<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:wfw="http://wellformedweb.org/CommentAPI/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom"
	xmlns:sy="http://purl.org/rss/1.0/modules/syndication/"
	xmlns:slash="http://purl.org/rss/1.0/modules/slash/"
	>

<channel>
	<title>Wetenschap columns</title>
	<atom:link href="http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/feed/" rel="self" type="application/rss+xml" />
	<link>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns</link>
	<description></description>
	<lastBuildDate>Fri, 17 Dec 2010 23:00:00 +0000</lastBuildDate>
	<language>en</language>
	<sy:updatePeriod>hourly</sy:updatePeriod>
	<sy:updateFrequency>1</sy:updateFrequency>
	<generator>http://wordpress.org/?v=3.1.3</generator>
		<item>
		<title>Kwade droes</title>
		<link>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/12/18/kwade-droes/</link>
		<comments>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/12/18/kwade-droes/#comments</comments>
		<pubDate>Fri, 17 Dec 2010 23:00:00 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Paul Schnabel</dc:creator>
				<category><![CDATA[Uncategorized]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/12/18/kwade-droes/</guid>
		<description><![CDATA[Jan Egter van Wissekerke – Van kwade droes tot erger. Gebruik en veterinaire verzorging van paarden in het leger (1762-1874) – Erasmus Publishing, Rotterdam, 400 blz. Promotoren: Prof.dr. P.A. Koolmees, Prof.dr. W. Klinkert Geen promotiedatum bij dit proefschrift. Niet omdat het proefschrift op het laatste moment toch nog werd afgewezen, maar omdat de promovendus nauwelijks [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<div>
<p />
<p>Jan Egter van Wissekerke – Van kwade droes tot erger. Gebruik en veterinaire verzorging van paarden in het leger (1762-1874) – Erasmus Publishing, Rotterdam, 400 blz. Promotoren: Prof.dr. P.A. Koolmees, Prof.dr. W. Klinkert</p>
<p>Geen promotiedatum  bij dit proefschrift. Niet omdat het proefschrift op het laatste moment toch nog werd afgewezen, maar omdat de promovendus nauwelijks een week voor zijn promotie overleed. Hij was al langere tijd ernstig ziek, maar heeft het proefschrift nog wel zelf kunnen voltooien. Op 15 november, ruim twee maanden na zijn dood, kende de Universiteit Utrecht Jan Egter van Wissekerke postuum de doctorstitel toe. </p>
<p><span id="more-118"></span></p>
<p>Dat was volkomen terecht. Niet alleen omdat Van Wissekerke op zijn doodsbed wist dat de beoordelingscommissie zijn manuscript geaccepteerd had, maar ook omdat het werk dat hij naliet en nu mooi verzorgd is uitgegeven, een prima proefschrift is. Het is er een van een zeldzaam geworden soort: de afsluiting van een loopbaan als medicus practicus in plaats van het begin van een wetenschappelijke carrière. Van Wissekerke was dierenarts en is pas ruim na zijn pensioen begonnen met het schrijven van zijn dissertatie. Hij heeft er uiteindelijk zes jaar aan gewerkt. Op het resultaat mocht hij trots zijn. Het is een indrukwekkend goed gedocumenteerde studie geworden, goed geschreven ook, met een natuurlijk gevoel voor de wisseling van de anekdote naar casuïstiek en de grote lijn. Het is een historisch proefschrift, maar zijn kennis en ervaring als dierenarts is overal voelbaar zonder dat de leek de draad kwijtraakt. </p>
<p>De titel klopt niet. Die is veel beperkter dan het verhaal dat verteld wordt. Ik heb helemaal niks met paarden, maar deze cultuurgeschiedenis van het paard heb ik gefascineerd gelezen. Voor de echte paardenliefhebber is dit verplichte lectuur. Dat zou het boek tot een bestseller kunnen maken, want Nederland is weer een echt paardenland geworden. Naar schatting lopen er nu in ons land tegen een half miljoen paarden en pony’s rond. In de paardenbusiness gaat ongeveer anderhalf miljard om en voor onze allerbeste paarden worden nu op de internationale markt miljoenen neergeteld. In de landbouw, het leger of de vervoersbranche speelt het paard nauwelijks meer een rol. Het paard is er voor de sport en voor het plezier. </p>
<p>Dat zijn andere paarden dan het boek van Van Wissekerke bevolken. Dat zijn de legerpaarden en strijdrossen, die bijna drieduizend jaar het oorlogstoneel hebben beheerst. Honderd jaar geleden kwam daar definitief een eind aan. De tank, de pantserwagen en de jeep zijn de paarden van de moderne tijd geworden. Wat ik niet wist, was dat de domesticering van het paard toch van vrij recente datum is. We gaan dan terug naar 3500 voor Christus, niet lang voor de grote piramides gebouwd werden. De eerste paarden die ten dienste van de mens konden worden gebracht, waren nog geen rij- of trekdieren, maar werden gehouden voor de melk, het vlees, de huid en het haar. Om  een paard goed als rij- of trekdier te kunnen gebruiken, ontwikkelde zich een hele technologie die zich in essentie, maar wel in hoog geperfectioneerde vorm, tot de dag van vandaag heeft gehandhaafd. Het bit kwam er al vrij vroeg, net als de sporen en in de achtste eeuw zorgde de uitvinding van de stijgbeugel voor een veel stabielere positie van de berijder. Het ijzeren hoefijzer kwam pas in de middeleeuwen beschikbaar en vergrootte de actieradius van het paard aanzienlijk. Zadels kwamen er al snel toen het paard ook echt bereden ging worden, maar een goed passend en niet te hard zadel liet nog lang op zich wachten. Veel rijpaarden leden door de primitieve vorm van het zadel en de slechte bevestiging onder zadeldrukking, een bron van slecht helende wonden en abcessen. De trekpaarden hadden vooral veel last van de harde houten tuigage die tegen hun schoften schuurde en drukte. </p>
<p>Iedere technologische vernieuwing verhoogde de militaire gebruikswaarde van het paard aanzienlijk. Daar stond tegenover dat het gewicht van de geharnaste ruiter en de beschermende dekplaten op zijn flanken de bewegingsmogelijkheden, de snelheid en het uithoudingsvermogen van het paard ernstig beperkten. Echt in het nadeel raakte het paard pas door de uitvinding van het vuurwapen. Zowel het dier als de ruiter bleken plotseling erg kwetsbaar te zijn en dat werd nog versterkt door het feit dat tegelijkertijd paard rijden, een wapen laden en trefzeker richten heel erg moeilijk is en lang zelfs onmogelijk was. Wat weer wel hielp was de enorme rookontwikkeling die het gebruik van buskruit met zich meebracht. Al snel na het begin van de vijandelijkheden hing er over het slagveld een bijna ondoordringbare mist. Pas aan het einde van de negentiende eeuw kwam ‘rookzwak’ buskruit beschikbaar. Een beetje treurig meldt Van Wissekerke dat het betere zicht ook het einde van de felgekleurde uniformen betekende. Het leger ging voortaan in groen en grijs gekleed. </p>
<p>Uiteraard gaat de belangstelling van een dierenarts in het bijzonder uit naar de geschiedenis van de fokpraktijken en de behandeling van de ziekten, wonden en breuken van paarden. Opvallend is dat de opvattingen over de oorzaken van allerlei aandoeningen voor paarden niet anders waren dan voor mensen. De humorale pathologie van Galenus gold ook voor paarden. Ziekte was een verstoring van het evenwicht van de vier lichaamsvochten. Door het aftappen van in overmaat aanwezig vocht (bloed, gal, slijm) kon het evenwicht weer hersteld worden. Net als mensen moesten paarden aderlatingen, snijdingen, veretteringen en allerlei andere nare ingrepen ondergaan om hen weer beter te maken. Typische paardenziekten als kwade droes, een met zwellingen gepaard gaande ontsteking van de slijmvliezen, leidde uiteindelijk wel tot de ontwikkeling van wat de moderne diergeneeskunde zou worden, maar kostte in Europa jaarlijks aan honderdduizenden paarden het leven. De enorme slachting die ziekten, oorlog, slechte verzorging en uitputting eeuwenlang onder paarden uitrichtten, beschrijft Van Wissekerke met een scherp oog voor ook de gruwelijkste details. </p>
<p>Paarden zijn gevoelige dieren die snel ontregeld zijn. Dat was vroeger zo en het is nog steeds zo, misschien zelfs nog wel meer het fokken op specifieke eigenschappen. Het hoog op de benen staande  majestueuze ‘Ankie van Grunsven’-paard is het resultaat van bijna twee eeuwen steeds gerichter en preciezer fokken. Oorspronkelijk waren paarden gemiddeld veel kleiner en minder slank. Uiteraard bevat het boek ook daar heel veel informatie over, inclusief een mooi hoofdstuk over de ‘robes’ van het paard, de kleur van de huid en het haar en de zorg die daaraan gegeven moet worden. En dan gaat het ook over het roskammen en het couperen van de staart. Ook het paard is onderhevig aan mode.     </p>
<p>Deze column over wetenschap wordt afwisselend geschreven door de natuurkundige Robbert Dijkgraaf, de socioloog Paul Schnabel (over proefschriften), de voedingsdeskundige Martijn Katan, de neerlandicus Marita Mathijsen en de medicus Piet Borst.</p>
</div>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/12/18/kwade-droes/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Barbaren aan de poort?</title>
		<link>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/12/11/barbaren-aan-de-poort/</link>
		<comments>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/12/11/barbaren-aan-de-poort/#comments</comments>
		<pubDate>Fri, 10 Dec 2010 23:00:00 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Robbert Dijkgraaf</dc:creator>
				<category><![CDATA[Uncategorized]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/12/11/barbaren-aan-de-poort/</guid>
		<description><![CDATA[De barbaren slaan zich letterlijk met sloophamers door de muren heen. Althans, in het toneelstuk Kinderen van de zon van de Russische schrijver Maxim Gorki, dat nu door de gezelschappen Toneelgroep Amsterdam en NTGent wordt gespeeld in een aangrijpende enscenering van regisseur Ivo van Hove. Binnen bevindt zich een klein gezelschap intellectuelen: een wereldvreemde wetenschapper, [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<div>
<p />
<p>De barbaren slaan zich letterlijk  met sloophamers door de muren heen. Althans, in het toneelstuk <em>Kinderen van de zon </em>van de Russische schrijver Maxim Gorki, dat nu door de gezelschappen Toneelgroep Amsterdam en NTGent wordt gespeeld in een aangrijpende enscenering van regisseur Ivo van Hove. Binnen bevindt zich een klein gezelschap intellectuelen: een wereldvreemde wetenschapper, een idealistische kunstenaar, een tobberige veearts. Zij discussiëren over de grote thema’s van de wereld: de ontrafeling van de geheimen van de natuur, de vrijheid en ongebondenheid van de kunst, de nuances van het leven en de liefde. Maar bij alle verwikkelingen zijn zij zich nauwelijks bewust van de opstekende storm buiten, waar mensen creperen aan cholera en armoede. Totdat het te laat is en de buitenwereld letterlijk binnenstormt.</p>
<p><span id="more-117"></span></p>
