<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:wfw="http://wellformedweb.org/CommentAPI/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom"
	xmlns:sy="http://purl.org/rss/1.0/modules/syndication/"
	xmlns:slash="http://purl.org/rss/1.0/modules/slash/"
	>

<channel>
	<title>Wetenschap columns &#187; Marita Mathijsen</title>
	<atom:link href="http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/author/mathijsen/feed/" rel="self" type="application/rss+xml" />
	<link>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns</link>
	<description></description>
	<lastBuildDate>Fri, 17 Dec 2010 23:00:00 +0000</lastBuildDate>
	<language>en</language>
	<sy:updatePeriod>hourly</sy:updatePeriod>
	<sy:updateFrequency>1</sy:updateFrequency>
	<generator>http://wordpress.org/?v=3.1.3</generator>
		<item>
		<title>Harry en de botheid van media</title>
		<link>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/11/26/harry-en-de-botheid-van-media/</link>
		<comments>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/11/26/harry-en-de-botheid-van-media/#comments</comments>
		<pubDate>Fri, 26 Nov 2010 22:00:00 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Marita Mathijsen</dc:creator>
				<category><![CDATA[Uncategorized]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/11/26/harry-en-de-botheid-van-media/</guid>
		<description><![CDATA[Ergens in mei van dit jaar kreeg ik een telefoontje van een Belgische journalist. Of hij me wat vragen over Harry Mulisch mocht stellen. Toen ik navroeg wat de aanleiding was bleef hij vaag, maar uiteindelijk gaf hij toe dat het was om een herdenkingsartikel klaar te hebben voor ‘als het zover mocht zijn’. Ik [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<div>
<p />
<p>Ergens in mei van dit jaar kreeg ik een telefoontje van een Belgische journalist. Of hij me wat vragen over Harry Mulisch mocht stellen. Toen ik navroeg wat de aanleiding was bleef hij vaag, maar uiteindelijk gaf hij toe dat het was om een herdenkingsartikel klaar te hebben voor ‘als het zover mocht zijn’. Ik hielp de man, hoewel hij de vragen die hij stelde makkelijk zelf had kunnen oplossen, na enig bibliotheekwerk. Met de meester zelf had ik kort daarvoor nog een glas witte wijn op een terras in de P.C. Hooftstraat gedronken. Twee weken later belde dezelfde man nogmaals, weer met vragen die een leerlingjournalist via Google had kunnen beantwoorden. De gemakzucht ergerde me, maar ik bleef hem beleefd van dienst. Ik lachte wat om die journalisten die al jaren voordat het zover is een necrologie moeten klaarmaken. Ik herinnerde me dat Mulisch al in 2009 doodverklaard was door een sufferd die voorbarig het bericht over Mulisch op Teletekst gezet had. Mulisch had daarover smakelijk kunnen lachen bij <em>De wereld draait door</em>.</p>
<p><span id="more-114"></span></p>
<p>Eind augustus wist ik dat Harry opgegeven was. Met de familie was afgesproken dat hierover voorlopig niets naar buiten zou komen. Hij zou in september een behandeling ondergaan die hem nog enige tijd zou geven. Met enkele vrienden en familieleden spraken wij over de toekomst van zijn literaire nalatenschap. Daar was hij nogal laconiek over. Na zijn dood moesten wij maar beslissen wat nog de moeite waard was om te publiceren. Hij wees ons de plaats aan waar manuscripten lagen die wellicht nog in aanmerking kwamen. Hij had me eerder al de zes versies van <em>De ontdekking van Moskou</em> laten zien en een daarvan zou na zijn dood wel mogen uitkomen. Hij had ook nog wat half afgemaakte verhalen liggen. Al deze zaken besprak hij met een vrolijke distantie. De drukproeven van verzamelde essays lagen naast zijn stoel. Hij vertelde dat hij over het boek gedroomd had en dat in die droom de titel <em>Opspraak</em> was. Het boek was al aangekondigd als <em>De Waarnemer</em>, maar die titel veranderde hij. Dromen moet je altijd serieus nemen. </p>
<p>Terwijl er in huize Mulisch een serene stemming heerste, maakte ik van de andere kant een mediawereld mee op een manier die ik me nooit had kunnen voorstellen. Ik heb het min of meer aan mezelf te wijten, want op mijn universiteitswebsite staat dat ik Mulisch-specialist ben en dat blijkt wel heel anders te werken dan de vermelding dat ik Bilderdijk-, Van Lennep- en De Schoolmeester-specialist ben. </p>
<p>Vanaf begin september kreeg ik telefoontjes van journalisten die wilden weten of het waar was dat het einde van ‘de heer Mulisch’ nabij was. Natuurlijk hield ik die telefoontjes af. De gezondheid van de heer Mulisch was broos, zoals die van vrijwel alle 83-jarigen, hield ik hun volgens afspraak voor. Maar de geruchten bleken steeds aan te groeien en niet meer te beheersen. Ik moest denken aan de lasteraria uit de opera <em>Il Barbiere di Siviglia</em>, waarin de bas zingt over hoe een gerucht begint als een nauwelijks waarneembaar zuchtje wind en uitgroeit tot een onbeheersbare storm. Ik zag ooit een productie van Dario Fo waarin hij eerst één balletdanser met een klein draaiend kinderparasolletje laat opkomen en vervolgens steeds meer dansers met steeds grotere parasollen laat worstelen, terwijl Don Basilio over ‘La calunnia’ zingt.</p>
<p>De Belg belde weer en ik verloor mijn geduld. Zoek maar op, zei ik, er zijn diverse sites en boeken met alle mogelijke gegevens. Van hem hoorde ik niet meer. In de tweede week van oktober begon het aandringen. Bij de uitgever kregen de journalisten vriendelijk maar resoluut nul op het rekest. Ik ben echter minder getraind en nam dus toch de telefoontjes op. “Met X. We hebben gehoord dat het met de heer Mulisch niet goed gaat. Als het bericht doorkomt dat hij overleden is, zou u dan in ons programma willen komen spreken?” Als ik niet opnam, dan was er nog het antwoordapparaat. Ik citeer letterlijk: “Ik bel u in verband met het mogelijk aanstaande overlijden van Harry Mulisch waar hier en daar wat geruchten over gaan. Wij zijn natuurlijk uiteraard in de voorbereidende zin bezig. Het leek ons aardig om vanuit zijn werk ook wat te doen als het zover komt. Dus wij willen aan u vragen of het mogelijk is om een aantal typische Harry Mulisch-zinnen bij elkaar te verzamelen die wij mooi in beeld kunnen brengen.”</p>
<p>Het ging opeens snel achteruit met Harry. Ik nam op dinsdag 26 oktober afscheid van hem, zoals hij van al zijn vrienden in die laatste dagen afscheid nam. Waardig, berustend, met een enkel woord. Zijn diepblauwe ogen spraken de rest uit. Nog voordat alle vrienden het wisten, was de pers al op de hoogte. De telefoontjes werden steeds impertinenter. Zonder enig gevoel van meedogen vroeg men of ik wilde komen opdagen in programma X of Y of Z voor radio of tv, als het zover was. Een presentator met wie ik in het verleden een aardig programma had voorbereid over Harry Mulisch probeerde me op grond daarvan te claimen. Er kwam ook een inlevend en verontschuldigend mailtje van een actualiteitenprogramma dat een hele uitzending aan het overlijden wilde wijden als het zover was en mij daarbij te gast vroeg. De redactie garandeerde een uitzending ‘met eerbied en liefde’. Aan dat programma verbond ik me – waarop ik gebeld werd door het andere actualiteitenprogramma. Ik had toch al toegezegd bij hen te komen. Of ik hen dan in elk geval op de hoogte wilde houden van de toestand van de heer Mulisch? Op woensdag 27 oktober werd ik opgebeld door de presentator van Y. Hij stelde voor dat ik met een taxi naar Hilversum zou komen, zodat ik in de startblokken stond als het bericht vrij kwam. Ik geneerde me plaatsvervangend en besloot nogmaals me niet bij hem maar bij het andere programma aan te sluiten, als het zover was. </p>
<p>Het was bijna vervreemdend als ik een mailtje of telefoontje kreeg waaruit wel een respectvolle houding sprak. Zoals dat van een museum: “Marita, ik hoef niets te weten, maar zeg alleen ja als ik er goed aan doe vast wat mooi materiaal over Harry Mulisch bij elkaar te zoeken.” Of de presentator van een boekenprogramma: “Ik wil hier helemaal niet aan meedoen, maar ik besef ook dat het programma niet gewoon kan doorgaan alsof er niets aan de hand is als Harry toch overlijdt in het weekend. Ik wil dan spreken met mensen die zijn werk echt goed kennen. Ik vind het verschrikkelijk om dit te moeten vragen.” Dat zegde ik toe, en dat werd een mooi gesprek.</p>
<p>Op zaterdagavond 30 oktober werd ik om kwart over acht gebeld. Geen condoleances, geen inleidende woorden door de presentator van Y. “Het is zover. Kan ik een taxi sturen? Ik heb al gebeld met X, maar die hebben maandag pas uitzending en dan hoeven ze jou niet meer, want dan wijden ze niet meer het hele programma eraan.” Ik zei dat ik nog niets van de familie gehoord had, dat er een afspraak was dat de uitgeverij het overlijden bekend zou maken. Of ze zeker waren van dit bericht? Ja, ze hadden contacten waardoor ze dit wisten en er stond iemand op de uitkijk voor Mulisch’ huis. Vijf minuten later belde de weduwe. Hoe graag had ik de fatale woorden eerst uit haar mond gehoord.</p>
<p>Deze column over wetenschap wordt afwisselend geschreven door de natuurkundige Robbert Dijkgraaf, de socioloog Paul Schnabel (over proefschriften), de voedingsdeskundige Martijn Katan, de neerlandicus Marita Mathijsen en de medicus Piet Borst.</p>
</div>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/11/26/harry-en-de-botheid-van-media/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>De troost van kunst</title>
		<link>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/10/23/de-troost-van-kunst/</link>
		<comments>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/10/23/de-troost-van-kunst/#comments</comments>
		<pubDate>Fri, 22 Oct 2010 22:00:00 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Marita Mathijsen</dc:creator>
				<category><![CDATA[Uncategorized]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/10/23/de-troost-van-kunst/</guid>
		<description><![CDATA[Mijn hondje is dood. Ik weet wel dat de wetenschapscolumnist niet geacht wordt over zijn hondje te beginnen, maar toch, het beestje is zo vaak opgetreden in mijn stukken dat ik vind dat u het moet weten. Zijn hartje werkte niet meer goed, hij leed aan artrose, hij was doof en blind. Ik kon de [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<div>
<p><p>Mijn hondje is dood. Ik weet wel dat de wetenschapscolumnist niet geacht wordt over zijn hondje te beginnen, maar toch, het beestje is zo vaak opgetreden in mijn stukken dat ik vind dat u het moet weten. Zijn hartje werkte niet meer goed, hij leed aan artrose, hij was doof en blind. </p>
<p>Ik kon de laatste maanden niet naar hem  kijken zonder aan de literatuur te denken. </p>
<p>Er is nog nooit een proefschrift geschreven over de troostende werking van literatuur, maar iedereen kent die wel. Ik kan iedereen die zijn moeder verloren heeft aanraden Nicolaas Matsier (<em>Gesloten huis</em>) en Leo Pleysier (<em>Wit is altijd schoon</em>) te lezen. </p>
