Batava Drooglip
Worden ze nog gemaakt, de Droogstoppels? Ik dacht het wel, maar tegenwoordig zijn het vooral vrouwen die op Batavus Droogstoppel lijken. Ze zouden een andere naam moeten krijgen, maar er is voor zover ik weet in de Nederlandse literatuur geen vrouwelijke pendant met een karakteristieke naam te vinden. De moeder van Frits van Egters heeft wel wat droogstoppeligs, evenals de tante bij wie Saartje Burgerhart inwoont, en ook de zus van Eline Vere is zo’n bekrompen vrouw voor wie elke fantasie een aantasting van haar wereldbeeld is, maar een echte keiharde Batava Drooglip hebben we niet.
Het verschijnsel zelf is wel aan het toenemen, is mijn indruk. Agnes Kant bijvoorbeeld, met haar opmerking onlangs toen Balkenende gekapitteld werd over het rapport van de commissie-Davids over Irak. Voordat ze ging slapen wilde ze toch echt eerst weten of er dan nog een regering was. Al haar politieke uitlatingen getuigen van een fantasieloze economische preoccupatie, hoe menslievend ze ook bedoeld mogen zijn. Dat laatste heeft ze dan niet met Droogstoppel gemeen, maar haar rechttoe-rechtaan-redeneringen wel degelijk.
Of lees eens uitspraken van Agnes Jongerius, die regelrecht uit de mond van Batavus konden komen: ‘We hebben maar één leven en het is zaak om daar zo fatsoenlijk mogelijk mee om te gaan. Om te beginnen is het belangrijk dat we elkaar goedemorgen en goedemiddag wensen, dat helpt absoluut.[…]. Voor mij staat fatsoen ook voor het oog hebben voor de ander […]. Deugdzaamheid hangt voor mij dus sterk samen met rechtvaardigheid.’ Deugdzaamheid en fatsoen: daar had Batavus ook de mond van vol.
Nog een voorbeeld van een nieuwe Batava Drooglip: Clairy Polak. In een interview werd haar gevraagd of televisie leuker was dan ze had gedacht en daarop antwoordde ze: ‘Nee, televisie is precies zoals ik had gedacht. Het is erg op het beeld gericht.’ En wat denkt u van Gerda Verburg die bij de bestrijding van de boktor zegt: ‘wij houden de vinger aan de pols’.
Droogstoppel houdt niet van literatuur. Daarom heeft hij ook lang geaarzeld voordat hij besloot een boek over koffie te gaan schrijven. ‘Het is myn gewoonte niet, romans te schryven, of zulke dingen, en het heeft dan ook lang geduurd, voor ik er toe overging een paar riem papier extra te bestellen, en het werk aantevangen, dat gy, lieve lezer, zoo-even in de hand hebt genomen, en dat ge lezen moet als ge makelaar in koffi zyt, of als ge wat anders zyt.’ Zo luidt de tweede zin van het boek. Droogstoppel schrijft geen romans of zulke dingen. Enerzijds doet hij alsof schrijven van een roman een gewoonte kan zijn, zoiets als neuspeuteren, iets makkelijks. Anderzijds zet hij de roman meteen in een kwaad daglicht, door de toevoeging ‘of zulke dingen’.
En wat doet een makelaar in koffie die een roman gaat schrijven? Hij bestelt papier. Geen gezeur over schema’s, stijl of de opbouw van de plot: het materiële papier is van hoger belang. In het vervolg wordt duidelijk waarom hij romans niet hoog heeft zitten. In romans word je opgelicht. De romanschrijver vertelt dingen die nooit gebeurd zijn. Voor Droogstoppel geldt: ‘waarheid en gezond verstand.’ Hij leest gedichten alsof ze letterlijk gelezen moeten worden. Als de kinderdichter Hieronymus van Alphen schrijft: ‘Hoe dankbaar is mijn kleine hond / Voor beentjes en wat brood’, is het commentaar van Droogstoppel dat hij geen dankbare hond heeft, hij heeft zelfs helemaal geen hond, omdat die zo onzindelijk zijn. Hij heeft niets tegen verzen, maar je moet niet iets zeggen wat niet waar is. Vanwege het rijm zegt de dichter: ‘De lucht is guur, en ’t is vier uur,’ ook al is het eigenlijk kwart voor drie. Om te rijmen moet de dichter liegen.
