Kwade droes
Jan Egter van Wissekerke – Van kwade droes tot erger. Gebruik en veterinaire verzorging van paarden in het leger (1762-1874) – Erasmus Publishing, Rotterdam, 400 blz. Promotoren: Prof.dr. P.A. Koolmees, Prof.dr. W. Klinkert
Geen promotiedatum bij dit proefschrift. Niet omdat het proefschrift op het laatste moment toch nog werd afgewezen, maar omdat de promovendus nauwelijks een week voor zijn promotie overleed. Hij was al langere tijd ernstig ziek, maar heeft het proefschrift nog wel zelf kunnen voltooien. Op 15 november, ruim twee maanden na zijn dood, kende de Universiteit Utrecht Jan Egter van Wissekerke postuum de doctorstitel toe.
Dat was volkomen terecht. Niet alleen omdat Van Wissekerke op zijn doodsbed wist dat de beoordelingscommissie zijn manuscript geaccepteerd had, maar ook omdat het werk dat hij naliet en nu mooi verzorgd is uitgegeven, een prima proefschrift is. Het is er een van een zeldzaam geworden soort: de afsluiting van een loopbaan als medicus practicus in plaats van het begin van een wetenschappelijke carrière. Van Wissekerke was dierenarts en is pas ruim na zijn pensioen begonnen met het schrijven van zijn dissertatie. Hij heeft er uiteindelijk zes jaar aan gewerkt. Op het resultaat mocht hij trots zijn. Het is een indrukwekkend goed gedocumenteerde studie geworden, goed geschreven ook, met een natuurlijk gevoel voor de wisseling van de anekdote naar casuïstiek en de grote lijn. Het is een historisch proefschrift, maar zijn kennis en ervaring als dierenarts is overal voelbaar zonder dat de leek de draad kwijtraakt.
De titel klopt niet. Die is veel beperkter dan het verhaal dat verteld wordt. Ik heb helemaal niks met paarden, maar deze cultuurgeschiedenis van het paard heb ik gefascineerd gelezen. Voor de echte paardenliefhebber is dit verplichte lectuur. Dat zou het boek tot een bestseller kunnen maken, want Nederland is weer een echt paardenland geworden. Naar schatting lopen er nu in ons land tegen een half miljoen paarden en pony’s rond. In de paardenbusiness gaat ongeveer anderhalf miljard om en voor onze allerbeste paarden worden nu op de internationale markt miljoenen neergeteld. In de landbouw, het leger of de vervoersbranche speelt het paard nauwelijks meer een rol. Het paard is er voor de sport en voor het plezier.
Dat zijn andere paarden dan het boek van Van Wissekerke bevolken. Dat zijn de legerpaarden en strijdrossen, die bijna drieduizend jaar het oorlogstoneel hebben beheerst. Honderd jaar geleden kwam daar definitief een eind aan. De tank, de pantserwagen en de jeep zijn de paarden van de moderne tijd geworden. Wat ik niet wist, was dat de domesticering van het paard toch van vrij recente datum is. We gaan dan terug naar 3500 voor Christus, niet lang voor de grote piramides gebouwd werden. De eerste paarden die ten dienste van de mens konden worden gebracht, waren nog geen rij- of trekdieren, maar werden gehouden voor de melk, het vlees, de huid en het haar. Om een paard goed als rij- of trekdier te kunnen gebruiken, ontwikkelde zich een hele technologie die zich in essentie, maar wel in hoog geperfectioneerde vorm, tot de dag van vandaag heeft gehandhaafd. Het bit kwam er al vrij vroeg, net als de sporen en in de achtste eeuw zorgde de uitvinding van de stijgbeugel voor een veel stabielere positie van de berijder. Het ijzeren hoefijzer kwam pas in de middeleeuwen beschikbaar en vergrootte de actieradius van het paard aanzienlijk. Zadels kwamen er al snel toen het paard ook echt bereden ging worden, maar een goed passend en niet te hard zadel liet nog lang op zich wachten. Veel rijpaarden leden door de primitieve vorm van het zadel en de slechte bevestiging onder zadeldrukking, een bron van slecht helende wonden en abcessen. De trekpaarden hadden vooral veel last van de harde houten tuigage die tegen hun schoften schuurde en drukte.
Iedere technologische vernieuwing verhoogde de militaire gebruikswaarde van het paard aanzienlijk. Daar stond tegenover dat het gewicht van de geharnaste ruiter en de beschermende dekplaten op zijn flanken de bewegingsmogelijkheden, de snelheid en het uithoudingsvermogen van het paard ernstig beperkten. Echt in het nadeel raakte het paard pas door de uitvinding van het vuurwapen. Zowel het dier als de ruiter bleken plotseling erg kwetsbaar te zijn en dat werd nog versterkt door het feit dat tegelijkertijd paard rijden, een wapen laden en trefzeker richten heel erg moeilijk is en lang zelfs onmogelijk was. Wat weer wel hielp was de enorme rookontwikkeling die het gebruik van buskruit met zich meebracht. Al snel na het begin van de vijandelijkheden hing er over het slagveld een bijna ondoordringbare mist. Pas aan het einde van de negentiende eeuw kwam ‘rookzwak’ buskruit beschikbaar. Een beetje treurig meldt Van Wissekerke dat het betere zicht ook het einde van de felgekleurde uniformen betekende. Het leger ging voortaan in groen en grijs gekleed.
Uiteraard gaat de belangstelling van een dierenarts in het bijzonder uit naar de geschiedenis van de fokpraktijken en de behandeling van de ziekten, wonden en breuken van paarden. Opvallend is dat de opvattingen over de oorzaken van allerlei aandoeningen voor paarden niet anders waren dan voor mensen. De humorale pathologie van Galenus gold ook voor paarden. Ziekte was een verstoring van het evenwicht van de vier lichaamsvochten. Door het aftappen van in overmaat aanwezig vocht (bloed, gal, slijm) kon het evenwicht weer hersteld worden. Net als mensen moesten paarden aderlatingen, snijdingen, veretteringen en allerlei andere nare ingrepen ondergaan om hen weer beter te maken. Typische paardenziekten als kwade droes, een met zwellingen gepaard gaande ontsteking van de slijmvliezen, leidde uiteindelijk wel tot de ontwikkeling van wat de moderne diergeneeskunde zou worden, maar kostte in Europa jaarlijks aan honderdduizenden paarden het leven. De enorme slachting die ziekten, oorlog, slechte verzorging en uitputting eeuwenlang onder paarden uitrichtten, beschrijft Van Wissekerke met een scherp oog voor ook de gruwelijkste details.
Paarden zijn gevoelige dieren die snel ontregeld zijn. Dat was vroeger zo en het is nog steeds zo, misschien zelfs nog wel meer het fokken op specifieke eigenschappen. Het hoog op de benen staande majestueuze ‘Ankie van Grunsven’-paard is het resultaat van bijna twee eeuwen steeds gerichter en preciezer fokken. Oorspronkelijk waren paarden gemiddeld veel kleiner en minder slank. Uiteraard bevat het boek ook daar heel veel informatie over, inclusief een mooi hoofdstuk over de ‘robes’ van het paard, de kleur van de huid en het haar en de zorg die daaraan gegeven moet worden. En dan gaat het ook over het roskammen en het couperen van de staart. Ook het paard is onderhevig aan mode.
Deze column over wetenschap wordt afwisselend geschreven door de natuurkundige Robbert Dijkgraaf, de socioloog Paul Schnabel (over proefschriften), de voedingsdeskundige Martijn Katan, de neerlandicus Marita Mathijsen en de medicus Piet Borst.