<p><span id="more-109"></span></p>
<p>Het is niet alleen herkenning die troost geeft. Het is vooral de schoonheid van de taal die het vergankelijke wat minder vergankelijk maakt. Dan is er ook nog het gevoel van delen. Het verlies van jouw unieke moeder blijkt deel van de ‘condition humaine’, en dat geeft inzicht en verlichting. </p>
<p>Bij mijn hondje liepen de lijnen naar de literatuur via zijn blinde ogen. In de romantiek kregen blinde schrijvers een speciaal soort gezag. Zij zouden juist doordat hun blik naar binnen gekeerd was meer zien dan gewone schrijvers. Er is een schitterend portret van de dichter John Milton, geschilderd door de romantische fantast Henri Fuseli, waarop de blinde schrijver zijn dochter een epos dicteert. De ogen zijn als lichtbollen getekend. Alle aandacht op het schilderij gaat naar de naar binnen gekeerde ogen. Milton lijkt zichzelf van binnen te inspecteren, en die introversie keert zich om naar buiten. Ook Homerus was blind en kreeg daarom een speciale status als ziener toegeschreven. Beethoven zou beter zichzelf horen naarmate hij dover werd. Kan ik doorgaan en zeggen dat een kok beter kookt naarmate hij minder proeft? Gaat niet op, lijkt mij. </p>
<p>Hoe dan ook, wat voor schrijvers misschien mag gelden, gold niet voor mijn hondje. Die zag echt niet beter en was echt niet contemplatiever door zijn blindheid. Wel was hij extra aandoenlijk, omdat hij met zijn kleine kopje geregeld tegen deuren stootte die open stonden, en soms zelfs in zijn eigen huis de richting kwijt was. Toch redde hij zich. Ik kreeg die vanzelf groeiende verhouding met hem, die je ook met sterke oude mensen opbouwt. Het is een mengeling van bewondering voor hun uithoudingsvermogen en een neiging tot ondersteuning. Neerkijken en opkijken tegelijkertijd. </p>
<p>Niemand heeft dat in de literatuur mooier beschreven dan Louis Couperus. Die weet de traagheid en de heroïek van de ouderdom te raken, vaak in een paar woorden of zinnen. In <em>Van oude menschen, de dingen die voorbij gaan </em>pakt hij haarscherp het uiterlijk en de gebaren van de ouderdom beet. Bijvoorbeeld bij de oude Takma van in de negentig: ‘De dofheid nevelde weêr over hem heen; het hoofd zakte, de oogen glaasden. En hij zat daar, zoo broos en oud-fijn, als zoû men het leven weg uit hem kunnen blazen, als een zwevende pluim.’ Grootmama van 97 zwijgt en wacht alleen maar, tevreden om het wachten zelf. ‘Behalve het gelaat, schenen alleen bevende levend in den diepen schoot de broze vingers, schemerend staafjes-slank uit zwarte mitaines.’ Meteen komt me het beeld voor ogen van bejaarden en hun onrustige handen, met inderdaad die vingers die elk moment lijken te kunnen breken. Couperus legt naast de oude dame op een tafeltje haakwerk neer, ‘sedert jaren al niet meer aangeroerd’. Ik herken dat van zieken, waar het onafgewerkte op tafel blijft liggen als teken en misschien zelfs als symbool van de wil te blijven leven, maar tot afwerking komt het niet. Het kunnen fotoalbums zijn die nog ingeplakt moeten worden, te repareren kleinigheden, onbeantwoorde brieven of, inderdaad, handwerken. De literatuur zet opeens zo’n detail als het onafgewerkte in een troostvol kader. Ik begrijp opeens waarom mijn opa naast zijn bejaardenbed een doosje had staan met fijne tangen, donkere kralen en zilverdraad. Voorheen maakte hij rozenkransen en toen zijn reumatische handen dat niet meer konden bleef toch altijd het doosje gereed staan, wachtend op die ene dag dat hij hoopte minder stramme vingers te hebben. Shakespeare heeft in <em>King Lear </em>een prachtig portret geschreven van de bejaarde die de kluts kwijtraakt. De koning wil zijn rijk in drieën delen om ‘onze ouderdom te ontlasten van alle moeite en zorg, en dragen ze over op jonger krachten om, van last bevrijd, naar ’t graf te kruipen.’ De hovelingen zeggen over hem dat hij vol grillen zit op zijn oude dag, en dat nu hij op leeftijd is, ‘niet alleen de ingewortelde zwakheden van zijn aard’ naar buiten komen, ‘maar ook nog de onhandelbare eigenzinnigheid, die de jaren van verval en gemelijkheid met zich meebrengen’. Shakespeare breekt met het cliché dat bejaard en wijs samengaan, maar schetst juist de zotte bejaarde, die uiteindelijk weer tot zichzelf komt. </p>
<p>Anders dan Bernlef in <em>Hersenschimmen</em> doet, waarin de demente Maarten steeds meer van zichzelf kwijtraakt. Er zijn tientallen studies over dementie, maar troost vinden kinderen van demente ouders daar niet in. Daarvoor moeten ze naar de literatuur, naar Bernlef. Maarten is weer een heel andere bejaarde dan die in Willem Elsschots gedicht ‘<em>De klacht van een oude</em>’. Dat gaat over een man die maar niet kan wennen aan zijn aftakeling: ‘Ik word aan ’t oud zijn niet gewend./ De lichterlaaie die ik heb gekend/ zit nog te diep in mijne knoken/ en blijft mij dag en nacht bestoken.’ Hij zou voor een jonge meid zijn huis, zijn kleren en zijn vrouw willen verkopen, en hij zou er geen berouw over hebben. In <em>Hoogste tijd</em> van Harry Mulisch krijgt een afgeleefd toneelspeler alsnog een hoofdrol, na een mislukte carrière. Hij dolt wat met een jonge actrice, blaast hoog van de toren, maar uiteindelijk kan hij zijn comeback niet waarmaken. De acteur Uli Bouwmeester deelt met Elsschots oude man de angst voor de aftakeling en met King Lear de zotheid. </p>
<p>Er zit heel wat bejaardheid in de literatuur, maar een heldenrol krijgt de ouderdom toch nergens. En zo hoort het ook, want anders zou literatuur clichématig zijn en dus geen soelaas bieden. </p>
<p>Er zou een fraaie studie aan te wijden zijn: wat is de gemiddelde leeftijd van de romanheld in de Nederlandse literatuur van de laatste vijftig jaar? Is die verschoven? Zijn de personages ouder geworden sinds de gemiddelde lezer ook ouder is? Zou het mogelijk zijn daar voorspellingen over te doen? Kunnen we Maurice de Hond opdracht geven een prognose te maken van de leeftijd van de hoofdpersonages in een nieuwe Grunberg? Hoe dan ook: zodra ik een bejaarde in de literatuur goed beschreven zie, met dat even wegzakken en die naar binnen gekeerde ogen, met dat verbergen van kwalen en het quasi nonchalant doen van dingen die eigenlijk te veel inspanning vereisen, dan moet ik aan mijn hondje denken. En dan moet ik even glimlachen. Het helpt. </p>
<p>Hoeveel hondjes en honden komen er in de literatuur voor? De meest aandoenlijke en intrigerende hond die ik uit een roman ken, is de naamloze uit <em>De wandelaar</em> van Adriaan van Dis. Er is een prachtig grafschrift van Constantijn Huygens op zijn hond Geckie: ‘Dit is mijn Hondjes Graf:/ Ick segger niet meer af,/ Als dat ick wenschten (en de Werld waer niet bedurven)/ Dat mijn klein Geckje leefde en all’ de groote sturven.’ Dominee François HaverSchmidt vertelt dat hij eens door het droefgeestige natte Friese land naar Leeuwarden ging met zijn hondje, dat met druipende oren en druipende staart achter hem aanliep aan een touw, en dat het hondje zwaarder en zwaarder werd, en in Leeuwarden gekomen, verdronken bleek te zijn in de regen! </p>
<p>Ach ja, dierenverhalen worden al gauw sentimenteel – en bejaardenverhalen ook. </p>
<p>Deze column over wetenschap wordt afwisselend geschreven door de natuurkundige Robbert Dijkgraaf, de socioloog Paul Schnabel (over proefschriften), de voedingsdeskundige Martijn Katan, de neerlandicus Marita Mathijsen en de medicus Piet Borst.</p>
</div>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/10/23/de-troost-van-kunst/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>De kale kern van de klassieken</title>
		<link>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/09/18/de-kale-kern-van-de-klassieken/</link>
		<comments>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/09/18/de-kale-kern-van-de-klassieken/#comments</comments>
		<pubDate>Fri, 17 Sep 2010 22:00:00 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Marita Mathijsen</dc:creator>
				<category><![CDATA[Uncategorized]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/09/18/de-kale-kern-van-de-klassieken/</guid>
		<description><![CDATA[Hoe kan het dat bij het toneel in Nederland vaak zo feilloos en trefzeker klassieken opgevoerd worden, terwijl ik bij de opera in Nederland geregeld uitvoeringen zie met spectaculaire beelden, die de kern van de tekst aan hun laars lappen? Vorig jaar was er een opvoering van Op hoop van zegen bij Het Toneel Speelt. [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<div>
<p><p>Hoe kan het dat bij het toneel in Nederland vaak zo feilloos en trefzeker klassieken opgevoerd worden, terwijl ik bij de opera in Nederland geregeld uitvoeringen zie met spectaculaire beelden, die de kern van de tekst aan hun laars lappen? Vorig jaar was er een opvoering van <em>Op hoop van zegen</em> bij Het Toneel Speelt. Natuurlijk was er het een en ander bewerkt door regisseur Jaap Spijkers. Ik heb de toneeltekst van Spijkers niet vergeleken met de oorspronkelijke tekst van Herman Heijermans, maar zeker is dat de betekenis ervan onaangetast was. In het stuk staan machthebbers tegenover machtelozen die moeten zien te overleven door zich te schikken. Het aangrijpende van het stuk is dat zelfs het moederinstinct sneuvelt als het om die worsteling gaat. Kniertje maakte zonder enige melodramatiek de handen van haar jonge zoon Barend los die zich wanhopig vastklampte aan het decor, omdat hij niet naar zee wilde. Hij wist dat het zijn dood zou zijn, en het strakke gezicht van Kniertje verried dat zij het ook wist. De uitvoering was in alle opzichten een hommage aan het klassieke stuk van Herman Heijermans. </p>
<p><span id="more-104"></span></p>
<p>Kort na die voorstelling in de Amsterdamse schouwburg zag ik in de Stopera <em>Der fliegende Holländer</em> van Richard Wagner in een regie van Martin Kusej. Nu is Wagners eigen tekst bij de muziek niet te vergelijken met die van Herman Heijermans. Waar Heijermans’ zinnen stuk voor stuk raak zijn en in het geheugen blijven hangen, is de tekst van Wagner clichématig. Die doet er ook minder toe, bij opera. Wel belangrijk is de fabel zelf, en die is grandioos. De vliegende Hollander is gedoemd om eeuwig rond te varen op zee en kan alleen maar verlost worden door de liefde van een vrouw die hem trouw blijft tot in de dood. Elke zeven jaar mag hij aan wal gaan om een dergelijke vrouw te zoeken. Maar wanneer een vrouw zich aan hem geeft en daarna haar gelofte breekt, zal ook zij eeuwig verdoemd worden. Senta, een schippersdochter, wil met hem trouwen. De Hollander wijst haar af, bang als hij is dat zij haar belofte niet kan houden en dan met hem voor eeuwig moet dwalen. Hij vaart weg, waarop Senta zich van een rots in zee stort. Daarmee is de Hollander bevrijd van de vloek. In de muziek is de melancholie van het naargeestige ronddolen schrijnend hoorbaar, en Senta’s liefdesverklaringen zijn altijd doordrenkt van noodlottige onderklanken. Een regisseur kan veel kanten op met <em>Der fliegende Holländer</em>. Hij kan de opofferende liefde benadrukken of de vloek die zichzelf herhaalt doordat de dood van Senta nodig is om de Hollander te verlossen. De regisseur kan de tijd als een doem zien. Wanneer er geen einde aan de tijd komt, verliest het leven zijn aantrekkelijkheden. Senta is dan inderdaad de verlossende dood. Hoe dan ook: Senta’s zelfmoord is cruciaal voor de betekenis van het stuk. Kusej koos ervoor het stuk zich deels op een cruiseschip, deels in een beautysalon te laten afspelen. Niet heel voor de hand liggend, maar vanuit een bepaalde interpretatie wel verdedigbaar. Blijkbaar wilde Kusej iets met de vraag: ‘hoe dood je de tijd?’. Op het eind van het stuk laat hij de vroegere verloofde van Senta de beslissende rol spelen en de Hollander en Senta doodschieten. Van de kern van Wagners dolingsfabel is dan niets meer overgebleven. Senta offert zichzelf niet, en de spookachtige ondode kan gewoon met een pistoolschot verlost worden van de vloek. Een regisseur die zo omgaat met de kern van een stuk zou met zijn handen van andermans werk af moeten blijven.</p>