Multatuli laat de karikaturale Batavus Droogstoppel een uiterst platte literatuuropvatting verkondigen die alleen maar te maken heeft met de vraag: ‘klopt het wel wat de schrijver zegt?’ En omdat romans en gedichten meestal niet overeenkomen met de werkelijke plaats en tijd, deugen ze niet. Literatuur is leugen. Dat komt herhaaldelijk terug in het boek: bijvoorbeeld wanneer Droogstoppel het lied van Heine analyseert dat de jonge romantische Duitser Stern aan Droogstoppels dochter Marie voorgedragen heeft: ‘Auf Flügeln des Gesanges, Herzliebchen trag ich dich fort’. Droogstoppel wijst er Stern op dat hij helemaal geen vleugels heeft, laat hij maar eens met zijn Herzliebchen over de Lauriergracht zien te komen, die niet eens heel breed is. In de literatuur, zo zegt Droogstoppel ook, wordt deugd beloond. Maar in de maatschappij kan dat niet. Zo heeft hij een prima pakhuisknecht gehad, Lukas. Nu is hij oud en jichtig, dus kan Batavus hem niet meer helpen.
De truc van Multatuli met deze Droogstoppel is, dat de lezer gedwongen wordt een keuze te maken, al direct in het begin. Gaat hij mee met de kritiek van Droogstoppel, dan is hij even stoffig en fantasieloos als deze; als hij niet meegaat, dan kiest hij nog vóór het optreden van Max Havelaar voor de literatuur en voor de hoofdpersoon.
Met Droogstoppel voert Multatuli een Umwertung aller Werte uit. De kampioen van de antiverbeelding en de eendimensionaliteit besluit een roman te gaan schrijven, omdat hij vreest dat de hele koffiemarkt bedreigd wordt. Daar heeft hij zelf geen tijd voor, dus besluit hij een ghostwriter aan te stellen. De stagiair Ernest Stern krijgt de opdracht het boek van Droogstoppel te schrijven, zoon Frits zal er de spelfouten uithalen, dochter Marie schrijft het netjes over en Droogstoppel zelf houdt alles in de gaten. Maar zijn woorden verraden al welke kant het op zal gaan: ‘Ge ziet, de verkeerde wereld was in myn huis’ schrijft hij naar aanleiding van een vertaling die Stern gemaakt heeft.
Kan het ook anders: iemand die niets in literatuur ziet, geeft onder zijn eigen naam een boek uit dat eigenlijk door een dwepende romanticus geschreven wordt. Natuurlijk is Batavus ontevreden over het werk van Stern als deze eenmaal aan het schrijven is en hoofdstukken voordraagt: ‘Ik had op koffi gehoopt, en hy gaf ons… ja, de hemel weet, wàt!’, roept hij uit.
Op den duur ziet Droogstoppel iedereen in zijn omgeving veranderen. Frits stelt kritische vragen aan de dominee, zijn dochter komt zonder korset aan het ontbijt en zelfs zijn vrouw moet lachen als Frits bijbelkritiek levert. Alleen Droogstoppel blijft zichzelf. Aan hem zijn de zielige verhalen over de inlanders die van hun buffels beroofd worden niet besteed: ‘En dan dat gemaal over die buffels! Wat hoeven ze buffels te hebben, die zwarten? Ik heb nog nooit een buffel gehad, en toch ben ik tevreden. Er zyn menschen die altyd klagen.’
Wat moet het leven makkelijk zijn als je denkt zoals Droogstoppel. Batavus Droogstoppel heeft geen last van dromen, geen last van twijfel, niet van inleving, mededogen, bekommernis. Alleen maar die nuchterheid. Zo nuchter als een stuk Hollandse kaas, zo plat als een Hollandse polder. Aan het eind van het boek laat Multatuli dit product van vuile geldzucht en godslasterlijke femelarij stikken in zijn eigen koffie. Droogstoppel verdwijnt op bevel van de schrijver – maar verdwijnt hij echt? Een meesterlijker portret van de Hollandse mentaliteit is er nooit geschreven – en ze bestaan nog steeds, de Batavus Droogstoppels en Batava Drooglips. Niet alleen de Agnessen, niet alleen in de politiek, ze zijn er ook onder allerlei mannen en vrouwen, onder bestuurders en ambtenaren, onder predikanten en zorgverleners. Die mengeling van hypocrisie, geldzucht, machtsbelustheid en regelzucht, ik zou er een bonus op willen zetten om de voorbeelden van ú te horen.
Toespraak bij gelegenheid van de opening van de tentoonstelling: ‘Het is geen roman, ’t is een aanklacht!’ 150 jaar Max Havelaar, Bijzondere Collecties, Universiteit van Amsterdam.