<p>Gorki, de vader van het socialistisch realisme, die uiteindelijk een machtig man onder Stalin zou worden, schreef dit stuk in 1905, in de gevangenis, na een leven aan de zelfkant van de maatschappij, gekleurd door bittere armoe en revolutionaire acties. (‘Gorki’ is een pseudoniem dat ‘de bittere’ betekent.) Zijn omineuze woorden aan het einde van het stuk, waar het publiek te verstaan krijgt slechts medelijden te verdienen, bleken meer dan waar. Er stond de mensen in tsaristisch Rusland inderdaad het nodige te wachten. </p>
<p>De metafoor van de optrekkende horden barbaren klinkt nu ook vaak. Dit keer zijn het echter geen voorhamers of lynchpartijen die vrees inboezemen, maar strafkortingen, ombuigingen en verhoogde btw-percentages. Het wapen van de cultuurbarbaar anno 2010 lijkt bij uitstek de non-interesse. Geen opgeheven vuisten, maar opgetrokken schouders.</p>
<p>Hoe ziet zo’n moderne barbaar eruit? De Italiaanse schrijver Alessandro Baricco heeft een haarfijn portret van hem geschilderd in zijn boek <em>De barbaren</em>, een bundel essays die oorspronkelijk als feuilleton in de krant <em>La Repubblica</em> zijn verschenen. Nu gebiedt de eerlijkheid mij hier te melden dat dit boek mij oorspronkelijk werd aangeraden met de woorden dat het beste voorbeeld  van zo’n moderne barbaar… ikzelf was. Het zal je maar gezegd worden! U begrijpt, mijn interesse was in ieder geval gewekt.</p>
<p>Kort gezegd ziet Baricco de aanval van de barbarij op de beschaving als een strijd van de vervlakking tegen de diepgang. Zijn reeks voorbeelden is divers en kan door de lezer gemakkelijk worden aangevuld: Mickey Mouse tegen Flaubert, de Big Mac tegen de bouillabaisse, het pistool van Volkert van der G. tegen De Nachtwacht, of <em>De Wereld Draait Door </em>tegen NRC<em> Handelsblad</em>. </p>
<p>De barbaar is oppervlakkig, verafschuwt de verdieping en spreidt zich liefst zo dun mogelijk uit over de aardbol. Hij probeert daarbij zo veel mogelijk onderwerpen in zo’n breed mogelijk netwerk te vangen. Zijn favoriete vervoermiddel is dan ook internet, dat alles en iedereen met de snelheid van het licht verbindt. Geen barbaren aan de poort, maar aan de portal. </p>
<p>Zoals de onzekerheidsrelatie van Heisenberg zegt dat van een deeltje óf de plaats óf de snelheid kan worden bepaald (maar nooit beide tegelijkertijd), zo kiest de barbaar zonder aarzeling voor de snelheid, terwijl de beschaving juist zo graag op één vaste plek wortelt. Vandaar dat Baricco’s favoriete voorbeeld de ‘hollywoodwijn’ is, de generieke en gemakkelijke wijn die overal en door iedereen kan worden gemaakt en verhandeld. Dit in contrast met het product van de lokale wijnboer waar je als het ware de gehele geschiedenis van de regio in kunt proeven. Iedere fase in de zwerftocht van een barbaar is een tussenhalte, een opstap naar een volgende bestemming. Zijn favoriete habitat is dan ook de winkel van Sinkel, of het nu Disneyland, IKEA, Google of de Albert Heijn is. En niet alleen de wereld is vlak, ook de tijd wordt platgeslagen. De gehele geschiedenis wordt op één lijn gezet. Cleopatra, Columbus, Napoleon, alle scènes staan even ver weg en even dichtbij, als praalwagens in een historische optocht.</p>
<p>Afijn, u krijgt een idee. </p>
<p>Of niet? </p>
<p>Want halverwege zijn aanstekelijke betoog verandert Baricco van toon en kaart hij enkele diepere vragen aan: Is de wereld wel in zulke eenvoudige zwart-wittermen te duiden? Is de roep “Barbaren aan de poort!” niet van alle tijden? Hebben de culturele elites niet altijd het gevoel gehad in een klein Gallisch dorpje te wonen, een laatste bastion tegen de opringende legioenen van de slechte smaak? Neem nu bijvoorbeeld deze klaagzang over de teloorgang van de cultuur.</p>
<p>“Elegantie, puurheid en maat, die de basisprincipes van onze kunst vormden, maken geleidelijk plaats voor een nieuwe, frivole en pompeuze stijl die wordt gehanteerd door de oppervlakkige talenten van onze tijd. Hersenen die, door opvoeding en gewoonte, aan niets anders kunnen denken dan aan kleren, mode, roddels, romans lezen en morele losbandigheid, zijn nauwelijks in staat te genieten van de ingewikkeldere, minder koortsachtige geneugten van de wetenschap en de kunst.”</p>
<p>Dit is geen commentaar op een lichtzinnige soapserie of de nieuwste hit van Lady Gaga, maar een bespreking van de Negende Symfonie van het ‘oppervlakkige talent’ Ludwig van Beethoven door een Engelse muziekcriticus uit die tijd. En er zijn talloze vergelijkbare voorbeelden te vinden. </p>
<p>In zijn laatste hoofdstuk staat Baricco op de ultieme barrière voor oprukkende horden: de Chinese Muur. Met uitzicht op de lege Mongoolse steppes vraag hij zich af of het beeld van de infiltrerende barbaren en de bijbehorende muur die hen moet tegenhouden, geen projectie van onze eigen angst en verbeelding is. Want zijn we eigenlijk niet allemaal barbaren? Of, preciezer geformuleerd, hebben wij niet allemaal barbaarse elementen in ons, ‘mutaties’ die een nieuwe tijd aankondigen? Want iedere generatie treedt per definitie een nieuwe wereld binnen, waar geen muur, maar alleen lege ruimte te vinden is. Het is de pleinvrees voor die leegte, die het verlangen naar de bescherming van een denkbeeldige muur oproept. </p>
<p>We kunnen de blikwisseling van Baricco zelfs nog een extra slag geven. Kijkend naar wat zich in de huidige Nederlandse samenleving afspeelt, kunnen we ons afvragen: wie staat binnen en wie staat buiten? Wie is eigenlijk bang voor wie? </p>
<p>In het stuk van Gorki proberen een kunstenaar en een wetenschapper krampachtig de deuren en ramen gesloten te houden om de gure populistische wind buiten te houden. Maar in deze tijd zien we juist andere maatschappelijke groeperingen de vensters sluiten. Zijn het niet eerder de wapens van kunst en wetenschap, de sloophamers van twijfel en verbeelding, die men op dit moment angstig buiten de deur probeert te houden? Wie staat er precies bij wie aan de poort te rammelen?</p>
<p>Deze column over wetenschap wordt afwisselend geschreven door de natuurkundige Robbert Dijkgraaf, de socioloog Paul Schnabel (over proefschriften), de voedingsdeskundige Martijn Katan, de neerlandicus Marita Mathijsen en de medicus Piet Borst.</p>
</div>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/12/11/barbaren-aan-de-poort/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Wie betaalt, bepaalt</title>
		<link>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/12/04/wie-betaalt-bepaalt/</link>
		<comments>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/12/04/wie-betaalt-bepaalt/#comments</comments>
		<pubDate>Fri, 03 Dec 2010 23:00:00 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Piet Borst</dc:creator>
				<category><![CDATA[Uncategorized]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/12/04/wie-betaalt-bepaalt/</guid>
		<description><![CDATA[Wie medisch onderzoek betaalt, bepaalt wat er onderzocht wordt en, als je niet oppast, soms ook wat er uit het onderzoek komt. Over dit brisante onderwerp heeft de Gezondheidsraad vorig jaar een rapport uitgebracht, dat weinig aandacht heeft getrokken. Wie betaalt, bepaalt? (met beleefd vraagteken!) is ook zo oerevenwichtig en saai geschreven dat ik moeite [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<div>
<p />
<p>Wie medisch onderzoek betaalt, bepaalt wat er onderzocht wordt en, als je niet oppast, soms ook wat er uit het onderzoek komt. Over dit brisante onderwerp heeft de Gezondheidsraad vorig jaar een rapport uitgebracht, dat weinig aandacht heeft getrokken. <em>Wie betaalt, bepaalt?</em> (met beleefd vraagteken!) is ook zo oerevenwichtig en saai geschreven dat ik moeite had om er door te komen. Dat krijg je als je te veel hoogleraren ethiek bij elkaar zet. Nu heeft de Gezondheidsraad zich echter gerevancheerd met de publicatie van een pittig debat, waarin de standpunten minder omfloerst worden geformuleerd (‘Knottnerus, Kennis en Commercie’, een speciale editie van het blad <em>Graadmeter </em>bij het afscheid van André Knottnerus als voorzitter van de Gezondheidsraad). Dit debat is een goede reden om op die onderzoeksfinanciering terug te komen, te meer nu op medisch onderzoek verder bezuinigd wordt.</p>
<p><span id="more-115"></span></p>
<p> De feiten zijn simpel. Veel medisch onderzoek wordt betaald door de industrie. Die industrie wil pillen of apparaten. Nieuwe nuttige pillen als het even kan, maar desnoods ‘<em>me too</em>-pillen’, zolang er maar geld wordt verdiend. De industrie doet ook iets aan filantropie. Merck heeft indertijd ivermectine, een middel tegen wormen, gratis beschikbaar gesteld voor de bestrijding van rivierblindheid in tropisch Afrika. De patiënten hadden geen cent en dat was dus mooi van Merck. Maar dit zijn de uitzonderingen die de regel bevestigen. Commerciële bedrijven ontwikkelen pillen of apparaten om geld te verdienen. Bedrijfsfilantropie, sponsoring, leuke dingen voor de mensen zijn onderdeel van hun marketingstrategie.</p>
<p>Als de industrie het leeuwendeel van het medisch onderzoek betaalt, leidt dat tot verdringing van onderzoek dat geen geld oplevert. <em>Crowding out</em> noemt de Gezondheidsraad die verdringing met een nieuwe Nederlandse term. Verdringing is riskant, want de patiënt heeft baat bij allerlei onderzoek dat commercieel volstrekt oninteressant is. Hoe je met minder pillen toe kan of hoe je ziekte kunt voorkomen door gedragsverandering. Daar komt iets bij: Onderzoek betaald door de farma-industrie pakt in de regel positiever uit voor een nieuwe pil dan onderzoek dat zonder industriegeld wordt gedaan. Dat is geen vuige insinuatie, maar een feit, vastgesteld in onderzoek na onderzoek. Pillenfabrikanten zijn geen slechte mensen, dat weet ik uit ervaring, maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. De neiging om je kind of geesteskind iets fraaier voor te stellen dan de realiteit toestaat, is ons allen ingebakken.</p>
<p>De patiënt is niet weerloos tegen zulke misleiding. Wie pillen op de markt wil brengen, heeft toestemming nodig van officiële instanties. In de VS wordt die verleend door de Food and Drug Administration (FDA), in Europa door zusterorganisatie EMA. Die instanties vragen klinische studies, waarvoor de farma-industrie patiënten nodig heeft en dokters. Die studies kan de overheid reguleren. Tot nu toe zijn die regels in Europa vooral gericht op bescherming van de patiënt, die meedoet aan klinisch onderzoek. Minstens zo belangrijk is echter om de financiële banden tussen dokter en farma-industrie volstrekt transparant te maken en, waar mogelijk, door te snijden. Daar valt nog veel te winnen. </p>
<p>Wie zoiets schrijft, kan rekenen op verontwaardiging. Dokters zijn er heilig van overtuigd dat ze niet te beïnvloeden zijn door douceurtjes. En ik geloof ze! Ik geloof dat ze dat denken, omdat dokters vaak onnozel zijn en de feiten niet kennen. Onnozel, omdat ze denken dat al die presentjes door de industrie voor niets worden uitgedeeld. Alsof de marketingmensen van <em>big pharma</em> niet weten wat werkt. Alsof die spiegeltjes en kraaltjes hun geld niet opbrengen. Dan waren ze al lang afgeschaft. Gedegen onderzoek geeft de farmamarketeers gelijk: die gratis pennen en blocnotes, die gesponsorde dinertjes en congresbezoeken, die cursussen op aantrekkelijke plaatsen, ze werken! Ook integere, goudeerlijke dokters zijn beïnvloedbaar, al beseffen ze dat niet. </p>