<p>Een paar dagen geleden ging ik weer naar een voorstelling in de Stadsschouwburg, weer van Heijermans, en weer in de regie van Jaap Spijkers. Ditmaal was het <em>De wijze kater</em>. Zelden heb ik zo’n plezier om de tekst van een stuk gehad als bij deze opvoering. Ik was zo gegrepen door de rake ironie en de volstrekt eigentijdse politieke satire, dat ik ervan overtuigd was dat Spijkers de boel grondig naar het heden toegeschreven had. Thuis greep ik in mijn boekenkast naar de uitgave van Heijermans’ toneelwerk in de oorspronkelijke versie. Tot mijn grote verrassing bleek de tekst vrijwel letterlijk gevolgd te zijn. De regie liet Heijermans’ geestigheden in alle hoeken van het toneel zien. Camilla Siegertsz is een fabuleuze wijze kater, die als vertegenwoordiger van de hardvochtige maar tegelijk rechtlijnige natuur geen moment uit haar/zijn hilarische rol valt. De kater kent geen lieve Jean Jacques Rousseau-romantiek, maar wel de pret van de directe instincten en de machinaties die nodig zijn om daaraan toe te geven. Eten is primair en de motor van alles. Liefde is flauwekul, het gaat om seks en die moet snel genoten worden. Taal heeft geen dubbele betekenissen bij de kater en dus vat die alles letterlijk op. </p>
<p>Enkele dagen vóórdat ik met de lachtranen nog op mijn wangen uit de Stadsschouwburg kwam, zag ik <em>Les Vêpres Siciliennes </em>van Giuseppe Verdi. De Nederlandse Opera had de Duitser Christof Loy als regisseur ingehuurd. Hoewel het verhaal in de dertiende eeuw speelt, is negentiende-eeuws nationalisme eigenlijk waar alles om draait. De Fransen bezetten Sicilië, en er wordt een samenzwering tegen de Fransen beraamd. Een van de meest vechtlustige Sicilianen is Henri, die verloofd is met een Siciliaanse prinses. In een confrontatie met de Franse leider blijkt hij diens natuurlijke zoon te zijn. Dat leidt tot grote vertwijfeling bij Henri, en hij verhindert een geplande moord op zijn vader. De Sicilianen en ook zijn verloofde zien hem vervolgens als verrader. De opera eindigt in een bloedbad. Welke interpretatiemogelijkheden levert dit verhaal? Een regisseur kan, denk ik, alleen maar het nationalisme centraal stellen, en dat is ook in onze tijd een aansprekend onderwerp. Bekrompen nationalisme als oorzaak van familieveten, broedermoord, onmogelijke liefdes, moord en doodslag. Familiebanden en liefde zijn niet in staat dwaze ideologieën te overwinnen, dat is de verdrietige kern. Wat maakte Loy van Verdi’s muzikale meesterwerk? Een potpourri van visuele effecten die met geen mogelijkheid tot een visie te herleiden waren. Er waren ingenieuze filmbeelden van de zangers die langzaam verjongden tot kinderen. De verloofden bleken thuis in hun jeugd incestueuze spelletjes met stokbroden uit te halen. Te pas en te onpas viel er een rood gordijn uit de coulissen. Kortom: effectbejag buiten Verdi en zijn opera om.</p>
<p>Regisseurs mogen wat mij betreft heel ver gaan in omzettingen van stukken uit het verleden. Echt klassieke stukken laten veel interpretaties toe. Enige voorwaarde is respect voor de kale kern van de tekst. Spijkers liet in <em>De wijze kater </em>een paar personages weg, schrapte wat passages en legde Mark Rietman in zijn melancholieke koningsrol nog wat extra wijze observaties in de mond. Maar nergens had ik het gevoel dat Heijermans zelf niet welkom zou zijn geweest als toeschouwer bij de voorstelling. Dat was anders in de opera. Ik had daar het gevoel dat de directie aan Verdi en aan Wagner geen uitnodiging gestuurd had.</p>
<p>Deze column over wetenschap wordt afwisselend geschreven door de natuurkundige Robbert Dijkgraaf, de socioloog Paul Schnabel (over proefschriften), de voedingsdeskundige Martijn Katan, de neerlandicus Marita Mathijsen en de medicus Piet Borst.</p>
</div>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/09/18/de-kale-kern-van-de-klassieken/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Havelaar bij Suske en Wiske</title>
		<link>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/06/26/havelaar-bij-suske-en-wiske/</link>
		<comments>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/06/26/havelaar-bij-suske-en-wiske/#comments</comments>
		<pubDate>Fri, 25 Jun 2010 22:00:00 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Marita Mathijsen</dc:creator>
				<category><![CDATA[Uncategorized]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/06/26/havelaar-bij-suske-en-wiske/</guid>
		<description><![CDATA[Een vriend uit België had voor mij een strip uit De Standaard geknipt. De nieuwste serie van Suske en Wiske blijkt De halve Havelaar te heten en ‘het hele verhaal’ te vertellen ‘over de redding van een meesterwerk’. Behalve de bekende Lambik en zijn companen treden ook Droogstoppel, Sjaalman, Ravana en Mokka op. Ravana is [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<div>
<p>Een vriend uit België had voor mij een strip uit <em>De Standaard </em>geknipt. De nieuwste serie van Suske en Wiske blijkt <em>De halve Havelaar</em> te heten en ‘het hele verhaal’ te vertellen ‘over de redding van een meesterwerk’. Behalve de bekende Lambik en zijn companen treden ook Droogstoppel, Sjaalman, Ravana en Mokka op. Ravana is de veelkoppige en veelarmige demonenvorst uit de Hindoestaanse traditie die het kwaad belichaamt. Op de introductieprent van <em>De halve Havelaar</em> verplettert Ravana met een van zijn armen het hoofd van Mokka, die getekend is als prototype van de Indische inlander. Op de achtergrond is het koloniale paleis van Buitenzorg te herkennen en de Borobudur tempel. Er zijn pas twee tekeningen verschenen, dus ik kan nog niet raden waar dit heen gaat, maar wat hier gebeurt is natuurlijk wel fascinerend. Hebben we dit al eerder gezien, dat een roman van 150 jaar geleden verwerkt wordt in een stripverhaal? Natuurlijk heeft Dick Matena prachtige bewerkingen van <em>De avonden</em> en <em>Kort Amerikaans</em> als strip gemaakt, maar dat ligt toch weer net iets anders. De Suske en Wiske-adaptatie bewijst voor mij dat Max Havelaar voldoet aan de regels van een literair meesterwerk. Om dat duidelijk te maken ga ik naar Darwin.</p>
<p><span id="more-100"></span></p>
<p>Darwin stelt dat goed aan de natuurlijke omgeving aangepaste individuen binnen een soort meer kans hebben om te overleven en zich voort te planten dan hun zwakkere soortgenoten. Natuurlijke selectie werd een kernbegrip. Het is verleidelijk om Darwins theorie ook op de kunst te leggen, en dan speciaal op de literatuur. Hoe komt het dat <em>Othello</em> van Shakespeare en <em>Don Quichot</em> van Cervantes de eeuwen overleefd hebben, en andere teksten niet? Waarom zijn de toneelstukken van Euripides uit de Griekse klassieke tijd nog steeds ontroerend?</p>
<p> Zou er in de literatuur ook een soort principe zijn van de ‘survival of the fittest’ en wat zouden dan de kenmerken zijn van literatuur die generaties overleeft? Is er ook sprake van evolutie: veranderen de boeken door de eeuwen heen? Kan men een nieuwe adaptatie van een Shakespeare-stuk zien als een nieuwe variatie van de soort? De vragen beantwoorden zichzelf als we kijken naar historische literatuur die nog steeds actueel is. Dat zijn werken die steeds herdrukt worden door de eeuwen heen, die actueel zijn doordat er steeds naar verwezen wordt en die geregeld omgezet worden naar een ander medium, zoals de film. <em>Romeo and Juliet</em> van Shakespeare, <em>Faust</em> van Goethe, <em>Nôtre Dame de Paris</em> van Victor Hugo, daarvan zijn zelfs kinderboeken gemaakt, er wordt uit geciteerd, de personages zijn prototypisch geworden. Een literair meesterwerk overleeft doordat het zich aanpast aan de tijd en de omgeving, en doordat het sterke genen meegekregen heeft voor ‘the struggle for life’.</p>
<p>Er is nog iets wat typisch is voor een meesterwerk of voor de schrijver daarvan. Er is een herinneringscultuur omheen. Er zijn straten naar genoemd, er worden herdenkingen bij het zoveeljarig bestaan gehouden. Dat geldt dubbel en dwars voor <em>Max Havelaar</em>. Er zijn tientallen Multatuli- of Max Havelaarstraten. In Amsterdam is er een rondvaartboot en een hotel naar genoemd. Dit jaar, waarin <em>Max Havelaar</em> 150 jaar oud geworden is, waren er tentoonstellingen, er is een hertaling uitgekomen, de voormalige Amsterdamse burgemeester heeft een luisterboek ingesproken, juristen en literatoren wijdden eendrachtig een bundel aan het proces over de eigendomsrechten, in Vlaanderen is in een marathonvoorstelling de hele Max Havelaar voorgelezen. Een meesterwerk dus in Nederland en Vlaanderen, want het overleeft en het verdraagt allerlei mediawisselingen.</p>
<p>Maar geldt deze status ook voor andere landen? Verdraagt het de overplaatsing naar andere streken? Past het zich aan zoals de apen in Artis, die nauwelijks voortplantingsproblemen hebben in het koudere klimaat, terwijl andere soorten slechts moeizaam overleven, met hoge opstookkosten van hun kooien en met kunst- en vliegwerkvoortplanting?</p>
<p>Ik was dit jaar voor het eerst van mijn leven in Indonesië. Acht dagen heb ik daar in verbazing rondgelopen, althans, rondgekeken, want lopen ging nauwelijks door de hitte en het extreem drukke verkeer. Over <em>Max Havelaar</em> heb ik drie lezingen gegeven, aan universiteiten en voor het Erasmushuis, het Nederlands cultureel centrum in Jakarta, dat zijn veertigjarig bestaan vierde met een Max Havelaar-dag, alles perfect georganiseerd door medewerkers van het Erasmushuis en van de ambassade. Overleeft <em>Max Havelaar</em> in het moderne Indonesië? Slechts op heel beperkte schaal, moest ik constateren. Academische jongeren hebben het boek niet gelezen en kennen Multatuli’s naam nauwelijks. Pas in 1972 verscheen de eerste vertaling. Net als in Nederland kenden de studenten in Jakarta alleen Saidjah en Adinda. </p>
