Stoepen en poten (2)

Je hebt er een bal en twee stoepranden voor nodig. Het idee is dat je de bal precies tegen de stoeprand aan de overkant gooit, zodat de bal terugstuitert. Dat is de essentie van een spel, zo schreef ik hier vorige week, dat in Leiden stoepen wordt genoemd. Maar onder welke namen staat dit prachtspel elders bekend, en wordt het nog wel gespeeld?


Ja, het wordt nog volop gespeeld. Er zijn zelfs speeltuinen in Nederland die speciaal voor dit spel van balken of stoepranden zijn voorzien.
 

En inderdaad, er bestaan heel veel verschillende namen voor. Van tevoren had ik bedacht dat deze namen hoogstwaarschijnlijk een of meer ingrediënten van het spel zouden bevatten: de bal, de stoep, de rand, het stuiteren. Die woorden komen inderdaad in veel benamingen voor, maar in sommige helemaal niet, en die waren het verrassendst. Zo staat het ‘stoepen’ in onder meer Tilburg, Waalwijk, Goirle en Kaatsheuvel bekend als kaaibanden, keibanden, kaaibandje tikken en zelfs als bandkaaien. Helemaal niet bij stilgestaan dat er in een Nederlands dialect wel eens een ander woord zou kunnen bestaan voor ‘stoeprand’. Kaaj betekent overigens ‘kei’ in het Tilburgs, niet kade, en ze zeggen daar kaajbaanden.
 

Voordat er nu een Tilburgse lezer in de pen klimt om te melden dat hij dit spel alleen kent als stoepballen of stoepranden - ja, ook die namen worden daar gebruikt. Kenmerkend voor de jeugdtaal is dat zich al op kleine afstand grote lexicale verschillen kunnen voordoen: per stad of dorp, per wijk, per school, soms zelfs per straat. Verschillen in de woorden én in de spelregels. Zo schreef iemand: ,,In Geldrop, althans in mijn straat, noemden wij het ‘stoepen’ stoepjebutsen of – al iets minder orthodox – randjebutsen. Frappant was dat direct om de hoek de regels al een klein beetje anders waren.’’
 

En neem Amsterdam: in de afgelopen decennia zijn daar voor dit balspel gesignaleerd: randen, randje tik, stoepen, stoepiebal(len), stoepiegooi(en), stoepietrap(pen), stoepietik, stoeprandje gooien en stoepranden.
 

Die laatste naam, stoepranden, is overigens de meest algemene benaming (met als varianten onder meer stoeprandertje, stoeprandjebal en stoeprandjetik). Van de 275 mensen die reageerden – uit alle delen van het land – kenden er 95 stoepranden. David, een jongen van elf (niet alleen nrc.next heeft jonge lezers!) legde uit hoe ze het tegenwoordig in Driehuis spelen: ,,Je moet de bal proberen tegen de stoeprand te gooien als je raak gooit mag je de bal snel proberen te pakken en dan mag je vanaf waar je hem hebt gepakt nog een keer gooien. Maar als je mis gooit en de tegenstander pakt de bal snel en gooit hem op jou dan krijgt hij al jou punten.’’
 

Het element stuiteren kwam terug in de namen stoepiestuit(en), stoeprandje stuit en alle varianten met butsen (een dialectwoord voor ‘stuiteren’). Een alternatief voor stoeprand vinden we in kantgooien, kantje butsen, kantstoepen en stoepkanten.
 

Overigens wezen veel lezers erop dat stoepen in Leiden en Delft onder studenten een heel andere betekenis heeft, namelijk ‘een dispuut op de stoep voor de sociëteit uitvechten’.
Snel door naar het poten, want ook daar vroeg ik naar. Ik heb het woord uit mijn jeugd teruggevonden: afpoten of afpotelen. Andere varianten zijn: aftrappen, aftreden, treden (trejen), oppoten, raaien en opraaien (alleen in Amsterdam), paardepoten, passen, pieken, pispoten en pispotten, potelen, ploffen, pootje pootje, pootje trekken of zetten, poteren, putten, voeten, voetje-voetje en voetje poel. Voor de fraaie woordenschat die bij dit ritueel hoort (‘laatste hele’, ‘bruggetje’, ‘schat onder of boven’) zie een selectie uit de reacties op de weblog.