<p>Moet dan alle publiek-private samenwerking bij de geneesmiddelenontwikkeling worden afgeschaft, zoals scherpslijpers willen? Dat kan natuurlijk niet. De kosten van het uittesten van nieuwe middelen zijn gigantisch en ik zie de publieke sector die niet dragen. Wel kunnen de regels worden aangescherpt, zodat dokters op geen enkele manier profiteren van de pillen die zij al dan niet voorschrijven of uittesten. Een onafhankelijke dokter zal ook betere keuzes maken. Geen slappe zaaitrials (<em>seeding trials</em>) meer, alleen bedoeld om een pil in de voorschrijfpen van de dokter te krijgen. Geen trials meer waar een nieuwe pil wordt uitgetest tegen een suboptimale concurrerende therapie. De onmisbare hulp van patiënten bij klinische trials en de schaarse tijd van dokters zullen beter worden gebruikt.</p>
<p>Verdere aanscherping van de regels zal leiden tot voorspelbaar gejammer: hoe kunnen we onze herhalingscursussen organiseren en onze proefschriften drukken zonder sponsoring door de industrie? Tja, daar zullen dan publieke middelen voor moeten komen. En de douceurtjes zullen verdwijnen. Jammer, maar de Nederlandse dokters horen tot de best verdienende in de wereld en zij zullen zonder die steekpenningen niet creperen. En de farma-industrie? Kan die wel zonder omkoping? Dat kan. Ik ben zes jaar commissaris geweest bij een serieus innovatief farmabedrijf en daar had men de pest aan al die omkooppraktijken. Je kunt niet zonder, zolang de concurrentie ook vrijuit opinieleiders omkoopt, maar leuk is het niet.</p>
<p>Onontkoombaar is ook dat er meer publieksgeld komt voor klinische trials die niet interessant zijn voor de industrie, maar wel voor de patiënt: wanneer werkt niets doen beter dan pil, operatie of andere actie die van oudsher in het medische repertoire zit? Obama heeft in zijn stimuleringsprogramma 1 miljard dollar opgenomen voor zulk effectiviteitsonderzoek. Europa zou daar iets tegenover moeten stellen. Tien procent minder landbouwsubsidies zou al 1 miljard euro opleveren. Afschaffing van alle subsidie voor tabaksteelt in Europa – jazeker, subsidie voor tabaksteelt – zou al 300 miljoen opleveren (budgetcijfers 2008). </p>
<p>Een meer structurele aanpak is voorgesteld door wijlen Dries Querido, hoogleraar endocrinologie in Leiden. De gezondheidszorg is een bedrijf als ieder ander, vond Querido, en bedrijven moeten investeren in kwaliteitscontrole en vernieuwing om te overleven. Minimaal 3 procent van alle zorggeld zou voor dat doel moeten worden bestemd, via een heffing op de ziektekostenverzekeringspremie. Querido had gelijk, maar het gaat niet gebeuren.</p>
<p>In Nederland zijn wij de tegenovergestelde weg ingeslagen. Hier is een groot deel van het publiek gefinancierde medische onderzoek door de overheid met opzet horig gemaakt aan de industrie. De grote medische programma’s die recent uit aardgasgelden zijn betaald, stellen de eis dat projecten worden uitgevoerd in samenwerking met de industrie. Sterker, bij die projecten moet 25 procent van de kosten gedragen worden door de industrie. Geen industrieel geld, geen project. De industrie krijgt daarmee extreme zeggenschap over academisch onderzoek. Niet meedoen is nauwelijks een optie. Nederland investeert al jaren te weinig geld in onderzoek; zelfs de vorige regering ontkende dat niet. Onderzoekers zijn altijd op zoek naar onderzoeksgeld, desnoods industrieel gestuurd geld. Wie systematisch te weinig te eten krijgt, kan zich geen kieskeurigheid veroorloven.</p>
<p>Deze extreme poging van onze overheid om publiek-private samenwerking af te dwingen, is een unieke Nederlandse vinding. Als lid van het afgeschafte Innovatieplatform heb ik gekeken hoe het elders toe gaat en nergens wordt publiek-private samenwerking op deze krankjorume manier afgedwongen. Afschaffen dus. Want iedereen weet het: ‘Wie betaalt, bepaalt’.</p>
<p>Deze column over wetenschap wordt afwisselend geschreven door de natuurkundige Robbert Dijkgraaf, de socioloog Paul Schnabel (over proefschriften), de voedingsdeskundige Martijn Katan, de neerlandicus Marita Mathijsen en de medicus Piet Borst.</p>
</div>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/12/04/wie-betaalt-bepaalt/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>7</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Harry en de botheid van media</title>
		<link>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/11/26/harry-en-de-botheid-van-media/</link>
		<comments>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/11/26/harry-en-de-botheid-van-media/#comments</comments>
		<pubDate>Fri, 26 Nov 2010 22:00:00 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Marita Mathijsen</dc:creator>
				<category><![CDATA[Uncategorized]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/11/26/harry-en-de-botheid-van-media/</guid>
		<description><![CDATA[Ergens in mei van dit jaar kreeg ik een telefoontje van een Belgische journalist. Of hij me wat vragen over Harry Mulisch mocht stellen. Toen ik navroeg wat de aanleiding was bleef hij vaag, maar uiteindelijk gaf hij toe dat het was om een herdenkingsartikel klaar te hebben voor ‘als het zover mocht zijn’. Ik [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<div>
<p />
<p>Ergens in mei van dit jaar kreeg ik een telefoontje van een Belgische journalist. Of hij me wat vragen over Harry Mulisch mocht stellen. Toen ik navroeg wat de aanleiding was bleef hij vaag, maar uiteindelijk gaf hij toe dat het was om een herdenkingsartikel klaar te hebben voor ‘als het zover mocht zijn’. Ik hielp de man, hoewel hij de vragen die hij stelde makkelijk zelf had kunnen oplossen, na enig bibliotheekwerk. Met de meester zelf had ik kort daarvoor nog een glas witte wijn op een terras in de P.C. Hooftstraat gedronken. Twee weken later belde dezelfde man nogmaals, weer met vragen die een leerlingjournalist via Google had kunnen beantwoorden. De gemakzucht ergerde me, maar ik bleef hem beleefd van dienst. Ik lachte wat om die journalisten die al jaren voordat het zover is een necrologie moeten klaarmaken. Ik herinnerde me dat Mulisch al in 2009 doodverklaard was door een sufferd die voorbarig het bericht over Mulisch op Teletekst gezet had. Mulisch had daarover smakelijk kunnen lachen bij <em>De wereld draait door</em>.</p>
<p><span id="more-114"></span></p>
<p>Eind augustus wist ik dat Harry opgegeven was. Met de familie was afgesproken dat hierover voorlopig niets naar buiten zou komen. Hij zou in september een behandeling ondergaan die hem nog enige tijd zou geven. Met enkele vrienden en familieleden spraken wij over de toekomst van zijn literaire nalatenschap. Daar was hij nogal laconiek over. Na zijn dood moesten wij maar beslissen wat nog de moeite waard was om te publiceren. Hij wees ons de plaats aan waar manuscripten lagen die wellicht nog in aanmerking kwamen. Hij had me eerder al de zes versies van <em>De ontdekking van Moskou</em> laten zien en een daarvan zou na zijn dood wel mogen uitkomen. Hij had ook nog wat half afgemaakte verhalen liggen. Al deze zaken besprak hij met een vrolijke distantie. De drukproeven van verzamelde essays lagen naast zijn stoel. Hij vertelde dat hij over het boek gedroomd had en dat in die droom de titel <em>Opspraak</em> was. Het boek was al aangekondigd als <em>De Waarnemer</em>, maar die titel veranderde hij. Dromen moet je altijd serieus nemen. </p>
<p>Terwijl er in huize Mulisch een serene stemming heerste, maakte ik van de andere kant een mediawereld mee op een manier die ik me nooit had kunnen voorstellen. Ik heb het min of meer aan mezelf te wijten, want op mijn universiteitswebsite staat dat ik Mulisch-specialist ben en dat blijkt wel heel anders te werken dan de vermelding dat ik Bilderdijk-, Van Lennep- en De Schoolmeester-specialist ben. </p>
<p>Vanaf begin september kreeg ik telefoontjes van journalisten die wilden weten of het waar was dat het einde van ‘de heer Mulisch’ nabij was. Natuurlijk hield ik die telefoontjes af. De gezondheid van de heer Mulisch was broos, zoals die van vrijwel alle 83-jarigen, hield ik hun volgens afspraak voor. Maar de geruchten bleken steeds aan te groeien en niet meer te beheersen. Ik moest denken aan de lasteraria uit de opera <em>Il Barbiere di Siviglia</em>, waarin de bas zingt over hoe een gerucht begint als een nauwelijks waarneembaar zuchtje wind en uitgroeit tot een onbeheersbare storm. Ik zag ooit een productie van Dario Fo waarin hij eerst één balletdanser met een klein draaiend kinderparasolletje laat opkomen en vervolgens steeds meer dansers met steeds grotere parasollen laat worstelen, terwijl Don Basilio over ‘La calunnia’ zingt.</p>
<p>De Belg belde weer en ik verloor mijn geduld. Zoek maar op, zei ik, er zijn diverse sites en boeken met alle mogelijke gegevens. Van hem hoorde ik niet meer. In de tweede week van oktober begon het aandringen. Bij de uitgever kregen de journalisten vriendelijk maar resoluut nul op het rekest. Ik ben echter minder getraind en nam dus toch de telefoontjes op. “Met X. We hebben gehoord dat het met de heer Mulisch niet goed gaat. Als het bericht doorkomt dat hij overleden is, zou u dan in ons programma willen komen spreken?” Als ik niet opnam, dan was er nog het antwoordapparaat. Ik citeer letterlijk: “Ik bel u in verband met het mogelijk aanstaande overlijden van Harry Mulisch waar hier en daar wat geruchten over gaan. Wij zijn natuurlijk uiteraard in de voorbereidende zin bezig. Het leek ons aardig om vanuit zijn werk ook wat te doen als het zover komt. Dus wij willen aan u vragen of het mogelijk is om een aantal typische Harry Mulisch-zinnen bij elkaar te verzamelen die wij mooi in beeld kunnen brengen.”</p>
<p>Het ging opeens snel achteruit met Harry. Ik nam op dinsdag 26 oktober afscheid van hem, zoals hij van al zijn vrienden in die laatste dagen afscheid nam. Waardig, berustend, met een enkel woord. Zijn diepblauwe ogen spraken de rest uit. Nog voordat alle vrienden het wisten, was de pers al op de hoogte. De telefoontjes werden steeds impertinenter. Zonder enig gevoel van meedogen vroeg men of ik wilde komen opdagen in programma X of Y of Z voor radio of tv, als het zover was. Een presentator met wie ik in het verleden een aardig programma had voorbereid over Harry Mulisch probeerde me op grond daarvan te claimen. Er kwam ook een inlevend en verontschuldigend mailtje van een actualiteitenprogramma dat een hele uitzending aan het overlijden wilde wijden als het zover was en mij daarbij te gast vroeg. De redactie garandeerde een uitzending ‘met eerbied en liefde’. Aan dat programma verbond ik me – waarop ik gebeld werd door het andere actualiteitenprogramma. Ik had toch al toegezegd bij hen te komen. Of ik hen dan in elk geval op de hoogte wilde houden van de toestand van de heer Mulisch? Op woensdag 27 oktober werd ik opgebeld door de presentator van Y. Hij stelde voor dat ik met een taxi naar Hilversum zou komen, zodat ik in de startblokken stond als het bericht vrij kwam. Ik geneerde me plaatsvervangend en besloot nogmaals me niet bij hem maar bij het andere programma aan te sluiten, als het zover was. </p>