<p>Het Erasmushuis had voor ons een excursie georganiseerd naar Rankas Bitung, de hoofdplaats van het district Lebak, waar Multatuli net twee maanden lang assistent-resident was. In Rangkas Bitung lijkt het leven in anderhalve eeuw nauwelijks veranderd te zijn. Langs de oevers van de rivier lagen sloppen waar de mensen leven zonder de minste infrastructuur. We zagen een vrouw naar de rivier afdalen met onder haar ene arm vuilnis, dat ze in de rivier gooide, en onder de andere een kom rijst, die ze begon te wassen. Er waren wel een paar herinneringen aan Multatuli. Een nieuw districtsgebouw draagt zijn naam en er is een Multatulistraat. Over een gedenkteken wordt al enige jaren onderhandeld. Maar of de naam van Multatuli ook echt iets betekent voor de bewoners van die straat, betwijfel ik. De Indonesische bewoner van een koloniaal huis vond onze aandacht in elk geval niet prettig. Het meest bizarre is, dat Rangkas Bitung een gehucht van niets is, minder dan Grubbenvorst. Het is haast onvoorstelbaar dat Multatuli vanuit die vlek de boel in Nederland aan het schudden heeft gebracht. </p>
<p>In Yogyakarta werd ik na de lezing geconfronteerd met iets wat ik wel verwachtte en waar ik me ook op voorbereid had: Multatuli vertegenwoordigt het koloniale standpunt. Ik had in mijn lezing de nadruk erop gelegd dat hij mededogen had met de inlanders, als een van de eersten, en dat hij misbruik aan de orde stelde. Bovendien wees ik erop dat hij de eerste inheemse nationalisten van Indië inspireerde. Dat mededogen met de inlanders, was de kritiek, kwam toch eigenlijk van een zich verheven voelende, patriarchale ‘white man’. Hij blijft boven de inheemse bevolking staan. Ik heb geprobeerd uit te leggen dat je zijn standpunt wel in de negentiende eeuw moet plaatsen, toen er nog geen algemeen besef was dat het kolonialisme verwerpelijk is. ‘Don’t ask for a cell phone in the nineteenth century,’ was mijn verweer. Maar geheel ongelijk kan ik de critici niet geven. Natuurlijk stelde Multatuli zich als beschermer op, en daarmee alleen al nam hij een overheersersstandpunt in. De boeken van Edward Saïd over het oriëntalisme hebben wat dat betreft wel nederigheid over ons gebracht. Ik realiseerde me achteraf pas, dat het helemaal niet zo mooi is als ik erop wijs dat Multatuli invloed uitgeoefend heeft op de eerste inlandse nationalisten. Zo neem ik hen ook nog de oorsprong van hun eigen onafhankelijkheidsstrijd af. </p>
<p>In Nederland blijkt Multatuli de genen te hebben die tot ‘survival’ bijdragen. Maar in het hedendaags Indonesië hoort hij bij de krokodillen in Artis: die overleven slechts bij uiterst uitgebalanceerde zorg.</p>
</div>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/06/26/havelaar-bij-suske-en-wiske/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Voltooide gedichten?</title>
		<link>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/05/22/voltooide-gedichten/</link>
		<comments>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/05/22/voltooide-gedichten/#comments</comments>
		<pubDate>Fri, 21 May 2010 22:00:00 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Marita Mathijsen</dc:creator>
				<category><![CDATA[Uncategorized]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/05/22/voltooide-gedichten/</guid>
		<description><![CDATA[Op 16 oktober 1990 werd ik gebeld door redacteur Oscar Timmers van uitgeverij De Bezige Bij. Het was de zesde verjaardag van mijn dochtertje en ik zat midden in een kinderfeestje. Of ik de Verzamelde gedichten van Hans Faverey wilde gaan verzorgen. Ik slikte even, want dit voelde als een koninklijke onderscheiding. Daarna zei ik [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<div>
<p>Op 16 oktober 1990 werd ik gebeld door redacteur Oscar Timmers van uitgeverij De Bezige Bij. Het was de zesde verjaardag van mijn dochtertje en ik zat midden in een kinderfeestje. Of ik de Verzamelde gedichten van Hans Faverey wilde gaan verzorgen. Ik slikte even, want dit voelde als een koninklijke onderscheiding. Daarna zei ik dat ik hem terug zou bellen. De goochelaar die we voor het feestje ingehuurd hadden was onverstoorbaar doorgegaan, en de kinderen hadden de telefoon niet eens gehoord. Toch was mij op dat moment een bijzonder voorstel gedaan. Hans Faverey, die op 8 juli van dat jaar overleden was, beschouw ik als een van de grote dichters van de tweede helft van de twintigste eeuw. </p>
<p><span id="more-94"></span></p>
<p>De volgende dag belde ik terug en natuurlijk had ik besloten de uitnodiging aan te nemen. Faverey had alleen nog maar losse dichtbundels gepubliceerd, negen in totaal. Een bundeling daarvan zou echt iets moois betekenen voor de Nederlandse literatuur. Enige weken later ben ik begonnen. De opdracht was: een betrouwbare uitgave maken van alle gedichten die tot dan toe verschenen waren in bundels of los in tijdschriften. Ik ontdekte dat Faverey ongelooflijk veel versies van een gedicht schreef vóórdat hij besloot het te publiceren. Hij schrapte, veranderde, voegde toe, maar was een gedicht eenmaal gepubliceerd, dan liet hij het verder vrijwel geheel met rust.</p>
<p>Ik had in 1990 de opdracht alleen gepubliceerde gedichten te verzamelen. Maar ik zag al snel dat er nog een flinke voorraad ongepubliceerde, maar wel voltooide gedichten tussen de papieren zat. Daarnaast waren er vele vellen met versies van éénzelfde gedicht. Sommige gedichten lieten hem duidelijk niet los en toch leek hij er nooit helemaal tevreden over te worden. Op een getypte versie van het gedicht ‘Rotslandschap met scheepstakelage’, geschreven bij een ets van Hercules Segers, staat in een groot en emotioneel handschrift neergekwakt: 3 jaar aan bezig: nooit kom ik uit deze ets. </p>
<p>Op 5 februari 1993 was de presentatie van de Verzamelde gedichten. Bij veel wijn en veel hapjes kwamen Oscar Timmers en ik te spreken over wat er nog moest gebeuren. Een studie van de verschillende versies, dacht ik. Maar dat zou een gigantisch werk zijn, alleen door een heel team onderzoekers uit te voeren. Voor dat soort onderzoek bestaat er een speciaal bureau, het Huygens Instituut, waar tientallen onderzoekers zich buigen over de verschillen tussen de drukken van Willem Frederik Hermans, over de juiste versie van de gedichten van Willem Kloos en over de samenhang van Middelnederlandse Lancelotromans. Daar zou een onderzoek naar de varianten bij Faverey niet misstaan. Maar eerst, zo meende ik, zouden al die voltooide maar ongepubliceerde gedichten van hem maar eens uitgegeven moeten worden. Oscar Timmers pakte een servet van de stapel naast de gehaktballetjes en schreef daarop een contract voor de uitgave. Dat servetje bleef door mijn gedachten spoken sinds 1993. Andere zaken kregen voorrang. Maar het servetje lag er, en dat hinderde me.</p>
<p>Dit jaar besloot ik dat het servetje lang genoeg had gezwegen. Hans Faverey is nu twintig jaar dood. De bundel Verzamelde gedichten is uitverkocht, dus zou het mooi zijn een nieuwe druk daarvan te maken, met een toegevoegd gedeelte Nagelaten gedichten. Ik huurde voor zes weken een appartement in Triëst . Daar woont Faverey’s vrouw, en daar zijn ook de handschriften. Zij had al eerder een kleine selectie uit de nalatenschap uitgegeven en die zou ik nu aanvullen volgens wetenschappelijke criteria. Tegen het werk zag ik niet op. Ik heb flink wat ervaring met het editeren van handschriften, ik heb er een studieboek over geschreven. Gewoon de overgeleverde manuscripten op een grote tafel leggen dacht ik, ze nummeren, samenhang uitzoeken. Vaststellen welke al gepubliceerd werden, welke onvoltooide kladversies zijn, en welke af zijn maar om een of andere reden niet naar buiten zijn gekomen. Die laatste categorie, daar ging het me om. Maar ter plekke ondergedompeld in de handschriften bleek de praktijk heel wat ingewikkelder dan de theorie. Want hoe stel je nu eigenlijk vast of een gedicht voltooid is? Als je vijf verschillende versies van een gedicht aantreft, hoe weet je dan welke je moet kiezen? Hoe kom je achter de chronologie van de ongepubliceerden?</p>
<p>Heel naïef dacht ik dat het tamelijk eenvoudig zou zijn vast te stellen wat de laatste versie was waaraan de dichter gewerkt had. Dat een gedicht voltooid is als er geen open plekken in een regel zijn en als er duidelijk woorden doorgestreept zijn en vervangen door andere. De dichter J.H. Leopold,  bijvoorbeeld, had in veel onafgewerkte gedichten op een bepaalde plaats ruimte gelaten voor enige woorden, maar die stonden er nog niet. Of hij had een paar keuzemogelijkheden in de marge gezet, maar de keuze nog niet gemaakt. Dat zijn dus onvoltooiden. Tamelijk eenvoudig dus.</p>
<p>Maar zo zit het niet bij Hans Faverey. Ik trof in Triëst ongeveer drieduizend typoscripten en manuscripten aan, grotendeels getypt op de oude tikratelaars die de meeste lezers nog wel zullen kennen. Ik hoor het geluid nog als ik zo’n tiksel zie. Soms waren de originelen verdwenen en had ik alleen carbondoorslagen, ook al een verdwenen fenomeen. Op het tiksel staan vaak correcties in handschrift. Onder die drieduizend papieren zat nogal wat kopij, zoals die opgestuurd was naar uitgevers en tijdschriften. De afwijzingsbrieven lagen ertussen, want vooral in de beginperiode begrepen de meeste letterkundigen nog niets van Faverey’s conceptuele poëzie. </p>
<p>Drieduizend manuscripten, hoe krijg je daar vat op? Ik bladerde stapels getikte kladversies door. De dichter begon een gedicht, was er niet tevreden over, draaide het papier een stukje door, begon opnieuw, weer ontevreden, draaide het papier op zijn kop en begon weer. Daarna aan de achterkant verder. Vaak kwam ik van zo’n kladversie dan uiteindelijk een uitgewerkte versie tegen, niet gepubliceerd. Maar dan, tussen andere stapels, weer een nieuwe voltooide versie, afwijkend van de eerdere. Anders, niet beter, niet slechter, en toch voltooid. Vaak is bij Faverey niet uit te maken of het eigenlijk om een nieuw gedicht gaat of om een nieuwe versie. Soms schrijft Faverey in verschillende sessies het anekdotische uit een gedicht tot hij een volledig geabstraheerde versie heeft. Ik trof drie aangrijpende gedichten over een zelfmoord van een kennis aan, die hij in de Verzamelde gedichten gecomprimeerd heeft tot één afstandelijk gedicht. Wat daarmee te doen? Zijn dit onvoltooide eerdere versies van het gedicht ‘Zich het hoofd van de romp’, of zijn het zelfstandige, voltooide, ongepubliceerde gedichten?</p>
<p>Het grote probleem is: wat is nu eigenlijk voltooid? De auteur zelf kan ik niet raadplegen. Bovendien houdt een editeur geen rekening met de auteurswil: dan zou Kafka’s werk niet gepubliceerd zijn, dan zouden er nooit brievenedities verschijnen. Ik heb gewikt en gewogen, en weeg en wik nog steeds. Over ongeveer tweehonderd van de 464 ongepubliceerde gedichten ben ik nu vrij zeker dat ze als voltooid kunnen gelden. Vandaag althans. Al mijn kennis van de editietheorie zakt echter in het niet bij een onvoltooid gedicht dat ik ook aantrof en niet in de nalatenschapseditie op ga nemen: </p>
