staat. Die verkorting moet zich al in de 18de eeuw hebben voltrokken, want advocaatje is in 1789 aangetroffen in het werk van Wolff en Deken. ,,Men zet het spitse mondje aan een fyn liqueurtje, een gesuikerd brandewyntje, een advocaatje”, schreven zij in Brieven van Abraham Blankaart.

 

Ter verklaring van dit woord schreef het WNT in 1867: ,,Zoo genoemd als een goed smeersel voor de keel, en dus bijzonder dienstig geacht voor een advocaat, die in ‘t openbaar het woord moet voeren.”

 

Er waren indertijd natuurlijk nog veel meer mensen die geregeld in het openbaar het woord moesten voeren – denk maar aan de aanzeggers en de stadsomroepers – maar het beeld zal zijn geweest dat advocaten erg veel en handig wisten te smoezen.

 

Of heeft de advocatenborrel helemaal niks met het beroep van advocaat te maken? Die mogelijkheid is in 1925 voor het eerst geopperd door de Vlaamse etymoloog Jozef Vercoullie. Vercoullie herleidde het woord van het Deense abekat, dat ‘borrel’ betekent. Hoe en waarom dat Deense woord bij ons terecht was gekomen, vertelde hij er niet bij.

 

Discussies over de herkomst van woorden gaan soms bijzonder traag, en de reactie op Vercoullies theorie kwam pas in 1956, in het supplement op het WNT. In plaats van Vercoullies afleiding, die ter zijde werd geschoven als ,,zeer onwaarschijnlijk”, voelde men meer voor een connectie met advocatenwijn ‘brandewijn met suiker en nootmuskaat’, een woord dat al in 1655 was aangetroffen.

 

In 1989 volgde nog een vierde theorie. Het zou geloofwaardiger zijn, schreef het etymologisch woordenboek van Van Dale toentertijd, om een verband te leggen met het Franse avocat en het Spaanse aguacate, dat ‘avocado’ betekent. ,,De vrucht levert een smeuïge, boterachtig gele substantie, waarvan men een dikke drank kan maken, zoals de in Indonesië in glazen geserveerde adpokat.”

 

Vooralsnog is de strijd om de herkomst van advocaatje onbeslist, maar zelf geloof ik nog het meest in de oudste theorie, dus het advocaatje als drankje voor de advocaat om z’n keel te smeren. Niet zozeer omdat ik denk dat advocaten handige veelpraters zijn, maar omdat je dit vernoemingsmotief (zoals taalkundigen dat noemen) ook aantreft bij andere borrelnamen. Zo wordt een glaasje jenever ook een keelsmeerdertje of smeerolie genoemd, en de Duitsers kennen als benamingen voor sterke drank onder meer Gurgelwasser ‘keel-’ of ‘gorgelwater’, Halsöl ‘halsolie’ (ook voor bier), Rachenputzer ‘keelpoetser’ en, als andere uiterste, Rachenreißer ‘keelverscheurder’.

        

Ewoud Sanders

 


Dit bericht heeft 2 reacties op “Doe mij maar een advocaatje”

  1. Veronica Cramer zegt:

    Ik heb advocaat nooit zien verorberd door de legale brigade.
    Wel door vrouwen op het platteland, in kleine borrel glaasjes met een onmogelijk klein lepeltje. Het glaasje werd dicht tegen de meestal ruime borst gekoesterd en de inhoud bedachtzaam genoten. Die lepeltjes zouden nu elke afwasmachine onmiddellijk onklaar maken. Ook geloof ik dat advocaat soms thuis werd gemaakt. Een recept heb ik niet.
    Advocaat schijnt wel iets te hebben voor Nederlanders overzee. Iedereen weet ervan en menigeen heeft het. Is het de kleur? Ik weet van geen ander soort alcohol met zo’n kleur en de substantie van pudding.

  2. Maarten Dulfer zegt:

    Advocaat zoals we het nu kennen, is als keelsmeerder erg onpraktisch, wat die herkomst iets minder waarschijnlijk maakt. Oorsprong kan natuurlijk liggen in tijden dat er nog geen eieren door zaten en je het nog gewoon kon drinken – maar dat was dus geen advocaat. Zie het citaat van Wolff en Deken: die onderscheiden advocaat van likeur en van brandewijn met suiker. Het kan dat daarmee al de dikke vla werd bedoeld.
    Het spul zelf is ontstaan door smaakverzachtende eieren door goedkoop stooksel te roeren. Dat kan weer fijn vooroordeelbevestigend zijn: een mooi verhaal maken van iets dat niet deugt. Waarschijnlijker is dat advocaten, vroeger op uitzonderingen na geen dikbetaalde beroepsgroep, het met goedkopere bieten- of graanalcohol moesten doen, waar magistraten zich likeuren en goede brandewijn konden veroorloven. Verder werden advocaten ook wel in natura uitbetaald; voorstelbaar is dat huisgestookte jenever en eieren daarvoor konden dienen.

Reageren op dit bericht is niet meer mogelijk.