<p>Het was bijna vervreemdend als ik een mailtje of telefoontje kreeg waaruit wel een respectvolle houding sprak. Zoals dat van een museum: “Marita, ik hoef niets te weten, maar zeg alleen ja als ik er goed aan doe vast wat mooi materiaal over Harry Mulisch bij elkaar te zoeken.” Of de presentator van een boekenprogramma: “Ik wil hier helemaal niet aan meedoen, maar ik besef ook dat het programma niet gewoon kan doorgaan alsof er niets aan de hand is als Harry toch overlijdt in het weekend. Ik wil dan spreken met mensen die zijn werk echt goed kennen. Ik vind het verschrikkelijk om dit te moeten vragen.” Dat zegde ik toe, en dat werd een mooi gesprek.</p>
<p>Op zaterdagavond 30 oktober werd ik om kwart over acht gebeld. Geen condoleances, geen inleidende woorden door de presentator van Y. “Het is zover. Kan ik een taxi sturen? Ik heb al gebeld met X, maar die hebben maandag pas uitzending en dan hoeven ze jou niet meer, want dan wijden ze niet meer het hele programma eraan.” Ik zei dat ik nog niets van de familie gehoord had, dat er een afspraak was dat de uitgeverij het overlijden bekend zou maken. Of ze zeker waren van dit bericht? Ja, ze hadden contacten waardoor ze dit wisten en er stond iemand op de uitkijk voor Mulisch’ huis. Vijf minuten later belde de weduwe. Hoe graag had ik de fatale woorden eerst uit haar mond gehoord.</p>
<p>Deze column over wetenschap wordt afwisselend geschreven door de natuurkundige Robbert Dijkgraaf, de socioloog Paul Schnabel (over proefschriften), de voedingsdeskundige Martijn Katan, de neerlandicus Marita Mathijsen en de medicus Piet Borst.</p>
</div>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/11/26/harry-en-de-botheid-van-media/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>De commissie doorgelicht</title>
		<link>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/11/19/de-commissie-doorgelicht/</link>
		<comments>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/11/19/de-commissie-doorgelicht/#comments</comments>
		<pubDate>Fri, 19 Nov 2010 22:00:00 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Paul Schnabel</dc:creator>
				<category><![CDATA[Uncategorized]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/11/19/de-commissie-doorgelicht/</guid>
		<description><![CDATA[Martin Schulz – De commissie. Over de politiek-bestuurlijke logica van een publiek geheim – Boom/Lemma , 389 blz., Universiteit van Tilburg, 15 september 2010. Promotores: Prof.dr.M.J.W. van Twist, prof.dr. P.H.A.Frissen, prof.dr.K. Putters In de tien jaar tussen 1998 en 2007 zijn er door de ministers van de verschillende kabinetten in totaal 308 commissies ingesteld. Gemiddeld [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<div>
<p />
<p>Martin Schulz – De commissie. Over de politiek-bestuurlijke logica van een publiek geheim – Boom/Lemma , 389 blz.,   Universiteit van Tilburg, 15 september 2010.  Promotores: Prof.dr.M.J.W. van Twist, prof.dr. P.H.A.Frissen, prof.dr.K. Putters</p>
<p>In de  tien jaar tussen 1998 en 2007 zijn er door de ministers van de verschillende kabinetten in totaal 308 commissies ingesteld. Gemiddeld dus ruim dertig per jaar. De meeste zijn voor het grote publiek nooit erg zichtbaar geworden, maar sommige hebben – omvangrijke –  rapporten opgeleverd die tot veel discussie aanleiding hebben gegeven. Het rapport van de commissie-Davids begin dit jaar over de Nederlandse betrokkenheid bij de oorlog in Irak leidde met enige vertraging uiteindelijk zelfs tot de val van het kabinet Balkenende IV. De televisieserie over Joop den Uyl bracht onlangs weer het rapport in herinnering van de commissie Donner, die zich 35 jaar geleden boog over de contacten van Prins Bernhard met Lockheed. Het kan ook leuker, zoals de commissie-Van Oostrom die de canon van de Nederlandse geschiedenis schreef. </p>
<p><span id="more-113"></span></p>
<p>Commissies spelen een belangrijke rol in het politieke en maatschappelijke leven. De instelling van een commissie is bijna een vanzelfsprekendheid als er niet onmiddellijk een besluit verwacht wordt, maar er wel een probleem is dat om een oplossing vraagt. Commissies hebben daar tijd voor nodig en dus worden ook wel eens commissies ingesteld om politiek tijd te winnen. De oppositie noemt dat dan ‘een probleem vooruitschuiven’ of  ‘in de ijskast zetten’. Weliswaar sluit de opdracht aan een commissie niet uit dat er los daarvan een publiek debat ontstaat of zelfs een besluit genomen wordt, maar dat is toch meer uitzondering dan regel. Wat bij een commissie geplaatst is, verdwijnt voorlopig van de politieke agenda. </p>
<p>Martin Schulz is als bestuurskundige een ervaringsdeskundige op het gebied van commissies. Hij diende als secretaris van enkele commissies en je kunt merken dat hij het werk van binnenuit kent. Van zes commissies geeft hij een uitvoerige en levendige beschrijving van de wijze waarop de commissie te werk ging, maar ook hoe de commissie tot stand kwam, wat de samenstelling van de commissie was en de rol van de voorzitter. Door te laten zien hoe een commissie functioneert, ontsluiert hij het ‘publiek geheim’ van de commissie, al is dat wel een wat zwaar woord voor wat toch niet meer is dan onbekendheid met wat de meeste mensen ook niet erg interesseert. Niet hoe de commissie werkt, is interessant, maar wat de commissie oplevert in de vorm van een rapport of een advies.</p>
<p>Het is overigens zeker waar, dat de wetenschappelijke belangstelling voor ‘de commissie’ altijd wel erg beperkt is gebleven. Schulz voorziet nu in die kennislacune en hij doet dat op een manier, die zijn proefschrift meteen  tot het complete commissieboek maakt. Een onmisbare handleiding voor iedereen die als voorzitter of secretaris verantwoordelijk wordt voor het goede reilen en zeilen van een commissie. Dat is ook al direct de eerste grote les. De voorzitter is de spil van de commissie, die in de wandeling ook bijna altijd zijn naam draagt. Ministers hebben een grote en verstandige voorkeur voor ervaren voorzitters met een bekende naam, een groot gezag en een uitstekende reputatie als bestuurder. De secretaris doet met zijn medewerkers het inhoudelijke werk, maar de voorzitter moet ervoor zorgen dat de commissie tot een conclusie komt. Hij weet ook dat zijn werk bijna vergeefs is als hij er niet in slaagt de commissie tot een eensgezind oordeel te brengen. Minderheidsstandpunten zijn dodelijk voor commissierapporten.</p>
<p>Wat is nu een commissie? Schulz geeft een lange en ingewikkeld geformuleerde definitie, maar een paar regels verder vat hij die eenvoudig samen als een groep ‘personen die gezamenlijk op ad hoc basis een bepaalde kwestie aanpakken in het openbaar bestuur’. Een commissie is een tijdelijke organisatie, bestaande uit mensen die geacht worden onafhankelijk te opereren. Een commissie heeft een opdracht en een opdrachtgever, maar geen uitvoerende of wetgevende bevoegdheden. Een commissie heet ook niet altijd zo, maar opereert tegenwoordig steeds vaker onder de naam stuurgroep, taskforce of platform. Dat klinkt moderner en actiever, maar in een aantal gevallen probeert men ook serieus het commissiewerk een andere vorm en inhoud te geven. Dat geldt zeker voor het door minister-president Balkenende zelf ingestelde en voorgezeten Innovatieplatform, maar ook voor het 140 leden tellende Burgerforum Kiesstelsel.</p>
<p>Schulz onderscheidt drie perspectieven op commissies. Allereerst kunnen commissies een rol spelen bij de verwerving en ontwikkeling van kennis en bij verbinding van kennis met beleid. Het tweede perspectief wordt gevormd door de rol die commissies kunnen spelen in overleg- en onderhandelingssituaties. Ze kunnen helpen vastgelopen situaties weer vlot te krijgen of ook om legitimatie te verwerven voor omstreden plannen van de overheid. Ten slotte kan naar commissies gekeken worden in het perspectief van macht en tegenmacht. Formeel hebben commissies weliswaar meestal geen besluitvormingsbevoegdheid, maar ze kunnen de politieke agenda mede helpen bepalen en feitelijk zelfs in de voetsporen treden van de voor politiek en beleid verantwoordelijke instanties. In de praktijk blijken commissies zelden vanuit slechts één perspectief bekeken te moeten worden. Hoewel Schulz zelf de driedeling introduceert, waarschuwt hij voor de valkuil van versimpeling van de werkelijkheid door per commissie maar van één perspectief uit te gaan. De waarschuwing is terecht, maar de valkuil heeft hij natuurlijk wel zelf gegraven.</p>
<p>Wat  concreter en aansprekender is het onderscheid in aanleidingen om een commissie in te stellen. Toekomstkansen en opdoemende bedreigingen, zoals de stijging in de jeugdwerkloosheid (commissie-De Boer) zijn een veel voorkomende aanleiding, maar ook evaluatieve vragen en technische kwesties. Het werk van de commissie-Nijpels die zich bezig hield met de kansspelautomaten is daar een voorbeeld van. Heikele kwesties en systeemcrises kunnen ook een aanleiding zijn, evenals nieuwsfeiten en Kamervragen.  Uiteindelijk komt Schulz tot een soort taxonomie van commissietypen, die voor nieuwe commissies ook heel goed bruikbaar is als toetsingskader om het karakter van de eigen commissie nader te bepalen. Dat kan heel nuttig zijn, omdat lang niet altijd de verhouding tussen opdracht, samenstelling en werkwijze al helemaal consistent is. Schulz laat in zijn <em>casestudies </em>van de zes commissies zien waar en hoe het ook fout of juist goed kan lopen. Dat levert soms hilarische of ook wel treurige beelden op, maar over het geheel genomen laat het toch zien hoe goed commissies passen in het poldermodel.</p>
<p>Deze column over wetenschap wordt afwisselend geschreven door de natuurkundige Robbert Dijkgraaf, de socioloog Paul Schnabel (over proefschriften), de voedingsdeskundige Martijn Katan, de neerlandicus Marita Mathijsen en de medicus Piet Borst.</p>
</div>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/11/19/de-commissie-doorgelicht/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Kille visolie-experimenten</title>
		<link>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/11/13/kille-visolie-experimenten/</link>
		<comments>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/11/13/kille-visolie-experimenten/#comments</comments>
		<pubDate>Fri, 12 Nov 2010 23:00:00 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Martijn Katan</dc:creator>