<p>De opdracht aan de poëzie </p>
<p>is zelfbewustzijn, trots </p>
<p>en waardigheid </p>
<p>aan de taal terug te geven.  </p>
</div>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/05/22/voltooide-gedichten/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Nonnenopvoeding</title>
		<link>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/04/17/nonnenopvoeding/</link>
		<comments>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/04/17/nonnenopvoeding/#comments</comments>
		<pubDate>Fri, 16 Apr 2010 22:00:00 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Marita Mathijsen</dc:creator>
				<category><![CDATA[Uncategorized]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/04/17/nonnenopvoeding/</guid>
		<description><![CDATA[Van mijn derde tot mijn achttiende ben ik door nonnen opgevoed. Tot mijn zesde mocht ik met jongens in de klas zitten, daarna niet meer. Vanaf mijn zesde werd ik dus geacht een verkeerd gevoel voor jongens te kunnen hebben. Dat werd je dan ook ingepeperd alsof de lucht van jongens inademen alleen al tot [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<div>
<p>Van mijn derde tot mijn achttiende ben ik door nonnen opgevoed. Tot mijn zesde mocht ik met jongens in de klas zitten, daarna niet meer. Vanaf mijn zesde werd ik dus geacht een verkeerd gevoel voor jongens te kunnen hebben. Dat werd je dan ook ingepeperd alsof de lucht van jongens inademen alleen al tot zondigheid zou kunnen leiden. Ik weet niet meer precies wat de zeven hoofdzonden inhielden, maar voor de nonnen die mij opvoedden hoorde omgang met jongens daar in elk geval bij. Ik heb in die nonnenopvoeding nooit iets meegekregen over het aangename van seksualiteit. Dat seksualiteit plezier kan inhouden, dat lichamelijke vereniging een bezegeling van iets moois kan zijn, dat opwinding een capaciteit van de mens is die tot een hogere bewustwording kan leiden, dat heb ik allemaal zelf moeten ontdekken toen ik eenmaal het geloof vaarwel zei en naar Amsterdam vertrok, in de late jaren zestig. Kort geleden zag ik op televisie een documentaire over een orthodox-joodse moeder die haar dochter voorbereidde op het huwelijk. Ze gingen samen naar het badhuis. De moeder vertelde de dochter dat seks prettig was als je die goed voorbereidde. Je schoon wassen hoorde bij de voorbereiding op een goede vrijpartij. Dat deze omgang met de seksualiteit binnen een orthodoxe religie voorkomt, was volkomen onbekend voor mij.</p>
<p><span id="more-89"></span></p>
<p>Ik heb alleen maar meegekregen dat seksualiteit dierlijk was en dus verkeerd. Het werd geassocieerd met viezigheid en als er al iets zinderde, dan moest dat vooral heel stiekem gebeuren. De lusten moesten uit het lichaam, of het nu vraatzucht of geilheid was. Dus moest er gevast worden en kindertjes mochten in de vastentijd niet snoepen. Vrijdags moest men ‘zich onthouden’ van vlees. Pas later ben ik me gaan afvragen of dit op twee manieren letterlijk bedoeld moest zijn: geen vlees eten en het huwelijk niet consummeren. Was op vrijdag en in de vastentijd de liefdesdaad verboden bij katholieken of interpreteer ik nu te literair? Hoe dan ook, het lichaam deugde niet, het was slechts een lastige verpakking voor de geest, en vooral het lichaam was gevoelig voor invloed van Satan. </p>
<p>Hoe werden wij daarvoor gewaarschuwd? Nooit rechtstreeks. Ik kende de erecties van mijn kleine broertjes, maar die bracht ik alleen maar in verband met de warmte van een bed. Als ik mijn broertjes ’s avonds laat wakker moest maken om ze te laten plassen, zodat het bed droog bleef – dit speelt zich af vóór de tijd van de papieren luier – dan hadden ze vaak een erectie. Dat was lastig bij het plassen, dus hield ik de koude rand van de ijzeren pispot tegen hun piemeltje, dat dan meteen kromp. Ik wist niet beter of dat stijve piemeltje kwam van het warme bed. Dat een erectie iets met seksualiteit te maken had, wist ik toen niet, en kreeg ik ook niet te horen.  </p>
<p>Op het Roermondse Ursulinenlyceum waar ik na de lagere school heen ging, kreeg ik van de kostschoolvriendinnen uitgebreide verhalen over de taboes op het internaat. De meisjes moesten met hun handen boven het laken in slaap vallen. Ze gingen zaterdags in een bad waarvan de nonnen het water met poudre de pudeur ondoorzichtig gemaakt hadden, zodat voorkomen werd dat de meisjes hun eigen lichaam zagen. Er waren geen spiegels waarin de meisjes zichzelf in vol ornaat konden bekijken. BH’s mochten niet naar voren steken, zoals die van Brigitte Bardot. Toen badpakken in de mode kwamen met plastic cups zo puntig als trechters, knipten de nonnen de cups eruit, niet beseffend dat daardoor in de badpakken de tepeltjes van de meisjes mooi zichtbaar werden. Bloesjes zonder mouwen waren verboden, en broeken ook, omdat die te veel zouden verraden van de vrouwelijke vormen.</p>
<p>Ik heb geen verhalen over seksueel misbruik door nonnen of paters gehoord. Wel fantaseerden we zelf heel wat bij elkaar. Er was op school een rector die bepaald een adonis was. Er was ook een heel jonge non, mère G. We fantaseerden dat mère G. onder haar habijt geen onderbroek aanhad en dat ze uitgleed voor de voeten van de rector, die haar vervolgens leerde hoe je echt moest uitglijden. We fantaseerden over nonnen die het met elkaar deden. En we fantaseerden over jaloezie tussen de jonge mère en de oudere rectrix, die beiden verliefd zouden zijn op de rector en in een fikse ruzie mekaar de kappen van de kop rukten. </p>
<p>Ondanks de seksuele taboes tel ik de zegeningen van de nonnenopvoeding, op het lyceum althans. In mijn dorp was ik de enige geweest die liever boeken las dan buiten speelde. Bij de Ursulinen ontmoette ik eindelijk geestverwante meisjes en nonnen tegen wie ik op kon kijken.  Mère C. rookte een pijp en gebruikte krachttermen. De rectrix kon lachen als een cafébaas. Zij kwam uit Amsterdam en was uitgesproken tolerant voor die tijd. Zij liet oogluikend toe dat leraren Nederlands het lezen van Mulisch, Wolkers en Reve aanmoedigden. Onder haar leiding was er een uitmuntend docentencorps samengesteld. Ze kwamen van de Leidse en Nijmeegse universiteiten, er waren diverse gepromoveerden onder en schrijvers van schoolboeken. Les krijgen was er spannend. In de gymzaal traden gezelschappen uit de Randstad op met toneelstukken van Beckett en Ionesco. De leraren lieten ons kennismaken met de Duitse Romantiek, maar ook met Peter Weiss. Met Molière en de Nouveau Roman. Ik leerde er Shakespeare kennen en waarderen. De Franse leraar verbood Sartre en Camus op de literatuurlijst, maar sprak er zo fascinerend over dat onze nieuwsgierigheid gewekt werd en we die schrijvers bij de plaatselijke geavanceerde boekwinkel aanschaften. De leraar geschiedenis wist zo prachtig over de Franse Revolutie te praten dat we allemaal revolutionairen wilden worden. Nieuwsgierigheid, leergierigheid, zelfstandigheid werden gestimuleerd. Er werd niet gauw gezegd: ‘daar ben je nog te jong voor.’ Probeer het maar, te hoog gegrepen is beter dan te dicht bij de grond gebleven. </p>
<p>Het was ook zeker niet zo dat we opgeleid werden om een goed huwelijk te sluiten. De nonnen verwachtten dat we na het lyceum een beroepsopleiding zouden volgen. Ze waren zelf wat dat betreft rolmodellen, want ze hadden een academische opleiding gehad en ze bestuurden een groot lyceum. Over trouwen en het moederschap als eigenlijke taak van de vrouw hoorden we ze niet. Terwijl er op dat moment nog vrijwel niemand van de meisjes een werkende moeder had, leidden de nonnen wel op voor een beroepsleven. Universiteit en hogeschool waren een normaal vervolgtraject, en meisjes die direct na hun eindexamen een beroepsopleiding als verpleegster, secretaresse of laborante wilden volgen, werden eigenlijk niet vol voor aangezien. </p>
<p>Natuurlijk waren de nonnen gebonden aan bisschoppelijke voorschriften en pauselijk gezag. Maar het leek wel alsof zij bewust over de band speelden. Door progressieve leraren aan te stellen konden ze zelf buiten schot blijven. Via de leraren gaven ze de meisjes een brede en moderne culturele kennis mee. En die gebrekkige scholing in de seks, ach, die haalden we vanzelf wel in.</p>
</div>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/04/17/nonnenopvoeding/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>2</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Dode Schrijvers-boekenbal</title>
		<link>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/03/13/dode-schrijvers-boekenbal/</link>
		<comments>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/03/13/dode-schrijvers-boekenbal/#comments</comments>
		<pubDate>Fri, 12 Mar 2010 23:00:00 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Marita Mathijsen</dc:creator>
				<category><![CDATA[Uncategorized]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/03/13/dode-schrijvers-boekenbal/</guid>
		<description><![CDATA[Zou er eens een Boekenweek ingesteld kunnen worden voor dode schrijvers? De CPNB is in 2006 begonnen met dat aardige initiatief van gratis boeken in oktober, te verkrijgen bij de Openbare Leeszalen. Van de vier boeken die tot nu toe aangeboden zijn, was er één van een dode schrijver. De andere titels hadden wel een [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<div>
<p>Zou er eens een Boekenweek ingesteld kunnen worden voor dode schrijvers? De CPNB is in 2006 begonnen met dat aardige initiatief van gratis boeken in oktober, te verkrijgen bij de Openbare Leeszalen. Van de vier boeken die tot nu toe aangeboden zijn, was er één van een dode schrijver. De andere titels hadden wel een klassieke status. Voor het komend jaar is de keuze heel verrassend op <em>De grote zaal </em>van Jacoba van Velde gevallen. Het moet een poging zijn om haar postuum nog in de canon te krijgen.</p>
<p><span id="more-69"></span></p>
<p>Dit jaar is het thema van de boekenweek <em>Titaantjes. Opgroeien in de letteren. </em>Voor Adriaan van Dis op het boekenbal aanleiding om spectaculair te demonstreren hoe Indisch hij gesproken zou hebben als hij Bordewijk’s <em>Karakter</em> niet had gelezen en hoe je Vondel kunt rappen. Ramsey Nasr droeg een lange ode aan de Tachtigers en Negentigers van de negentiende eeuw voor. Wat mij betreft had zo’n boekenweek helemaal aan dode schrijvers gewijd mogen zijn. Daarmee kun je nog veel meer kanten op dan met levende schrijvers. Het zijn er ook meer. Het geschenk zou in elk geval een onuitgegeven manuscript van een grote dode moeten zijn. Iets wat W.F. Hermans nog achtergehouden heeft, of een vergeten jeugdwerk van Jan Wolkers. De decoraties van het boekenbal zouden vitrines zijn in de vorm van doodskisten met een glazen deksel, waarin een wassen pop van de betreffende schrijver. Aan de binnenkant van de kist manuscripten en informatie. Hier en daar loopt een verklede acteur die vragen van rondlopende gasten beantwoordt. Misschien interviewt Van Dis ze. Het valt toch al op hoeveel Halina Reijn lijkt op Carry van Bruggen. Pierre Bokma valt om te schminken tot een oudere Willem Kloos. En heeft Derek de Lindt niet de edele gelaatstrekken van Joost van den Vondel? Het openingsprogramma van het bal geef ik in handen van Hans Teeuwen, die weet wel hoe hij afwezige schrijvers uit hun vel kan laten springen. </p>