 

Ewoud Sanders


Dit bericht heeft 6 reacties op “Stoepen en poten (2)”

  1. Jan-Wouter Zwart zegt:

    Beste Ewout,

    ik miste in je tweede column over [het bekende spel met de bal en de stoepranden] de naam die in mijn jeugd gebruikelijk was en die ik dus als de enig juiste erken: kantjemikken (eventueel stoepkantjemikken). Ik kom uit Oss (NB), maar mijn ouders niet, die komen uit Enkhuizen en Middelburg. Overigens denk ik dat we de naam op straat opgepikt hebben en niet van onze ouders. De spelregels staan m.i. niet toe dat je de stoeprand verlaat, zoals ik tot mijn verbijstering sommige kinderen wel heb zien doen. De puntentelling is simpel, 1 punt voor een bal die terugkomt, 2 voor als die gevangen wordt, en na 5 punten van kant wisselen. De bal mag niet eerst de straat geraakt hebben (dus als hij in de opstuit de kant raakt en terugkomt telt het niet; kinderen hebben daar een feilloze intuitie voor). Wij deden overigens ook een variant waarbij de bal niet gegooid werd maar getrapt of gekopt: kantjevoetbal. Om het niet te makkelijk te maken hebben we daarbij op een gegeven moment de regel ingevoerd dat de bal niet met de punt gespeeld moet worden, maar met de wreef; maar dat is ongetwijfeld iets idiosyncratisch.

    Het poten kenden wij ook, en ik herkende de term ‘treden’ [trejen] als de Brabantse term daarvoor.

    Misschien moet je eens navragen wat de namen zijn voor een ander spel wat wij speelden, landjepik, waarbij van een in het zand getekende kaart stukken land in andere handen overgingen door een zakmes in de grond te gooien en een rechte lijn te trekken volgens de stand waarin het mes in het zand bleef steken.

    Hartelijke groeten,

    Jan-Wouter Zwart

  2. Tineke Spruijt zegt:

    Stoeprandenkets.
    zo noemden wij het spel in Amstelveen.

  3. renso woltjes zegt:

    in de reacties mis ik de “groningse” vertaling namelijk riebeltje gooi’n. Wij deden dat vaak in onze jeugdjaren. In Veendam heette de stoeprand een riebel. In de stad groningen heet een stoep een riepe. De Noordkant van de Vismarkt heet de Glene Riepe, d.w.z. het altijd in de zon liggende helle en hete trottoir.

  4. Juul Muller zegt:

    Net terug van weggeweest, de stukken over stoepbal gelezen. In mijn jeugd op Manhattan (40er jaren) speelden wij ‘stoopball’. Nu is Nieuw Amsterdam in de 17e eeuw overgegaan op de Britten. Zou het spel al zo lang bestaan??
    In dezelfde tijd heette ‘landjepik’ daar overigens ‘mumblety peg’; volgens Webster omdat er aanvankelijk een houten pin aan te pas kwam, die met de tanden weer uit de grond moest worden getrokken.

  5. Paul Reus zegt:

    Een late reactie wellicht, maar ik kon niet eerder zullen we maar zeggen.
    Stoepranden is een sport die ik al vanaf mijn jeugd heb bedreven. Vroeger, in de jaren 50 tot 60, waren er weinig of geen auto’s in de straat en er waren nog echte stoepen. Een ieder stond op de stoep aan weerszijden van de straat en probeerde de bal op de rand van de trottoirband te gooien. Als je de bal precies op de rand gooide, kreeg je de bal weer met een fraaie hoge boog terug. De regels waren simpel; kwam de bal terug aan jouw kant van de straat, mocht je weer proberen de rand van de stoep te raken.
    Mijn kinderen waren heel enthousiast toen ik hun voor het eerst dat spel demonstreerde. Dat kon pas toen we naar een huis aan een straat met aan weerszijden echte stoepen waren verhuisd. Dat wordt minder, tegenwoordig is veel gelijkvloers!
    We hebben inmiddels een variant ontwikkeld. Mijn zoon en ik proberen nu de bal, niet met de hand te gooien, maar op de rand te schieten met de voet. Je kunt dan punteren (vaak te hard) of stiften (boogballetje). We hebben voor deze variant van het stoepranden nog geen naam bedacht.

  6. Paul Reus zegt:

    Leuk om te zien dat vanaf het moment dat wij gingen stoepranden plotseling ook andere kinderen (en ouders!) dat spel weer gingen spelen!

Reageren op dit bericht is niet meer mogelijk.