				<category><![CDATA[Uncategorized]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/11/13/kille-visolie-experimenten/</guid>
		<description><![CDATA[Eet gevarieerd en matig, dan krijg je van alles genoeg. Dat was het adagium van de klassieke voedingsleer. Intussen puilt het internet uit van voedingssupplementen die alle ziekten zouden genezen, van depressie tot kanker. Hebben we meer nodig dan gevarieerd eten? Gevarieerd eten dient ter voorkoming van gebreksziekten zoals scheurbuik en rachitis (‘Engelse ziekte’). Vanaf [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<div>
<p><p>Eet gevarieerd en matig, dan krijg je van alles genoeg. Dat was het adagium van de klassieke voedingsleer. Intussen puilt het internet uit van voedingssupplementen die alle ziekten zouden genezen, van depressie tot kanker. Hebben we meer nodig dan gevarieerd eten?</p>
<p>Gevarieerd eten dient ter voorkoming van gebreksziekten zoals scheurbuik en rachitis (‘Engelse ziekte’). Vanaf het eind van de negentiende eeuw werd ontdekt dat die ziektes werden veroorzaakt door tekorten aan vitamines; elke gebreksziekte had zijn eigen vitamine. Verschillende voedingsmiddelen leveren verschillende vitamines: vitamine B12 zit in vlees en melk, vitamine C in sinaasappels en vitamine E in plantaardige olie. Voedsel bleek behalve vitamines nog andere onmisbare stofjes te bevatten, zoals het essentiële vetzuur linolzuur dat huidafwijkingen voorkomt. De mens kon dus niet leven van scheepsbeschuit maar had een variatie aan voedsel nodig. </p>
<p><span id="more-112"></span></p>
<p>Daarmee was de  klassieke  voedingsleer klaar.  Maar er diende zich een nieuw studieobject aan: het hartinfarct, dat vanaf 1945 sterk opkwam. Er waren aanwijzingen dat hartinfarcten werden veroorzaakt door een hoog cholesterol en te hoge bloeddruk, en bij gebrek aan goede geneesmiddelen probeerde men het met diëten. Vervanging van dierlijk vet door plantaardige olie bleek inderdaad de kans op een hartinfarct te verlagen. Dat kwam door het essentiële vetzuur linolzuur waar plantaardige olie rijk aan is. Het hartinfarct is echter geen deficiëntieziekte, want de benodigde hoeveelheid linolzuur is 10 tot 100 keer groter dan de hoeveelheid die huidafwijkingen verhindert. Anders dan bij scheurbuik of rachitis worden hartinfarcten ook niet voor 100% voorkomen door de juiste voeding, de kans erop neemt alleen af.</p>
<p>Daarmee was een nieuwe voedingsleer geboren waarin welvaartsziekten werden bestreden met hoge doses voedingsstoffen. Soms werkte dat echt. Vitamine B3 in honderdvoudige overmaat verlaagde het cholesterol en de kans op een hartinfarct. Nog spectaculairder was het effect van vitamine B11 oftewel foliumzuur. Als een vrouw in de periode rond de bevruchting dagelijks een tabletje met 400 microgram foliumzuur slikte werd de kans op een baby met een open ruggetje gehalveerd. Die hoeveelheid haal je niet met sinaasappels; gevarieerd eten is dus niet genoeg.</p>
<p>Zo werd de wereld rijp voor voedingssupplementen. Nadat de Amerikaanse senaat in 1994 de controle op de veiligheid en werkzaamheid van supplementen had afgeschaft kwam er een stortvloed los aan geneeskrachtige voedingspreparaten. Het grootste deel was onzin maar een deel van die preparaten was gebaseerd op serieuze wetenschappelijke hypothesen. Sommige, zoals de antioxidanten, hebben de toets van het experiment uiteindelijk niet doorstaan, andere waren echt een succes, en van sommige weten we nog steeds niet of ze werken. </p>
<p> Een voorbeeld van dat laatste is visolie. Aan visolie zijn vele gunstige effecten toegeschreven, onder andere op de hersenen. Visolie is rijk aan omega-3 vetzuren en die komen typisch voor in de hersenen. Omdat het lichaam deze vetzuren niet zelf kan maken moeten ze uit de voeding zijn gekomen. Vandaar dat ze worden toegevoegd aan flesvoeding voor baby’s, want hun hersentjes moeten nog groeien. Dat lijkt logisch, maar ondanks veel onderzoek is het nog steeds onzeker of die vetzuren iets bijdragen aan de intellectuele ontwikkeling van de baby. Ook effecten van visolie op depressie worden steeds twijfelachtiger.</p>
<p>De belangrijkste claim voor visolie was dat het hartaandoeningen voorkomt, en ook die claim heeft met steeds zwaarder weer te kampen. Het begon zo voorspoedig. Deense onderzoekers ontdekten 40 jaar geleden dat Eskimo’s vrijwel geheel leefden van zeehondenvlees en -vet en toch geen hartinfarcten kregen. Dat was vreemd, want vlees en dierlijk vet werden beschouwd als slecht voor het hart. Maar zeehondenspek is geen gewoon spek: zeehonden eten vis en daarom bevat hun spek veel omega-3 vetzuren. Die remmen de bloedstolling — tenminste, in de reageerbuis. Een overactieve bloedstolling veroorzaakt trombose en hartinfarcten. De hypothese dat visvetzuren trombose verminderen verklaarde waarom Eskimo’s geen hartaandoeningen kregen. Daarop volgend onderzoek leek dat te bevestigen. Kromhout en medewerkers ontdekten dat mannen die vis aten minder kans liepen om te sterven aan een hartaandoening dan degenen die geen vis lustten, en in Italië werd in een groot experiment gevonden dat hartpatiënten langer leefden als ze visolie slikten. Bij proefdieren werden intussen nieuwe gunstige effecten van visolie op het hart ontdekt. Ons hart pompt bloed rond doordat alle hartspiervezeltjes zich gecoördineerd samentrekken en weer ontspannen. Als ze ieder voor zich samentrekken wanneer het hun goed dunkt, wriemelt zo’n hart als een blik met regenwurmen, er wordt niet meer effectief gepompt en de patiënt overlijdt. Plotse hartdood heet dat. Visolie bracht de hartspiervezels weer in het gareel — tenminste bij proefdieren. Dat klopte weer mooi met het Italiaanse experiment, want daar kwam vooral de plotse hartdood minder voor bij de visolieslikkers. </p>
<p>Alom werden grote experimenten gestart om definitief de heilzame werking van visvetzuren bij hartpatiënten aan te tonen. En toen droogde de stroom van gunstige uitkomsten op. Het slechte nieuws begon bij studies die zich specifiek richtten op het regenwurmeffect. Studies dus bij patiënten van wie het hart de neiging heeft onregelmatig samen te trekken. Die krijgen tegenwoordig een kastje in hun borst dat de samentrekking van het hart in de gaten houdt en zo nodig een elektrische schok geeft die de wriemelende hartspiervezels weer in het gelid jaagt. Verwacht werd dat deze patiënten minder schokken nodig zouden hebben als ze visolie kregen. Ik ben bij zo’n studie betrokken geweest, en ik herinner me onze teleurstelling toen bleek dat het niet werkte. Andere experimenten bij hartpatiënten komen nu stuk voor stuk tot voltooiing, en de resultaten stellen regelmatig teleur. Als je echt wilt kan je hier en daar nog wel een gunstig effect zien, maar het spectaculaire succes van het eerste Italiaanse onderzoek is niet te reproduceren. Was er iets mis met dat onderzoek? Of krijgen patiënten tegenwoordig zulke goede medicijnen dat visolie daar niets meer aan toe kan voegen? En mensen die vis eten en langer leven — doen die andere gezonde dingen waardoor hun harten gezonder blijven? </p>
<p>Het antwoord hebben we nog niet en de onderzoekers geven het niet op, maar ik vrees dat de hypothese over visolie en het hart dezelfde weg zal gaan als de antioxidanten: prachtige theorieën die door kille experimenten onderuit worden gehaald. Wetenschap gaat met vier stappen vooruit en met drie stappen achteruit, en voor de voedingsleer is dit een tijd van terugstappen. Gelukkig gaan we op de lange termijn nog steeds vooruit.</p>
<p>Bronnen: mkatan.nl</p>
<p>Deze column over wetenschap wordt afwisselend geschreven door de natuurkundige Robbert Dijkgraaf, de socioloog Paul Schnabel (over proefschriften), de voedingsdeskundige Martijn Katan, de neerlandicus Marita Mathijsen en de medicus Piet Borst.</p>
</div>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/11/13/kille-visolie-experimenten/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>1</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Iedereen lijsttrekker</title>
		<link>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/11/06/iedereen-lijsttrekker/</link>
		<comments>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/11/06/iedereen-lijsttrekker/#comments</comments>
		<pubDate>Fri, 05 Nov 2010 23:00:00 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Robbert Dijkgraaf</dc:creator>
				<category><![CDATA[Uncategorized]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/11/06/iedereen-lijsttrekker/</guid>
		<description><![CDATA[Een van de jaarlijkse rituelen in de academische wereld is het verschijnen van ranglijsten van universiteiten. De gevoelens waarmee deze ordening wordt bezien, zijn het best beschreven door Jorge Luis Borges in zijn essay De analytische taal van John Wilkins (1952): ‘Dergelijke dubbelzinnigheden, overbodigheden en onvolkomenheden doen denken aan die welke Dr. Franz Kuhn toeschrijft [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<div>
<p><p>Een van de jaarlijkse rituelen  in de academische wereld is het verschijnen van ranglijsten van universiteiten. De gevoelens waarmee deze ordening wordt bezien, zijn het best beschreven door Jorge Luis Borges in zijn essay <em>De analytische taal van John Wilkins</em> (1952): ‘Dergelijke dubbelzinnigheden, overbodigheden en onvolkomenheden doen denken aan die welke Dr. Franz Kuhn toeschrijft aan een bepaalde Chinese encyclopedie, getiteld <em>Hemels emporium van welwillende kennis</em>. Op die pagina’s uit een grijs verleden staat geschreven dat de dieren zijn te onderscheiden in a) toebehorend aan de Keizer, b) gebalsemd, c) getemd, d) speenvarkens, e) zeemeerminnen, f) fabeldieren, g) zwerfhonden, h) die welke in deze classificatie zijn opgenomen, i) die welke tekeergaan als dwazen, j) ontelbare, k) die welke zijn getekend met een heel fijn kameelharen penseel, l) enz., m) die welke net een vaas hebben gebroken, n) die welke in de verte op vliegen lijken.’</p>
<p><span id="more-111"></span></p>
<p>Het vergt de surrealistische pen van een even briljante schrijver om de bonte verschijningsvormen in het oerwoud van het mondiale hoger onderwijs te catalogiseren. De bekendste ranglijst in die wereld is een ander ‘hemels emporium van welwillende kennis’ uit China, de Academic Ranking of World Universities van de Sjanghai Jiao Tong Universiteit. Deze leunt zwaar op gevestigde wetenschappelijke reputatie. Nobelprijswinnaars die aan een instelling zijn verbonden bepalen tot 30 procent van het gewicht. Verwacht dus geen al te abrupte veranderingen in deze rangorde. De top-10 wordt voorspelbaar gedomineerd door de zwaargewichten uit de Verenigde Staten. </p>
<p>De alternatieve lijst van de Britse <em>Times Higher Education</em> maakte tot dit jaar vooral gebruik van enquêtes, vooral in landen waar dit tijdschrift gelezen werd, zodat er opvallend veel universiteiten uit het voormalige Britse Rijk in de top te vinden waren.</p>