<p>Ik kan me ook voorstellen dat er wat onderzoek aan die boekenweek voorafgaat. Zo vraag ik me al tijden af wat nu de meest voorkomende doodsoorzaak is bij schrijvers. Gaan ze meestal aan kanker dood of aan zelfmoord? Dood door verwaarlozing van de gezondheid of vroegtijdig overlijden door drank beschouw ik daarbij als een vorm van zelfmoord. François HaverSchmidt of Johnny van Doorn, geen verschil, al stierf de laatste uiteindelijk aan kanker. Dus voor de Boekenweek van Dode Schrijvers wil ik een statistiek van doodsoorzaken en gemiddelde leeftijden zien. Nog zo’n punt: gaat de gemiddelde schrijver gemiddeld langer of korter mee dan de gemiddelde Nederlander? Het lijkt me wel belangrijk om te weten, want er zijn tegenwoordig zoveel mensen die ambiëren schrijver te worden, dat ze wel ernstig gewaarschuwd moeten worden mocht de gemiddelde leeftijd inderdaad lager liggen. Ook trouwens als die hoger zou liggen, want heel veel mensen willen helemaal niet zo oud worden. Dus de CPNB moet voor die boekenweek nog wat subsidie regelen voor onderzoek. Of zou het handiger zijn er een enquêtebureau in te schakelen? Nabestaanden van schrijvers ondervragen hoe gelukkig opa bij leven was? Maar zouden de achterkleinkinderen van Multatuli weten of hij wel of niet een tevreden mens was? Je hebt toch erg veel kans dat de beeldvorming de feiten verdoezelt. We weten allemaal uit <em>Max Havelaar</em> dat Multatuli een gekweld mens was, en het zou diens imago ernstig schade doen als naar buiten zou komen dat hij eigenlijk een gepassioneerd tuinier was die geen groter plezier kende dan het zelf opbinden van komkommerplanten.</p>
<p>Nu ik zo’n boekenweek aan het ontwerpen ben, realiseer ik me dat het vernieuwde Letterkundig Museum eigenlijk al aardig in de buurt komt van wat ik zou beogen. </p>
<p>Natuurlijk is het museumgebouw zelf een aanfluiting. Je zou de God van Nederland willen smeken of hij een betonrotplaag op dat gebouw zou willen uitstorten, zodat de collectie behouden bleef maar het gebouw zelf onherstelbaar weggevreten zou worden. En dan op zoek naar een historisch gebouw dat geen functie meer heeft en dat ombouwen tot mooi museum. Een kerk, het paleis op de Dam, een oud ziekenhuis, een oude bank, de Gothische zaal van Willem II, er is vast wel het een en ander in de aanbieding. Het mooiste zou natuurlijk het Museumplein in Amsterdam zijn. Kunnen de ANWB of het Amerikaans consulaat ergens anders heen? De voormalige Boerhaavekliniek? Het Stadsarchief van Amsterdam heeft een vorstelijke allure gekregen door het gebouw waar het nu in zit. Zo’n gebouw zou je het Letterkundig Museum ook toewensen. Je kunt ook een toparchitect aanstellen die een geheel nieuw grandioos gebouw neerzet. </p>
<p>Maar nu de nieuwe tentoonstelling. Het is verduiveld moeilijk om een evenwicht te vinden. Dat wat ik in de Huizingalezing ‘historische sensatiezucht’ genoemd heb, ligt erg op de loer bij het toegankelijk maken van de historie. Als een plannenmaker eenmaal aan het fantaseren gaat over nieuwe technieken, kom je algauw bij een bewegend en driedimensionaal Madame Tussaud uit. </p>
<p>Wanneer ga je over de schreef als je populariseert, wanneer blijf je binnen de broze grenzen van de creatieve historische verbeelding? De tv-serie <em>De troon</em> gaat op een barbaarse en vulgaire manier over de grenzen heen. Regisseur Erik de Bruyn en scenarioschrijver Ger Beukenkamp hebben lak aan de historie en misbruiken die om sensationeel te kunnen zijn. ‘Geschiedenis is liegen’, zegt Beukenkamp in een interview. Daarin heeft hij gelijk als het om visuele details en ideeëninterpretaties gaat, maar niet wat de feiten betreft. Een manipulatie daarvan is gevaarlijk, omdat die zich in het collectieve geheugen vast kan zetten. Het beeld dat zij geven over het ontstaan van België, waarbij de Duitser Leopold von Sachsen Coburg, jaren voordat hij kon denken aan een koninkrijk, neergezet wordt als een politieke en amoureuze en bovendien alvast Vlaamse rivaal van Willem II, is lachwekkend. Tegelijkertijd heeft die verdraaiing iets aantrekkelijk hijgerigs, waardoor die zich makkelijk laat verkopen. <em>De troon</em> is een valse poging tot het openen van het verleden. Het nieuwe Nationale Museum wacht ik met spanning af – de stilte die er nu omheen heerst is eigenlijk tamelijk veelbelovend. </p>
<p>Het Letterkundig Museum heeft wat mij betreft een evenwicht gevonden.</p>
<p>Je kunt je er op een boekenbal wanen in de portrettengalerij. Wandel er doorheen, zie de verschillende uitdossingen van schrijvers, bont van kleur, gedistingeerd zwart of historisch bruin. Sommige schrijvers kijken je brutaal aan en lijken je een knipoog te geven, andere kijken autistisch in zichzelf of blikken weg. Het is alsof je de trappen van de Amsterdamse stadsschouwburg op en af gaat, verschillende schrijvers herkent en zoent, bij andere je afvraagt: wie was dit ook alweer, en soms ook je hoofd even afwendt omdat er nog een akkefietje openstaat. Maar de echte verdienste van de tentoonstelling zijn de vier kernen (wording, ophef, stijl &amp; objecten). Honderd schrijvers hebben ook een apart kijkscherm met geluid gekregen, waarin beelden van hun leven en hun werk, door henzelf of door acteurs voorgelezen fragmenten uit hun werk,  filmbeelden, soms cartoons, soms spotprenten, en altijd informatief en pittig. </p>
<p>De tentoonstelling begint met de wording van de literaire tekst. Aan de wand schrijft Vestdijk het begin van <em>Terug tot Ina Damman</em>, dat gaat daarna over in typen en in de vitrine is de uiteindelijke gedrukte tekst zichtbaar. Magnifiek is de ruimte waarin literaire opstootjes verbeeld worden. De vitrines bestaat uit laatjes die opengaan in volgorde van het schandaal. De ophef rond <em>Mandarijnen op zwavelzuur </em>van W.F. Hermans, bijvoorbeeld, is van het begin tot het eind te volgen, en steeds opent een nieuw laadje met een boze reactie, een pamflet of spotprent. In een ruimte zijn de parafernalia van het schrijverschap bij elkaar gezet: de dodenmaskers, de haarstukjes, de pennen, de reisbroek, de stofzuiger. Iedereen die geen kaartje voor het boekenbal heeft kunnen krijgen, kan ik aanraden naar het nieuwe Letterkundig Museum te gaan: een boekenbal voor dode schrijvers.</p>
</div>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/03/13/dode-schrijvers-boekenbal/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>1</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Batava Drooglip</title>
		<link>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/02/06/batava-drooglip/</link>
		<comments>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/02/06/batava-drooglip/#comments</comments>
		<pubDate>Fri, 05 Feb 2010 23:00:00 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Marita Mathijsen</dc:creator>
				<category><![CDATA[Uncategorized]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/02/06/batava-drooglip/</guid>
		<description><![CDATA[Worden ze nog gemaakt, de Droogstoppels? Ik dacht het wel, maar tegenwoordig zijn het vooral vrouwen die op Batavus Droogstoppel lijken. Ze zouden een andere naam moeten krijgen, maar er is voor zover ik weet in de Nederlandse literatuur geen vrouwelijke pendant met een karakteristieke naam te vinden. De moeder van Frits van Egters heeft [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<div>
<p>Worden ze nog gemaakt, de Droogstoppels? Ik dacht het wel, maar tegenwoordig zijn het vooral vrouwen die op Batavus Droogstoppel lijken. Ze zouden een andere naam moeten krijgen, maar er is voor zover ik weet in de Nederlandse literatuur geen vrouwelijke pendant met een karakteristieke naam te vinden. De moeder van Frits van Egters heeft wel wat droogstoppeligs, evenals de tante bij wie Saartje Burgerhart inwoont, en ook de zus van Eline Vere is zo’n bekrompen vrouw voor wie elke fantasie een aantasting van haar wereldbeeld is, maar een echte keiharde Batava Drooglip hebben we niet.</p>
<p><span id="more-64"></span></p>
<p>Het verschijnsel zelf is wel aan het toenemen, is mijn indruk. Agnes Kant bijvoorbeeld, met haar opmerking onlangs toen Balkenende gekapitteld werd over het rapport van de commissie-Davids over Irak. Voordat ze ging slapen wilde ze toch echt eerst weten of er dan nog een regering was. Al haar politieke uitlatingen getuigen van een fantasieloze economische preoccupatie, hoe menslievend ze ook bedoeld mogen zijn. Dat laatste heeft ze dan niet met Droogstoppel gemeen, maar haar rechttoe-rechtaan-redeneringen wel degelijk. </p>
<p>Of lees eens uitspraken van Agnes Jongerius, die regelrecht uit de mond van Batavus konden komen: ‘We hebben maar één leven en het is zaak om daar zo fatsoenlijk mogelijk mee om te gaan. Om te beginnen is het belangrijk dat we elkaar goedemorgen en goedemiddag wensen, dat helpt absoluut.[…]. Voor mij staat fatsoen ook voor het oog hebben voor de ander […]. Deugdzaamheid hangt voor mij dus sterk samen met rechtvaardigheid.’ Deugdzaamheid en fatsoen: daar had Batavus ook de mond van vol. </p>
<p>Nog een voorbeeld van een nieuwe Batava Drooglip: Clairy Polak. In een interview werd haar gevraagd of  televisie leuker was dan ze had gedacht en daarop antwoordde ze: ‘Nee, televisie is precies zoals ik had gedacht. Het is erg op het beeld gericht.’ En wat denkt u van Gerda Verburg die bij de bestrijding van de boktor zegt: ‘wij houden de vinger aan de pols’.</p>
<p>Droogstoppel houdt niet van literatuur. Daarom heeft hij ook lang geaarzeld voordat hij besloot een boek over koffie te gaan schrijven. ‘Het is myn gewoonte niet, romans te schryven, of zulke dingen, en het heeft dan ook lang geduurd, voor ik er toe overging een paar riem papier extra te bestellen, en het werk aantevangen, dat gy, lieve lezer, zoo-even in de hand hebt genomen, en dat ge lezen moet als ge makelaar in koffi zyt, of als ge wat anders zyt.’ Zo luidt de tweede zin van het boek. Droogstoppel schrijft geen romans of zulke dingen. Enerzijds doet hij alsof schrijven van een roman een gewoonte kan zijn, zoiets als neuspeuteren, iets makkelijks. Anderzijds zet hij de roman meteen in een kwaad daglicht, door de toevoeging ‘of zulke dingen’. </p>
