Punt vijf in de canon: Hebban olla vogala

In de nieuwe canon van de Nederlandse geschiedenis staat als vijfde punt de bekende dichtregel ‘Hebban olla vogala?’, als voorbeeld van ,,zo ongeveer het vroegste Nederlands dat we kennen’’. Maar is dat ook juist?

Het lijkt mij hoe dan ook een juiste beslissing om die zin op te nemen in de canon, want deze prachtige dichtregel is heel bekend en je kunt er, als geschiedenisleraar, een mooi verhaal over vertellen.

 

Maar is het werkelijk ,,zo ongeveer het vroegste Nederlands dat we kennen’’?

 

Het is maar net hoe je ,,zo ongeveer’’ definieert. Als je hiermee bedoelt ,,met een marge van zo’n driehonderd jaar’’, dan klopt dit, maar het is onder historici niet erg gebruikelijk om zo’n grove marge te hanteren, ook niet voor de vroege Middeleeuwen.

 

Dus nee, Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic anda thu, wat unbidan we nu?, vrij vertaald ‘Alle vogels zijn al aan het nestelen, behalve jij en ik; waar wachten we nog op?’ is niet de oudste Nederlandse zin.

 

Ik geef hier drie oudere zinnetjes:

 

1. An auont in an morgan in an mitdon dage tellon sal ic in kundon, in he gehôron sal. In eigentijds Nederlands: ‘s Avonds en ‘s morgens en ‘s middags zal ik vertellen en verkondigen, en Hij zal horen.’ De zin is afkomstig uit de zogeheten Wachtendonckse psalmen, een psalmvertaling uit de tiende eeuw, in de taal van het uiterste zuidoosten van ons land.

 

2. Visc flot aftar themo uuatare. Oftewel: ‘Een vis zwom in het water.’ Deze zin maakt onderdeel uit van een zogenoemde ‘paarde- en wormbezwering’ uit het einde van de negende eeuw. De tekst is geschreven in het Nederrijns-Westfaals, dat door deskundigen tot het Oudnederlands wordt gerekend.

 

3. Gelobistu in got alamehtigan fadaer. ‘Geloof je in God (de) almachtige vader.’ Zo staat het in een Utrechtse doopbelofte uit het eind van de achtste eeuw. Er wordt ook nog gevraagd naar het geloof in ‘crist godes suno’ en de ‘halogan gast’. Waarschijnlijk gaat het om een Nederlandse bewerking van een Engelse tekst, want er waren hier toen nogal wat missionarissen uit York om de Nederlandse heidenen te bekeren.

 

Die laatste zin is maar liefst driehonderd jaar ouder dan die over nestjesbouwende vogeltjes. Betekent dit nu dat zin nummer drie de oudste in het Nederlands is? Nee, zo kun je dat niet stellen. In de eerste plaats bestaat die doopbelofte uit meerdere zinnen, maar er zijn ook nog allerlei losse Oudnederlandse woorden, plaats- en persoonsnamen gevonden in oorkonden, heiligenlevens, registers en Latijnse handschriften uit de zevende tot de twaalfde eeuw. Er zijn dus tientallen, zo niet honderden woorden en zinnen ouder dan hebban olla vogala, een zin die omstreeks 1100 moet zijn geschreven door een West-Vlaamse monnik die werkte in de abdij van Rochester in het Engelse graafschap Kent.

 

Hoe komt het dan dat het vogala-zinnetje altijd als oudste wordt aangewezen? Omdat dit zo in talloze leerboeken staat natuurlijk, maar ook omdat het zo romantisch aandoet. Men verbeeldt zich dat die monnik verliefd was en even, wellicht heimelijk, dat eenzame zinnetje krabbelde op het schutblad van een boek waaraan hij zat te zwoegen. Maar zo is het helemaal niet gegaan.

 

Het schutblad waarop dit zinnetje in 1932 is ontdekt door de Britse letterkundige Kenneth Sisam, is grotendeels volgeklad door vier verschillende monniken (dat kun je aan de handschriften zien). Zij probeerden die dag hun verse pennen en nieuwe inkt uit. De een schreef de letters van het alfabet, de andere ‘ik probeer de inkt met een pen’, en ‘onze’ monnik haalde een liefdesversje aan dat hij zich waarschijnlijk uit zijn jeugd herinnerde. Omdat zij medebroeders, Engelsen, die zin niet of onvoldoende begrepen, schreef hij vervolgens de Latijnse vertaling erboven. Een van de andere monniken vond het zo leuk dat hij het begin van de Latijnse vertaling zelf nog eens overschreef.

 

Zo is het gegaan, dus niks geen dromerige, verliefde monnik met nestdrang. Maar alles bij elkaar kun je er een mooi verhaal over vertellen, en daarom kun je slechts toejuichen dat deze vroege Nederlandse dichtregel nu in de historische canon is opgenomen.

 

Ewoud Sanders


Dit bericht heeft 4 reacties op “Punt vijf in de canon: Hebban olla vogala”

  1. Roland Witte zegt:

    Ik heb ook ooit eens iets vernomen over het Onze Vader in het Oudnederlands: Atta unsar, of zoiets. Hoe is dat precies en hoe oud is dat dan wel?

  2. J.S. Machiels zegt:

    Als ik me niet vergis komt deze regel voor in het Gothisch.

  3. Elly de Jong zegt:

    Beste Roland ,
    Ik las op de website over taalfamilies dat Átta unsar pu in himinam etc. in het Gotisch is geschreven. Het is geen Nederlands. Er staat ook bij dat het de oudste tekst in een Germaanse taal is. Misschien ben je hierdoor in de war geraakt?
    Elly de Jong

  4. Mart zegt:

    “Atta unsar…” is Gotisch uit de 4e eeuw. Delen van evangeliën zijn overgeleverd. Ze zijn vertaald door bisschop Wulfila (lett. Wolfje), zelf een Goot. Gotisch was een Oostgermaanse taal, volgens sommige taalkundigen Noordgermaans (Scandinavisch). Nederlands is een Westgermaanse taal. De twee taalgroepen lagen in die tijd heel dicht bij elkaar.
    Het Gotisch levert ons de oudste Germaanse teksten. de p in ‘pu in himinam’ moet je lezen als een stemhebbende th in het Engels. Deze (runen)letter heet de thorn. Het is het Onzevader uit Mattheus.
    Het is overigens belachelijk dat “Hebban olla vogala…” als het oudste zinnetje beschouwd wordt. Er zijn zoals beschreven honderden jaren oudere zinnen. En niet te vergeten: “Hebban olla vogala..” is hoogstwaarschijnlijk Oud-Engels (Oud-Kents).

Reageren op dit bericht is niet meer mogelijk.