<p>De Fransen hebben sinds kort hun eigen <em>force de frappe</em> in de vorm van een lijst opgesteld door de prestigieuze École des Mines, een ingenieursschool waar niet zozeer de mijnbouw als wel het lonkend topambtenaarschap centraal staat. Het zal u wellicht niet verbazen dat in de eerste uitgave maar liefst vijf Franse instellingen in de top-10 te vinden waren, waaronder – inderdaad, u raadt het goed – de École des Mines zelf. Maar als u iets van het Franse hoger onderwijssysteem kent, begrijpt u deze uitkomst onmiddellijk. Als leidend criterium kozen de Fransen namelijk het aantal alumni dat in topposities in het bedrijfsleven of openbaar bestuur terechtkomt.</p>
<p>Dit opent perspectief voor een nieuw gezelschapsspel: Kies je favoriete hitparade. Is er een lijstje te bedenken waar Nederland hoog scoort? Het antwoord is ‘ja’. Nederland is namelijk kampioen in gemiddelde kwaliteit. Echte uitschieters naar boven of naar beneden zijn in ons land zeldzaam. In ieder lijstje vinden we bijna alle Nederlandse universiteiten in de subtop. De virtuele Universiteit van Nederland komt daarmee op de vijfde plaats van de wereld. </p>
<p>Nu zegt een rangorde niet alles. Het is vooral een nuttig instrument om de koplopers te onderscheiden. Als we alle Nederlanders op lengte rangschikken, dan zullen de nummers één tot en met tien vast op straat opvallen. Maar op de lijst van langste Nederlanders betekent het verschil tussen, zeg, de 5 miljoenste en 6 miljoenste plaats maar weinig, ook al liggen er een miljoen traptreden tussen. Naarmate we het drukbezette midden naderen, worden de verschillen verwaarloosbaar. De kleinste verandering kan daar dramatische bewegingen veroorzaken. Je groeit een millimeter en stijgt direct tienduizend plaatsen.</p>
<p>Goochelen met gemiddelden is een favoriet instrument van de academische lijstenmakers, of het nu het aantal citaties per publicatie in een tijdschrift betreft (de zogeheten impactfactor) of het aantal publicaties per medewerker van een universiteit. Zo’n gemiddelde neemt altijd de wiskundige vorm aan van een breuk. Zo wordt het gemiddeld aantal treffers per voetbalwedstrijd berekend door het totaal aantal doelpunten (de teller) te delen door het aantal gespeelde wedstrijden (de noemer).</p>
<p>Nu zijn er twee methoden om een breuk omhoog te krikken. De moeilijke manier is de teller groot maken: veel scoren. Dat wil zeggen, veel citaties of veel publicaties. De gemakkelijke manier is de noemer klein maken: weinig spelen, liefst alleen tegen zwakke tegenstanders. Alleen toponderzoekers aannemen of onproductieve medewerkers buiten de telling houden. Als natuurkundige Gerard ’t Hooft zijn eigen mini-universiteit zou beginnen, met slechts één medewerker, zou deze instelling die ‘in de verte op een vlieg lijkt’ met haar astronomisch hoog ‘gemiddeld’ aantal Nobelprijswinnaars en citaties toch bovenaan alle ranglijstjes staan. Dit is niet helemaal een flauwe grap, want de Nederlandse wetenschap scoort onder andere gemiddeld zo goed omdat we maar relatief weinig onderzoekers hebben – de kleine noemer in plaats van de grote teller.</p>
<p>De lijst van de Times Higher Education, die dit jaar op ingenieus cijferwerk is gebaseerd, geeft een goed voorbeeld van de kwetsbaarheid van het rekenen met gemiddeldes: het verschijnsel van de grote lijsttrekker. Zo staat plotsklaps de Universiteit van Alexandrië uit Egypte op nummer 147. Natuurlijk een geweldige opsteker voor een regio die niet direct met toponderzoek wordt geassocieerd, althans niet in deze moderne tijd. Er wordt daar zeker uitstekend werk gedaan. Zo mag deze universiteit Ahmeid Zewail, winnaar van de Nobelprijs voor de scheikunde in 1999, onder haar alumni rekenen. Maar het is opvallend dat in de categorie ‘onderzoeksinvloed’ deze relatief onbekende instelling op de vierde plaats van de wereld staat, na de Amerikaanse topuniversiteiten Caltech, MIT en Princeton en boven coryfeeën als Harvard, Cambridge en Oxford. </p>
<p>De rangorde in deze belangrijke categorie is gebaseerd op telling van citaties. Verdere analyse laat zien dat de geweldige prestatie van Alexandrië met een ‘fijn kameelharen penseel’ bijna volledig op het conto kan worden geschreven van één onderzoeker, de mathematisch fysicus Mohamed El Naschie. Veel van zijn publicaties zijn verschenen in het tijdschrift <em>Chaos, Solitons and Fractals</em>, waarvan hij lange tijd hoofdredacteur was. De impactfactor van dit tijdschrift steeg in die jaren tot in de stratosfeer. De aantallen citaties zijn vergeleken met andere vakgebieden niet opzienbarend, maar binnen een vakgebied als de wiskunde, waar verhoudingsgewijs spaarzaam wordt gepubliceerd en geciteerd (kenmerkend een factor tien minder dan in de biologie), zijn ze beslist uitzonderlijk: tot veertig keer de norm. Doordat in de nieuwe systematiek van de Times Higher Education kleinere instellingen of vakgebieden niet langer benadeeld worden, kan dit ene gegeven datapunt – de grote lijsttrekker – de rangorde behoorlijk scheeftrekken. </p>
<p>El Naschie is onderwerp van veel controverse. De blogosfeer zoemt van stevige meningen over hem, vóór en tegen. Zo wordt aangevoerd dat driekwart van zijn ruim 400 publicaties in zijn eigen tijdschrift zijn verschenen. Hetzelfde geldt voor bijna de helft van de artikelen waar El Naschie naar refereert, de meeste weer van eigen hand. </p>
<p>El Naschie heeft zichzelf dapper tegen de kritiek verdedigd. Zelfcitaties binnen een instelling of een vakgebied zijn namelijk niet per definitie fout, sterker nog, een veel voorkomend verschijnsel bij de traditionele toppers. Maar deze affaire laat toch zien hoe kwetsbaar zulke ‘harde cijfers’ zijn. Het vergelijken van appels en peren heeft weinig betekenis, omdat er zovele interpretaties en wegingen zijn. </p>
<p>De Times Higher Education lijkt dit alles goed begrepen te hebben. Er is zelfs een applicatie voor de iPhone verkrijgbaar waarmee je de lijst kan ‘manipuleren en personaliseren’ en aanpassen aan je eigen ‘voorkeuren en prioriteiten’ door de gewichten van de verschillende criteria te variëren. Daarmee wordt de rangorde de individueelste expressie van de individueelste uiting van kwaliteit en komt de ultieme droom van de lijstjesfetisjist binnen handbereik: de eerste plaats op je eigen lijst. Iedereen lijsttrekker.</p>
<p>Deze column over wetenschap wordt afwisselend geschreven door de natuurkundige Robbert Dijkgraaf, de socioloog Paul Schnabel (over proefschriften), de voedingsdeskundige Martijn Katan, de neerlandicus Marita Mathijsen en de medicus Piet Borst.</p>
</div>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/11/06/iedereen-lijsttrekker/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>De kakofonie der criteria</title>
		<link>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/10/30/de-kakofonie-der-criteria/</link>
		<comments>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/10/30/de-kakofonie-der-criteria/#comments</comments>
		<pubDate>Fri, 29 Oct 2010 22:00:00 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Piet Borst</dc:creator>
				<category><![CDATA[Uncategorized]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/10/30/de-kakofonie-der-criteria/</guid>
		<description><![CDATA[Mogen ziektekostenverzekeraars het stuur overnemen van de Nederlandse ziekenwagen? Die vraag werd acuut toen ziektekostenverzekeraar CZ besloot ziekenhuizen uit te sluiten bij borstkanker behandeling. Ik kreeg die vraag toegeschoven in een TV-uitzending van Buitenhof en vond van niet. Zeker niet als die verzekeraar eigen maatstaven bedenkt om de kankerzorg te beoordelen. En helemaal niet als [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<div>
<p><p>Mogen ziektekostenverzekeraars het stuur overnemen van de Nederlandse ziekenwagen? Die vraag werd acuut toen ziektekostenverzekeraar CZ besloot ziekenhuizen uit te sluiten bij borstkanker behandeling. Ik kreeg die vraag toegeschoven in een TV-uitzending van Buitenhof en vond van niet. Zeker niet als die verzekeraar eigen maatstaven bedenkt om de kankerzorg te beoordelen. En helemaal niet als zo’n verzekeraar op eigen houtje ook nog gaat beslissen wie ondermaats is, wie ‘matig’, wie ‘goed’ en wie in de eredivisie van de borstkankerbehandelaars mag spelen.</p>
<p><span id="more-110"></span></p>
<p> Stel je voor dat iedere ziektekostenverzekeraar straks zijn eigen criteria opstelt voor goede zorg. De kakofonie der criteria is dan volledig. We hebben nu al de malle ranglijsten van ziekenhuiskwaliteit, die door Elsevier en andere bladen worden gepubliceerd. Mal, omdat ze niet gebaseerd zijn op deugdelijke informatie. Als CZ, Menzis, Achmea en al die andere ziektekostenverzekeraars elk hun eigen ranglijsten gaan opstellen, wordt de patiënt horendol. </p>
<p> Wat dan wel? Wie kan echt beoordelen wat goede zorg is en wat daar voor nodig is? Vakmensen uiteraard en niemand anders. Neem borstkanker. Er zijn nu 120 verschillende behandelcombinaties voor borstkanker. Welke combinatie de beste is voor mevrouw Jansen hangt af van de precieze aard van het kankergezwel en van de andere kwalen die mevrouw Jansen heeft. Bij die behandeling komen bijna altijd een chirurg, een radiotherapeut (bestraling), een medisch oncoloog (chemotherapie), een radioloog (voor de afbeeldingen) en een patholoog (tumor analyse) kijken. Vaak ook een plastische chirurg voor borstreconstructie. Die specialisten maken deel uit van een borstkankerteam dat in samenspraak zorgt dat mevrouw Jansen de beste kans maakt om haar tumor kwijt te raken zonder onnodige schade aan haar lichaam. Borstkanker-diagnose en behandeling zijn ingewikkeld; het is hoog complexe zorg. Wat daarvoor nodig is, kunnen alleen borstkankerexperts beoordelen, niet de Inspectie voor de Volksgezondheid, niet de ziektekostenverzekeraars. Die experts hebben dat trouwens ook gedaan. Per 1 januari 2011 komt het Nationaal Borstkanker Overleg Nederland (NABON) met maatstaven, waaraan goede borstkankerzorg moet voldoen. Er was dus geen reden voor CZ om vooruitlopend op de NABON normen met een eigen wenslijstje te komen. Die reclamestunt heeft patiënten onnodig op de kast gejaagd. Er was ook geen haast. Onderzoek laat zien dat de borstkanker in Nederland goed behandeld wordt. </p>
<p> Met criteria alleen ben je er niet. De ziekenhuizen moeten zich er ook aan gaan houden. Dan komt er uiteraard wel een rol in zicht voor de inspectie en voor ziektekostenverzekeraars. Die kunnen afdwingen dat dokters zich aan hun eigen criteria houden en kwaliteit leveren. Want de juiste spullen en mensen garandeert nog geen kwaliteit. Daarvoor is het nodig om ook naar uitkomsten van zorg te kijken: snijden de chirurgen wel raak? Bloedt de patiënt niet te vaak na? Wordt de tumor wel geheel verwijderd? Zijn er niet te veel heroperaties nodig? Etc.</p>