<p>En wat doet een makelaar in koffie die een roman gaat schrijven? Hij bestelt papier. Geen gezeur over schema’s, stijl of de opbouw van de plot: het materiële papier is van hoger belang. In het vervolg wordt duidelijk waarom hij romans niet hoog heeft zitten. In romans word je opgelicht. De romanschrijver vertelt dingen die nooit gebeurd zijn. Voor Droogstoppel geldt: ‘waarheid en gezond verstand.’ Hij leest gedichten alsof ze letterlijk gelezen moeten worden. Als de kinderdichter Hieronymus van Alphen schrijft: ‘Hoe dankbaar is mijn kleine hond / Voor beentjes en wat brood’, is het commentaar van Droogstoppel dat hij geen dankbare hond heeft, hij heeft zelfs helemaal geen hond, omdat die zo onzindelijk zijn. Hij heeft niets tegen verzen, maar je moet niet iets zeggen wat niet waar is. Vanwege het rijm zegt de dichter: ‘De lucht is guur, en ’t is vier uur,’ ook al is het eigenlijk kwart voor drie. Om te rijmen moet de dichter liegen. </p>
<p>Multatuli laat de karikaturale Batavus Droogstoppel een uiterst platte literatuuropvatting verkondigen die alleen maar te maken heeft met de vraag: ‘klopt het wel wat de schrijver zegt?’ En omdat romans en gedichten meestal niet overeenkomen met de werkelijke plaats en tijd, deugen ze niet. Literatuur is leugen. Dat komt herhaaldelijk terug in het boek: bijvoorbeeld wanneer Droogstoppel het lied van Heine analyseert dat de jonge romantische Duitser Stern aan Droogstoppels dochter Marie voorgedragen heeft: ‘Auf Flügeln des Gesanges, Herzliebchen trag ich dich fort’. Droogstoppel wijst er Stern op dat hij helemaal geen vleugels heeft, laat hij maar eens met zijn Herzliebchen over de Lauriergracht zien te komen, die niet eens heel breed is. In de literatuur, zo zegt Droogstoppel ook, wordt deugd beloond. Maar in de maatschappij kan dat niet. Zo heeft hij een prima pakhuisknecht gehad, Lukas. Nu is hij oud en jichtig, dus kan Batavus hem niet meer helpen.</p>
<p>De truc van Multatuli met deze Droogstoppel is, dat de lezer gedwongen wordt een keuze te maken, al direct in het begin. Gaat hij mee met de kritiek van Droogstoppel, dan is hij even stoffig en fantasieloos als deze; als hij niet meegaat, dan kiest hij nog vóór het optreden van Max Havelaar voor de literatuur en voor de hoofdpersoon.</p>
<p>Met Droogstoppel voert Multatuli een Umwertung aller Werte uit. De kampioen van de antiverbeelding en de eendimensionaliteit besluit een roman te gaan schrijven, omdat hij vreest dat de hele koffiemarkt bedreigd wordt. Daar heeft hij zelf geen tijd voor, dus besluit hij een ghostwriter aan te stellen. De stagiair Ernest Stern krijgt de opdracht het boek van Droogstoppel te schrijven, zoon Frits zal er de spelfouten uithalen, dochter Marie schrijft het netjes over en Droogstoppel zelf houdt alles in de gaten. Maar zijn woorden verraden al welke kant het op zal gaan: ‘Ge ziet, de verkeerde wereld was in myn huis’ schrijft hij naar aanleiding van een vertaling die Stern gemaakt heeft. </p>
<p>Kan het ook anders: iemand die niets in literatuur ziet, geeft onder zijn eigen naam een boek uit dat eigenlijk door een dwepende romanticus geschreven wordt. Natuurlijk is Batavus ontevreden over het werk van Stern als deze eenmaal aan het schrijven is en hoofdstukken voordraagt: ‘Ik had op koffi gehoopt, en hy gaf ons… ja, de hemel weet, wàt!’, roept hij uit.</p>
<p>Op den duur ziet Droogstoppel iedereen in zijn omgeving veranderen. Frits stelt kritische vragen aan de dominee, zijn dochter komt zonder korset aan het ontbijt en zelfs zijn vrouw moet lachen als Frits bijbelkritiek levert. Alleen Droogstoppel blijft zichzelf. Aan hem zijn de zielige verhalen over de inlanders die van hun buffels beroofd worden niet besteed: ‘En dan dat gemaal over die buffels! Wat hoeven ze buffels te hebben, die zwarten? Ik heb nog nooit een buffel gehad, en toch ben ik tevreden. Er zyn menschen die altyd klagen.’ </p>
<p>Wat moet het leven makkelijk zijn als je denkt zoals Droogstoppel. Batavus Droogstoppel heeft geen last van dromen, geen last van twijfel, niet van inleving, mededogen, bekommernis. Alleen maar die nuchterheid. Zo nuchter als een stuk Hollandse kaas, zo plat als een Hollandse polder. Aan het eind van het boek laat Multatuli dit product van vuile geldzucht en godslasterlijke femelarij stikken in zijn eigen koffie. Droogstoppel verdwijnt op bevel van de schrijver – maar verdwijnt hij echt? Een meesterlijker portret van de Hollandse mentaliteit is er nooit geschreven – en ze bestaan nog steeds, de Batavus Droogstoppels en Batava Drooglips. Niet alleen de Agnessen, niet alleen in de politiek, ze zijn er ook onder allerlei mannen en vrouwen, onder bestuurders en ambtenaren, onder predikanten en zorgverleners. Die mengeling van hypocrisie, geldzucht, machtsbelustheid en regelzucht, ik zou er een bonus op willen zetten om de voorbeelden van ú te horen. </p>
<p>Toespraak bij gelegenheid van de opening van de tentoonstelling: ‘Het is geen roman, ’t is een aanklacht!’ <em>150</em> jaar Max Havelaar, Bijzondere Collecties, Universiteit van Amsterdam.</p>
</div>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/02/06/batava-drooglip/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Een keten van menselijkheid</title>
		<link>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/01/02/een-keten-van-menselijkheid/</link>
		<comments>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/01/02/een-keten-van-menselijkheid/#comments</comments>
		<pubDate>Fri, 01 Jan 2010 23:00:00 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Marita Mathijsen</dc:creator>
				<category><![CDATA[Uncategorized]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/01/02/een-keten-van-menselijkheid/</guid>
		<description><![CDATA[Maar een paar keer per dag gaat het fout. Dan word je gesneden door een auto, kruipt er iemand voor bij de bakker of trap je in een ranzige hondendrol midden op de stoep. Je concept van het beschavingsniveau van Nederland daalt enige decimeters, tot je weer de tram in geholpen wordt met je koffer, [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<div>
<p>Maar een paar keer per dag gaat het fout. Dan word je gesneden door een auto, kruipt er iemand voor bij de bakker of trap je in een ranzige hondendrol midden op de stoep. Je concept van het beschavingsniveau van Nederland daalt enige decimeters, tot je weer de tram in geholpen wordt met je koffer, iemand je narent met je vergeten paraplu en je een student een omgevallen fiets ziet rechtzetten. Hoe is het in godsnaam mogelijk dat er zoveel mensen zo dicht bij elkaar kunnen wonen zonder dat er voortdurend afbekkerij, terrein veroveren, geduw, gescheld, geweld aan de hand is? Aan de godsdienst kan het niet meer liggen. Dat was een mooie tijd, toen die heel duidelijk de regels aangaf waaraan je je diende te houden: hulpvaardigheid, liefdadigheid, medemenselijkheid, barmhartigheid. Al die deugden die maken dat mismaakten niet in kooien opgesloten worden en als kermisattracties tentoongesteld, dat misdeelden een uitkering kunnen krijgen, dat dementen een menswaardige oude dag kunnen houden. Niet dat de godsdienst in dat opzicht altijd een mooie rol gespeeld heeft. De slavernij bijvoorbeeld, die op initiatief van christenen is afgeschaft, bloeide in een tijd dat heel Europa door en door christelijk was. Maar goed: toen de mensheid nog geloofde, kon je met de bijbel of een ander heilig boek in de hand de regels voor de samenleving vaststellen. De tien geboden en het eigen geweten maakten dat er een consensus was over de moraal.</p>
<p><span id="more-50"></span></p>
<p>Waar kunnen we ons nu nog aan vasthouden om niet in een gehaktmolen van agressie terecht te komen? Wie stelt de regels van menselijkheid vast? Het koningshuis? Laat me niet lachen! Schuinsmarcheerders, slimme belastingontduikers, boomkussers, gemaskerde alcoholisten, daar kan geen voorbeeldwerking van uitgaan. De regering? Balkenende? Iemand die het Catshuis zijn verleden afpakt en een Jan-des-Bouvrie interieur aanbrengt? Iemand die Mabel Wisse Smit een leugentje om bestwil aanrekent en zelf de waarheid verdoezelt over zijn Brusselse aspiraties? Wie of wat is dan de autoriteit waaraan we ons eigen gedrag moeten meten? De rechtspraak? Die vrouwenhandelaars laat ontsnappen? Die verkeerde daders jarenlang opsluit? Maar bij wie moeten we dan in godsnaam terecht voor ons geweten, als God niet meer bestaat? Zijn we het zelf? Hoe zit het dan met het geweten van motorrijders die het leven van anderen in gevaar brengen, hoe met tasjesrovers en straatmeubilairvernielers in Amsterdam-West? Dat zijn dan nog naar verhouding kleine misdadigers, met wie we allemaal wel eens geconfronteerd worden, maar hoe moet ik me het geweten voorstellen van mensen die ik alleen maar ken uit de media, zelfmoordterroristen, opiumhandelaars? Harry Mulisch zei eens dat er maar één regel is voor de samenleving: “wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet”. Een gulden regel, die in veel godsdiensten en filosofieën voorkomt, maar geeft die voldoende houvast? Kun je volhouden in complexe kwesties als euthanasie of geboortemanipulatie: ik wil niet dat dit mij overkomt, dus zorg ik dat het ook een ander niet gebeurt? Ik wil zelf onder geen beding naar dokter Antinori in Italië (een goed wijnhuis overigens) voor een laat zusje voor mijn dochter – maar moet ik het dan mijn buurvrouw van zestig verbieden? </p>
<p>Denk niet dat ik antwoorden heb op deze vragen. Ik weet alleen zeker dat de literatuur een beetje hulp hierbij kan bieden. Niet dat er in de literatuur staat hoe je je hoort te gedragen in een overvolle wereld met voortdurend veranderende infrastructuren. Literatuur is geen ethiekmachine. Je krijgt geen oplossingen aangereikt voor de moraal van het internet, voor gedragscodes bij een toevloed van vreemdelingen, voor je zelfbehoud in een massameeting. Maar wat de literatuur wel doet is vragen stellen. Ze dwingt je om positie te kiezen in die grenzenloze maatschappij waarin we terechtgekomen zijn. Zij duwt je met de neus op kwesties als euthanasie, klonen, allochtonen, vluchtelingen, opvoedingseisen, dierenmishandeling, autoriteitsontkenning. Adriaan van Dis beschrijft in <em>De wandelaar</em> de randen van de Parijse maatschappij met zwervers, vluchtelingen, allochtonen, die elkaar naar het leven staan en toch is er een keten van menselijkheid. Stefan Brijs laat in <em>De engelenmaker</em> een autistische arts zijn gang gaan met het klonen van leven. Arnon Grunberg stelt de onnatuurlijke verhouding die sommige ouders met hun kinderen hebben in <em>Tirza</em> aan de orde. In <em>De asielzoeker</em> gaat het over gewetenloosheid van een doorgedraaide maatschappij. Herman Kochs populaire <em>Het diner</em> is een meedogenloze portrettering van moderne ouders die hoe dan ook altijd hun kinderen beschermen. Charlotte Mutsaers dwingt je in <em>Koetsier Herfst</em> de dierenmishandeling te ondergaan die zo gewoon is ten behoeve van de consumptie. Het zijn allemaal recente boeken die je aan het denken zetten en je dwingen een eigen positie te bepalen in gewetenskwesties. </p>
