De eerstejaars hadden opgekregen om De Hollandsche natie van J.F. Helmers te lezen, een lofzang op het verleden van Holland in 3545 dichtregels. Ik weet niet of ik er goed aan gedaan heb. Van de 130 eerstejaars bleken er maar vijf plezier aan de tekst te hebben beleefd. De rest was er niet doorgekomen, had zich er plichtmatig doorheen geworsteld, of had er niets van begrepen. De week daarvoor hadden ze een dichtverhaal van Nicolaas Beets moeten lezen, Guy de Vlaming. Dat is een van die woeste middeleeuwse vertellingen van Beets die literairhistorici vroeger namaakromantiek noemden. Tegenwoordig hebben jonge onderzoekers er wel gevoel voor en slaan ze het even hoog aan als de Camera Obscura. Het verhaal gaat over een middeleeuwse ridder die zonder het te weten met zijn zuster getrouwd is en in een vlaag van godsdienstwaanzin haar vermoordt. De waanzinscène kan op tegen die van een Italiaanse opera. De eerstejaars hadden er ook plezier in: het verhaal loopt snel, de stemmingswisselingen zijn adembenemend, er zit een heel verstilde natuurscène in, en de tragiek maakt, hoe bizar ook, toch indruk. Maar De Hollandsche natie krijg ik niet verkocht. Het is zo’n opeenstapeling van loftuitingen over het geweldige Holland dat we eens waren, zo’n megavolume aan nationalisme, dat de toehoorder er op den duur ongevoelig voor wordt. Wellicht moet ik besluiten dat het echt een draak is die niet meer in onze tijd in te passen is. De toon van Helmers doet me af en toe denken aan die van de voetbalverslaggever die keihard en razendsnel alles als spannend, fataal, heldhaftig voorstelt, het voortdurend over ‘ons’ en ‘onze jongens’ heeft en die het erop doet lijken dat hijzelf aan de overwinning heeft bijgedragen als hij uitschreeuwt: ‘we hebben gescoord!’
Lees verder »