<p> Dat zijn redelijke vragen, maar de beantwoording vereist administratie en de beoordeling van de antwoorden vereist deskundigheid. Die administratieve last is een heikel punt, want dokters verliezen nu al te veel tijd met het invullen van papieren. Een chirurg kan niet tegelijk precies snijden en precies een formulier invullen. Onnodige administratie gaat ten koste van zorg. Ook de beoordeling van kwaliteit van zorg is lastig. Je kunt niet simpelweg kijken hoeveel patiënten dood gaan of hoe vaak de tumor locaal terugkomt. Een topziekenhuis krijgt nu eenmaal meer ingewikkelde patiënten te behandelen dan een streekziekenhuis. De behandelingsresultaten moeten daarom worden gecorrigeerd voor het soort patiënten dat een ziekenhuis behandelt, de case-mix. Dat kan, zoals in veel buitenlandse studies is aangetoond, maar het vereist wel deskundigheid. Zo’n kwaliteitscontrole systeem kan daarom alleen door kundige dokters zelf worden opgezet.</p>
<p> In Nederland hebben de darmkankerchirurgen daarbij het voortouw genomen. De administratieve last blijft beperkt en de resultaten, die een chirurg boekt, krijgt hij terug gerapporteerd. Dat blijkt in de praktijk kwaliteitsbevorderend te werken. Een chirurg die niet goed scoort, gaat zich bij laten scholen, al dan niet geprest door de directie van het ziekenhuis waar hij werkt. Specialisten weten soms ook niet hoe goed hun zorg is, omdat betrouwbaar vergelijkingsmateriaal ontbreekt. Dit is het huiskamer-schaakeffect. Wie alleen thuis tegen zoonlief speelt en geregeld wint, oogst de bewondering van vrouw en dochter. Pas als je lid wordt van een schaakclub blijkt dat schaken toch wat tegen te vallen. In clubverband kan de gemotiveerde schaker snel beter worden. Dat geldt ook voor dokters die binnen een kwaliteitscontrole systeem opereren.</p>
<p> Er zijn competente dokters in mijn omgeving die niet veel zien in dit ambitieuze kwaliteitscontrole systeem. Zij vrezen de administratieve last, zij denken dat de zwakkere ziekenhuizen zich zullen onttrekken aan dit vrijwillige controle systeem, en zij vrezen dat de specialisten die slecht scoren 50 uitvluchten zullen verzinnen. Zij willen dat de kankerzorg in een kleiner aantal centra wordt geconcentreerd. Dan gaat de kwaliteit vanzelf omhoog. Ook het recente KWF-rapport ‘Kwaliteit van Kankerzorg in Nederland’ pleit voor concentratie.</p>
<p>Het kan zijn dat deze sceptici gelijk hebben, maar ik denk dat kwaliteitscontrole uitvoerbaar is. De Nederlandse darmkankerchirurgen zijn er in geslaagd om in zeer korte tijd medewerking van bijna alle ziekenhuizen te krijgen, zodat in 2009 al 70% van alle darmkankerpatiënten geregistreerd werd. Uit buitenlands onderzoek is gebleken dat dokters een slechte beoordeling door goede vakgenoten serieus nemen. Als ik in Bussum darmen sta te opereren en Elsevier of een of andere Haagse ambtenaar vindt dat ik dat niet goed doe, zal ik mij daar weinig van aantrekken. Wat weten die nu van darmkanker? Maar als mijn beroemde collega, de darmkankerchirurg Prof. Cock van de Velde uit Leiden, zegt: ‘Piet, het moet beter’, dan zal ik mij dat aantrekken. Deskundige ogen dwingen. Ziekenhuizen vrezen reputatieschade.</p>
<p> Natuurlijk gaat het niet vanzelf. Bij kwaliteitsverbetering zijn er altijd verliezers, dus tegenwerkers, en dat verklaart waarom de beroepsverenigingen zo traag zijn geweest bij het formuleren van criteria. Daar begint nu echter schot in te komen. Het opzetten van kwaliteitscontrole systemen kost ook wat. De darmkankerchirurgen hebben hun systeem kunnen opzetten met wat geld van VWS en van de ziektekostenverzekeraar Achmea. VWS en de ziektekostenverzekeraars zouden nu het geld moeten fourneren om het systeem, dat door de darmchirurgen is opgezet, uit te rollen over andere disciplines. Daar leent het zich voor.</p>
<p> In de Verenigde Staten kunnen we zien wat er gebeurt als de besturing van de gezondheidszorg wordt overgedragen aan de ziektekostenverzekeraars. De zorg wordt duurder, bureaucratischer en slechter. Dat neemt niet weg dat ik het mooi vind dat de ziektekostenverzekeraars zich zorgen gaan maken over de kwaliteit van de zorg. In de tijd dat ik zelf ziekenhuisdirecteur was ging het eigenlijk alleen over prijs, nooit over kwaliteit. Als de ziektekostenverzekeraars nu enige druk gaan uitoefenen op de beroepsverenigingen om zinnige, efficiënte controlesystemen voor zorg op te zetten, kan de patiënt daar beter van worden.</p>
<p>Deze column over wetenschap wordt afwisselend geschreven door de natuurkundige Robbert Dijkgraaf, de socioloog Paul Schnabel (over proefschriften), de voedingsdeskundige Martijn Katan, de neerlandicus Marita Mathijsen en de medicus Piet Borst.</p>
</div>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/10/30/de-kakofonie-der-criteria/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>1</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>De troost van kunst</title>
		<link>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/10/23/de-troost-van-kunst/</link>
		<comments>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/10/23/de-troost-van-kunst/#comments</comments>
		<pubDate>Fri, 22 Oct 2010 22:00:00 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Marita Mathijsen</dc:creator>
				<category><![CDATA[Uncategorized]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/10/23/de-troost-van-kunst/</guid>
		<description><![CDATA[Mijn hondje is dood. Ik weet wel dat de wetenschapscolumnist niet geacht wordt over zijn hondje te beginnen, maar toch, het beestje is zo vaak opgetreden in mijn stukken dat ik vind dat u het moet weten. Zijn hartje werkte niet meer goed, hij leed aan artrose, hij was doof en blind. Ik kon de [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<div>
<p><p>Mijn hondje is dood. Ik weet wel dat de wetenschapscolumnist niet geacht wordt over zijn hondje te beginnen, maar toch, het beestje is zo vaak opgetreden in mijn stukken dat ik vind dat u het moet weten. Zijn hartje werkte niet meer goed, hij leed aan artrose, hij was doof en blind. </p>
<p>Ik kon de laatste maanden niet naar hem  kijken zonder aan de literatuur te denken. </p>
<p>Er is nog nooit een proefschrift geschreven over de troostende werking van literatuur, maar iedereen kent die wel. Ik kan iedereen die zijn moeder verloren heeft aanraden Nicolaas Matsier (<em>Gesloten huis</em>) en Leo Pleysier (<em>Wit is altijd schoon</em>) te lezen. </p>
<p><span id="more-109"></span></p>
<p>Het is niet alleen herkenning die troost geeft. Het is vooral de schoonheid van de taal die het vergankelijke wat minder vergankelijk maakt. Dan is er ook nog het gevoel van delen. Het verlies van jouw unieke moeder blijkt deel van de ‘condition humaine’, en dat geeft inzicht en verlichting. </p>
<p>Bij mijn hondje liepen de lijnen naar de literatuur via zijn blinde ogen. In de romantiek kregen blinde schrijvers een speciaal soort gezag. Zij zouden juist doordat hun blik naar binnen gekeerd was meer zien dan gewone schrijvers. Er is een schitterend portret van de dichter John Milton, geschilderd door de romantische fantast Henri Fuseli, waarop de blinde schrijver zijn dochter een epos dicteert. De ogen zijn als lichtbollen getekend. Alle aandacht op het schilderij gaat naar de naar binnen gekeerde ogen. Milton lijkt zichzelf van binnen te inspecteren, en die introversie keert zich om naar buiten. Ook Homerus was blind en kreeg daarom een speciale status als ziener toegeschreven. Beethoven zou beter zichzelf horen naarmate hij dover werd. Kan ik doorgaan en zeggen dat een kok beter kookt naarmate hij minder proeft? Gaat niet op, lijkt mij. </p>
<p>Hoe dan ook, wat voor schrijvers misschien mag gelden, gold niet voor mijn hondje. Die zag echt niet beter en was echt niet contemplatiever door zijn blindheid. Wel was hij extra aandoenlijk, omdat hij met zijn kleine kopje geregeld tegen deuren stootte die open stonden, en soms zelfs in zijn eigen huis de richting kwijt was. Toch redde hij zich. Ik kreeg die vanzelf groeiende verhouding met hem, die je ook met sterke oude mensen opbouwt. Het is een mengeling van bewondering voor hun uithoudingsvermogen en een neiging tot ondersteuning. Neerkijken en opkijken tegelijkertijd. </p>
<p>Niemand heeft dat in de literatuur mooier beschreven dan Louis Couperus. Die weet de traagheid en de heroïek van de ouderdom te raken, vaak in een paar woorden of zinnen. In <em>Van oude menschen, de dingen die voorbij gaan </em>pakt hij haarscherp het uiterlijk en de gebaren van de ouderdom beet. Bijvoorbeeld bij de oude Takma van in de negentig: ‘De dofheid nevelde weêr over hem heen; het hoofd zakte, de oogen glaasden. En hij zat daar, zoo broos en oud-fijn, als zoû men het leven weg uit hem kunnen blazen, als een zwevende pluim.’ Grootmama van 97 zwijgt en wacht alleen maar, tevreden om het wachten zelf. ‘Behalve het gelaat, schenen alleen bevende levend in den diepen schoot de broze vingers, schemerend staafjes-slank uit zwarte mitaines.’ Meteen komt me het beeld voor ogen van bejaarden en hun onrustige handen, met inderdaad die vingers die elk moment lijken te kunnen breken. Couperus legt naast de oude dame op een tafeltje haakwerk neer, ‘sedert jaren al niet meer aangeroerd’. Ik herken dat van zieken, waar het onafgewerkte op tafel blijft liggen als teken en misschien zelfs als symbool van de wil te blijven leven, maar tot afwerking komt het niet. Het kunnen fotoalbums zijn die nog ingeplakt moeten worden, te repareren kleinigheden, onbeantwoorde brieven of, inderdaad, handwerken. De literatuur zet opeens zo’n detail als het onafgewerkte in een troostvol kader. Ik begrijp opeens waarom mijn opa naast zijn bejaardenbed een doosje had staan met fijne tangen, donkere kralen en zilverdraad. Voorheen maakte hij rozenkransen en toen zijn reumatische handen dat niet meer konden bleef toch altijd het doosje gereed staan, wachtend op die ene dag dat hij hoopte minder stramme vingers te hebben. Shakespeare heeft in <em>King Lear </em>een prachtig portret geschreven van de bejaarde die de kluts kwijtraakt. De koning wil zijn rijk in drieën delen om ‘onze ouderdom te ontlasten van alle moeite en zorg, en dragen ze over op jonger krachten om, van last bevrijd, naar ’t graf te kruipen.’ De hovelingen zeggen over hem dat hij vol grillen zit op zijn oude dag, en dat nu hij op leeftijd is, ‘niet alleen de ingewortelde zwakheden van zijn aard’ naar buiten komen, ‘maar ook nog de onhandelbare eigenzinnigheid, die de jaren van verval en gemelijkheid met zich meebrengen’. Shakespeare breekt met het cliché dat bejaard en wijs samengaan, maar schetst juist de zotte bejaarde, die uiteindelijk weer tot zichzelf komt. </p>