<p>Dit betekent nog niet dat literatuur nu de nieuwe godsdienst is. Ze is alleen wel cruciaal voor het nadenken over ethische vragen en voor het afpellen van schellen die voor de ogen zitten. Ikzelf ben ervan overtuigd dat er over een eeuw met schande over de twintigste en eenentwintigste eeuw gesproken zal worden, vanwege de omgang met dieren, die stelselmatig opgefokt werden als industriële producten om vervolgens massaal afgeslacht en verwerkt te worden voor consumptie. Of voor de ruimoven, als er via het dier een kleine kans was op overdracht van een virus. De bio-industrie zal middeleeuws genoemd gaan worden, en op de lijst komen te staan van overwonnen onbeschaafdheden als slavernij, kinderarbeid, de doodstraf. Maar dit inzicht is nog niet algemeen. Literatuur kan daarbij helpen – door het probleem uit te vergroten en extreem te maken, zoals Mutsaers inderdaad doet in haar laatste boek. De wetenschap helpt daarbij doordat zij steeds meer ontdekt over de intelligentie en sociale vaardigheden van dieren, maar daar tegenover staat de wetenschap die de bio-industrie steeds verder perfectioneert. Ook in het verleden heeft de literatuur keer op keer geholpen bij de bewustmaking van morele dilemma’s. Zij heeft de ellende van de slavernij invoelbaar gemaakt, de kinderarbeid helpen verbieden, het cultuurstelsel in Nederlands-Indië helpen afschaffen, de uitbuiting van arbeiders aan de kaak gesteld.</p>
<p>Literatuur stelt gewetensvragen zo aan de orde stelt dat de lezer gedwongen wordt positie te kiezen. Doordat de problematische moraal  in de literatuur uitvergroot wordt, richt de literatuur de lezer naar de juiste keuzes, voor zover die er zijn. Niet dat die in de goede boeken expliciet uitgeschreven worden. De conclusie moet de lezer zelf trekken. Daarom is het ook zo goed dat er literatuurlijsten op scholen zijn. Volg de gemakzuchtige leraren uit de jaren zeventig van de vorige eeuw niet, die lezen vooral leuk wilden houden. Wiskunde en gymnastiek zijn ook niet leuk en toch protesteert niemand tegen het nut van die vakken. Leerlingen die de juiste literatuur lezen, worden vanzelfsprekend in het kiezen van een goede moraal geschoold. Dat ze dan ook nog in goede taal en stijl geschoold worden is een bijkomend groot voordeel. Als volwassenen zullen ze zelf ontdekken dat literatuur helpt morele posities te kiezen in een tijd waarin er geen autoriteiten meer zijn voor de moraal en we voor onze keuzen op onszelf zijn aangewezen. </p>
</div>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2010/01/02/een-keten-van-menselijkheid/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>1</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Emerita</title>
		<link>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2009/11/28/emerita/</link>
		<comments>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2009/11/28/emerita/#comments</comments>
		<pubDate>Fri, 27 Nov 2009 23:00:00 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Marita Mathijsen</dc:creator>
				<category><![CDATA[Uncategorized]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2009/11/28/emerita/</guid>
		<description><![CDATA[Emeriti hoogleraren, dat waren voor mij grijze of kale mannen die in laag tempo aan kwamen schrijden door het middenpad van de aula, struikelend over hun toga omdat die nog uit hun kaarsrechte periode stamde en de heren inmiddels wat gekrompen waren. Dat waren babbelkousen die bij de receptie extra lang de hand van de [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Emeriti hoogleraren, dat waren voor mij grijze of kale mannen die in laag tempo aan kwamen schrijden door het middenpad van de aula,  struikelend over hun toga omdat die nog uit hun kaarsrechte periode stamde en de heren inmiddels wat gekrompen waren. Dat waren babbelkousen die bij de receptie extra lang de hand van de erepromovendus vasthielden, alsof ze iets van de glorie van die persoon in zich wilden laten vloeien. Mannen, allemaal mannen die je aan de praat hielden met hun eigen opvattingen over die of die richting, waarover ze allang achterhaalde inzichten ventileerden.</p>
<p><span id="more-42"></span>
<p>Nu ben ik zelf emeritus. Ik ben er al in diverse interviews voor uitgekomen, ik heb het afscheid aanvaard, maar ik kan u verzekeren dat ik het er niet mee eens ben. In de tandartsstoel vroeg de assistente me of ik echt mevrouw Mathijsen uit 1944 was, alsof ik met de verzekeringspapieren aan het knoeien was. Ik wilde net gaan verklaren dat ik nooit gerookt heb en nooit in de zon gezeten, en nog zo wat van die dingen om uit te leggen waarom ik er niet als 65 uitzie, toen ze een slang in mijn mond stopte en zei: ‘een goed gebit helpt ook’. Het voelt alsof ik uit de kast gekomen ben, en dat voelt niet goed. Jarenlang heb ik mijn leeftijd een beetje in het midden gelaten, verdoezeld, wilde ik mijn geboortejaar niet bij een artikel hebben staan. Maar nu was er het onverbiddelijke feit van de AOW en het aflopen van de dienstbetrekking. Het 67-pensioen gaat er bij de universiteit nog niet in en bij elk ingeleverd hooglerarensalaris juicht de financiële afdeling. </p>
<p>Nu ik er zelf bij hoor zie ik hoeveel kwieke, alerte emeriti er zijn die nog vrolijk rondhuppelen in het vak. Martin Veltman is de leeftijdskampioen (1931), gevolgd door mijn collega-columnist Piet Borst (1934) en Arnold Heertje (1934). Daar zijn bijvoorbeeld  Henk van Os (1938), Fik Meijer (1942) en Bram de Swaan (1942) kindprofessoren bij, om nog maar te zwijgen van peuters als Piet de Rooy (1944) en Herman Pleij (1943). Mannen die nog volop in beweging zijn. Het is een schrale troost voor mij, want dat beeld van kromme vergane glorie kan ik niet kwijtraken als ik het woord emeritus hoor. Ach, was ik maar hoogleraar in Amerika, dan kon je tot in het oneindige doorgaan. Hoe ze dat doen als iemand echt zo seniel is geworden dat hij niet eens meer weet dat hij het is, weet ik ook niet. </p>
<p>Niet dat het afscheid zelf vervelend was, integendeel, ik ben er nog beduusd van. Ik heb een speciaal voor mij geschreven boek gekregen, en een album amicorum met brieven aan mij. Er is bij de DBNL een website geopend met letterkundige brieven die speciaal voor mij uitgekozen zijn. Ik mag de eerste Jacob-van-Lennep-lezing geven. De toespraken maakten mij verlegen, ik kreeg een lintje opgespeld, er was een indrukwekkend symposium georganiseerd. Mijn verloofde en mijn dochter hadden een bonte feestavond opgezet en ik kreeg verbluffend mooie cadeaus. Het feest had ik voor geen goud willen missen, alleen jammer van de aanleiding.</p>
<p>Niet dat ik reden heb om ongerust te zijn over het vak. Mijn leerstoel is doorgegeven aan de best denkbare opvolger, die de modernste letterkunde bestudeert, en dat is goed. Mijn vak heet Moderne Nederlandse Letterkunde en daar hoort een hoogleraar bij die ook de nieuwste literatuur bestudeert. We hebben een ploeg jonge enthousiaste docenten, die het vak nieuw elan ingeblazen hebben. Sinds een paar jaar groeit het aantal studenten flink. Daar ligt het dus niet aan dat ik moeite heb met mijn pensioen. Dat bij die jonge ploeg geen echte negentiende-eeuw specialist zit baart me wel zorgen, maar dat is niet de hoofdzaak van mijn ongemakkelijk gevoel. </p>
<p>Ik hoef ook de studenten en het onderwijs niet te missen. Dat zou ik het ergste hebben gevonden, als ik werkelijk mijn werkplek had moeten ontruimen. Als ik merk dat ik een groep studenten mee de negentiende eeuw in krijg, dan juicht mijn hele wezen. Als ik ze na het college op de gang verder hoor discussiëren over het verschil tussen de poëzie van de Tachtigers en die van het Symbolisme, kan ik daar zo tevreden van raken, dat minder prettige beslommeringen van de universiteit daartegen wegvallen. Ik trek me op aan hun vitaliteit. Een van de ploeg jonge docenten is een Vlaming. De studenten corrigeren lachend zijn Vlaamse uitdrukkingen, terwijl hij hun gebrek aan spellingkennis hekelt. Ze mailen mij het webadres van The Library of Congress toe, waarop historische Nederlandse foto´s staan. Onder de opdrachten die ze in moeten leveren zijn altijd verrassingen. Zo kreeg ik een knorrige brief, zogenaamd van Droogstoppel, na een opdracht over Max Havelaar.     </p>
<p>Het onderwijs en de studenten blijven dus. Ik ga gewoon door tot ik moe ben of tot anderen mij moe zijn. Ik heb afspraken kunnen maken dat ik mijn kamer op de universiteit houd, en vrijwillig colleges geef. Het mooie is dat ik alleen die cursussen geef die mijn hart hebben. De negentiende eeuw dus, misschien nog eens een uitstapje naar de twintigste eeuw met Harry Mulisch of Hans Faverey. Cursussen die ik altijd braaf uit plichtsbesef heb gegeven, zoals literatuurtheorie en onderzoeksvaardigheden, hoeven niet meer. </p>
<p>Er is nog meer dat niet meer hoeft. Ik hoef niet mee te doen aan de worstelwedstrijd voor het verwerven van aio´s. Misschien doe ik het nog wel, maar het is geen plicht meer. Hoogleraren worden geacht te scoren bij NWO, maar de ruif is voor een kwart gevuld en welk vee het eerst erbij mag is volkomen onvoorspelbaar. </p>
<p>Wat ook niet meer hoeft zijn commissies. Geen onderwijscommissie, geen evaluatiecommissies, geen programmacommissies, geen functioneringscommissies. Ik ga alleen nog naar zinvolle vergaderingen en ik zit alleen in commissies, raden en besturen die me bevallen.</p>
<p>Nu heb ik dus toch al heel wat voordelen van het emeritaat bij elkaar weten te sprokkelen. Waarom ben ik er dan toch zo knorrig over? Waarom leef ik er niet naar toe zoals andere mensen, en waarom kan ik niet met Agnes Jongerius mee demonstreren tegen de verhoging van de AOW-leeftijd? Waarom wil ik niet op een Gazelle-fiets met mijn verloofde door de bossen van de Veluwe rijden en waarom wil ik niet meegaan op cultuurreis naar Griekenland onder leiding van Fik Meijer? Waarom wil ik niet mijn boekenkast op gaan ruimen en al die niet meer gelezen en verouderde literatuurwetenschappelijke werken op boekwinkeltjes.nl zetten? Waarom wil ik niet de honderden studentenscripties die nog in mijn kast staan in de papiermolen gooien? Waarom wil ik niet een week pottenbakken op Ameland? </p>
<p>Waarom wil ik eigenlijk niets van dat emeritaat weten? Er zit me iets dwars dat ik niet helemaal te pakken krijg. Er verandert niet zoveel en toch voel ik me er niet prettig bij. Misschien kun je mijn positie het best vergelijken met die van een marionettenbespeler. Een gewone hoogleraar bespeelt heel wat poppen in zijn theater, zeker als hij een goede speler is, trekt hij aan de draadjes dat het een lust is. Dat die poppen af en toe een eigen leven leiden, hoort erbij en amuseert hem ook. De emeritushoogleraar bespeelt datzelfde theater. Maar hij treedt alleen op als de gewone hoogleraar pauze neemt.  </p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://weblogs.nrc.nl/wetenschap-columns/2009/11/28/emerita/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
	</channel>
</rss>