<p>Anders dan Bernlef in <em>Hersenschimmen</em> doet, waarin de demente Maarten steeds meer van zichzelf kwijtraakt. Er zijn tientallen studies over dementie, maar troost vinden kinderen van demente ouders daar niet in. Daarvoor moeten ze naar de literatuur, naar Bernlef. Maarten is weer een heel andere bejaarde dan die in Willem Elsschots gedicht ‘<em>De klacht van een oude</em>’. Dat gaat over een man die maar niet kan wennen aan zijn aftakeling: ‘Ik word aan ’t oud zijn niet gewend./ De lichterlaaie die ik heb gekend/ zit nog te diep in mijne knoken/ en blijft mij dag en nacht bestoken.’ Hij zou voor een jonge meid zijn huis, zijn kleren en zijn vrouw willen verkopen, en hij zou er geen berouw over hebben. In <em>Hoogste tijd</em> van Harry Mulisch krijgt een afgeleefd toneelspeler alsnog een hoofdrol, na een mislukte carrière. Hij dolt wat met een jonge actrice, blaast hoog van de toren, maar uiteindelijk kan hij zijn comeback niet waarmaken. De acteur Uli Bouwmeester deelt met Elsschots oude man de angst voor de aftakeling en met King Lear de zotheid. </p>
<p>Er zit heel wat bejaardheid in de literatuur, maar een heldenrol krijgt de ouderdom toch nergens. En zo hoort het ook, want anders zou literatuur clichématig zijn en dus geen soelaas bieden. </p>
<p>Er zou een fraaie studie aan te wijden zijn: wat is de gemiddelde leeftijd van de romanheld in de Nederlandse literatuur van de laatste vijftig jaar? Is die verschoven? Zijn de personages ouder geworden sinds de gemiddelde lezer ook ouder is? Zou het mogelijk zijn daar voorspellingen over te doen? Kunnen we Maurice de Hond opdracht geven een prognose te maken van de leeftijd van de hoofdpersonages in een nieuwe Grunberg? Hoe dan ook: zodra ik een bejaarde in de literatuur goed beschreven zie, met dat even wegzakken en die naar binnen gekeerde ogen, met dat verbergen van kwalen en het quasi nonchalant doen van dingen die eigenlijk te veel inspanning vereisen, dan moet ik aan mijn hondje denken. En dan moet ik even glimlachen. Het helpt. </p>
<p>Hoeveel hondjes en honden komen er in de literatuur voor? De meest aandoenlijke en intrigerende hond die ik uit een roman ken, is de naamloze uit <em>De wandelaar</em> van Adriaan van Dis. Er is een prachtig grafschrift van Constantijn Huygens op zijn hond Geckie: ‘Dit is mijn Hondjes Graf:/ Ick segger niet meer af,/ Als dat ick wenschten (en de Werld waer niet bedurven)/ Dat mijn klein Geckje leefde en all’ de groote sturven.’ Dominee François HaverSchmidt vertelt dat hij eens door het droefgeestige natte Friese land naar Leeuwarden ging met zijn hondje, dat met druipende oren en druipende staart achter hem aanliep aan een touw, en dat het hondje zwaarder en zwaarder werd, en in Leeuwarden gekomen, verdronken bleek te zijn in de regen! </p>
<p>Ach ja, dierenverhalen worden al gauw sentimenteel – en bejaardenverhalen ook. </p>
<p>Deze column over wetenschap wordt afwisselend geschreven door de natuurkundige Robbert Dijkgraaf, de socioloog Paul Schnabel (over proefschriften), de voedingsdeskundige Martijn Katan, de neerlandicus Marita Mathijsen en de medicus Piet Borst.</p>
</div>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/10/23/de-troost-van-kunst/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Het recht op een misser</title>
		<link>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/10/16/het-recht-op-een-misser/</link>
		<comments>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/10/16/het-recht-op-een-misser/#comments</comments>
		<pubDate>Fri, 15 Oct 2010 22:00:00 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Martijn Katan</dc:creator>
				<category><![CDATA[Uncategorized]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/10/16/het-recht-op-een-misser/</guid>
		<description><![CDATA[Ik heb het niet vaak mis gehad als wetenschapper, het meeste wat ik heb gepubliceerd staat nog recht overeind. Ik ben daar niet trots op, want zo’n foutloze staat van dienst wijst op gebrek aan durf. Een groot wetenschapper steekt zijn nek uit en volgt zijn opwellingen, zelfs als die onwaarschijnlijk lijken en niemand ze [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<div>
<p><p>Ik heb het niet vaak mis gehad als wetenschapper, het meeste wat ik heb gepubliceerd staat nog recht overeind. Ik ben daar niet trots op, want zo’n foutloze staat van dienst wijst op gebrek aan durf. Een groot wetenschapper steekt zijn nek uit en volgt zijn opwellingen, zelfs als die onwaarschijnlijk lijken en niemand ze gelooft. Daarom zitten grote wetenschappers er zo nu en dan flink naast. Het schoolvoorbeeld daarvan is Linus Pauling, de enige geleerde die in zijn eentje twee Nobelprijzen heeft gewonnen. In 1954 kreeg hij de prijs voor scheikunde voor zijn ontdekking hoe koolstofatomen in complexe moleculen aan elkaar vast zitten, en in 1962 ontving hij de Vredesprijs voor zijn strijd tegen het testen van kernwapens. Destijds deden namelijk de atoommogendheden regelmatig tests van hun nieuwste atoombommen, waarna het overal radioactiviteit regende. Mede dankzij Pauling en zijn collega’s werden die tests in 1963 gestopt. Pauling had nóg wel een Nobelprijs kunnen winnen, bijvoorbeeld voor zijn ontdekking van het mechanisme van sikkelcelanemie, de eerste erfelijke ziekte die op moleculair niveau kon worden verklaard.</p>
<p><span id="more-108"></span></p>
<p>Met zijn hypothese over de structuur van DNA zat Pauling er faliekant naast, maar dat is iedereen vergeten. Niet vergeten zijn Paulings denkbeelden over vitamine C. Veertig jaar geleden publiceerde hij een boek waarin hij zei dat extra vitamine C verkoudheid kon voorkomen en genezen. Op dat moment waren daarover pas vier studies bekend. Paulings boek leidde tot een stroom van nieuwe experimenten en daardoor weten we nu vrij precies wat vitamine C doet op verkoudheid. De Fin Harry Hemilä heeft er zijn levenswerk van gemaakt die studies op te sporen en te analyseren. Zijn laatste overzicht dateert van 2007, en het laat definitief zien dat een verkoudheid niet overgaat van vitamine C. Het voorkomt ook niet dat je verkouden wordt, alleen duurt je volgende verkoudheid een halve dag korter. Als je de hele herfst en winter dagelijks vitamine C slikt duurt je volgende verkoudheid dus geen vijf dagen maar vier en een half. Je moet daarvoor flink wat slikken, vermoedelijk een gram per dag. Daarbij is het nog maar de vraag of Hemilä alle studies naar vitamine C achterhaald heeft. Misschien heeft hier en daar een teleurgestelde onderzoeker zijn uitkomsten onderin een la gegooid als de verkoudheid met vitamine C langer duurde in plaats van korter. Dan zou het gemiddelde effect van alle studies zelfs nul kunnen zijn.</p>
<p>Er is één groep bij wie vitamine C misschien wel werkt, en dat zijn marathonlopers en andere zware sporters, vooral als ze zich afbeulen in de kou. Topatleten hebben toch al meer kans om verkouden te worden, dus als u deze winter een marathon loopt of bergop bergaf  gaat met vellen onder de ski’s is het misschien een idee preventief vitamine C te slikken.</p>
<p>Beïnvloedt voeding überhaupt de kans op een infectieziekte bij welvarende Nederlanders zoals u en ik? Het idee dat gezond eten de weerstand verbetert is wijd verbreid maar de bewijzen ervoor zijn opmerkelijk beperkt. Tuberculose lijkt ernstiger te verlopen als de patiënt ondervoed is, maar dat komt bij ons gelukkig weinig voor. Hongersnood gaat vaak gepaard met infectieziekten, maar hongersnood betekent chaos of oorlog en dan is de hygiëne ook vaak slecht. Als het drinkwater of het voedsel besmet raakt met de uitwerpselen van zieke mensen verbreiden infectieziekten zoals tyfus en cholera zich snel. </p>
<p>Onder goede hygiënische omstandigheden is het effect van hongeren echter klein. Tegen het eind van de Tweede Wereldoorlog werd een aantal vrijwilligers in een Amerikaans laboratorium op een hongermenu gezet van brood, aardappels, knollen en kool plus minieme beetjes fruit, vlees en melk. De Amerikanen wilden hieruit leren hoe ze de slachtoffers van hongersnood moesten behandelen in het zojuist bevrijde Europa. Na 6 maanden zagen de vrijwilligers eruit als concentratiekampgevangenen, maar infectieziekten kregen ze niet.</p>
<p>De enige voedingsstoffen die met zekerheid een effect hebben op de afweer zijn zink en vitamine A. Kinderen in de tropen worden soms zo eenzijdig gevoed dat ze een ernstig tekort krijgen aan vitamine A. Daardoor krijgen ze moeite met zien en ze worden gevoeliger voor mazelen. Een flinke dosis vitamine A verkleint duidelijk het risico dat zo’n kindje aan mazelen sterft. Maar wij krijgen iedere dag vitamine A binnen, nog meer vitamine A helpt niet. Vergelijk het met een mobiele telefoon: als de accu bijna leeg is geeft dat een forse kans op uitvallende gesprekken, maar als de accu is opgeladen liggen die uitvallende gesprekken ergens anders aan, en nog meer opladen helpt dan niet. </p>
<p>Suggesties dat een vitamine de afweer verbetert berusten meestal op onderzoek in de reageerbuis of bij proefdieren. Daarbij wordt onderzocht wat voor effect zo’n vitamine heeft op onderdelen van het immuunsysteem. De afweer tegen infecties omvat duizenden soorten cellen en eiwitten, en sommige daarvan veranderen als er in een reageerbuis een vitamine bij wordt gedaan. De proef op de som is echter of mensen minder kans hebben om ziek te worden als ze vitamines slikken, en  de resultaten van dat soort studies zijn teleurstellend. Reageerbuisstudies hadden bijvoorbeeld de verwachting gewekt dat vitamine E hielp tegen luchtweginfecties. Toen dat in een grondig Wagenings onderzoek werd getest veroorzaakte vitamine E bij ouderen echter meer luchtweginfecties in plaats van minder.</p>
<p>Gezond eten plus de juiste vitaminepillen slikken kan een hoop ziekten voorkomen, van open ruggetjes bij ongeboren baby’s tot botbreuken bij ouderen. Maar dat het tegen verkoudheid en griep helpt is niet bewezen, al beveelt het Vitamine Informatie Bureau u voor dit najaar maar liefst vijf vitamines aan, van A tot E. Dat dient voornamelijk om de omzet te bevorderen van de fabrikanten van vitaminepillen die dit Bureau financieren. Als u echt iets wilt doen tegen verkoudheid of griep, zoek het dan niet in de voeding. U kunt voor 20 euro een griepprik halen, die werkt ook onder de 60 jaar. Vraag verder je dierbaren en collega’s om te niesen in een tissue in plaats van in de lucht, wrijf niet in je ogen want dan wrijf je de virussen in je slijmvliezen en was vooral vaak je handen. </p>
<p>De vitamine C-hypothese van Pauling was een mooi idee dat onjuist bleek, net als zoveel andere mooie wetenschappelijke ideeën. De meest briljante chemicus van de 20ste eeuw leeft nu voort als de bedenker van de megadosis vitamine C tegen verkoudheid. Dat heeft iets onrechtvaardigs; een groot wetenschapper heeft van tijd tot tijd recht op een misser. </p>
<p>Voor voetnoten zie mkatan.nl</p>
<p>Deze column over wetenschap wordt afwisselend geschreven door de natuurkundige Robbert Dijkgraaf, de socioloog Paul Schnabel (over proefschriften), de voedingsdeskundige Martijn Katan, de neerlandicus Marita Mathijsen en de medicus Piet Borst.</p>
</div>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/10/16/het-recht-op-een-misser/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>4</slash:comments>
		</item>
	</channel>
</rss>

