Alles is weg
‘Dit nemen ze ons niet meer af”, zei hij. Het klonk enigszins dreigend, alsof er een gerede kans bestond dat wij alleen maar zouden hebben wat we zojuist meegemaakt hadden, deze nacht, die ze ons niet meer af zouden nemen. Tegelijkertijd klonk het opwindend beloftevol: dit was onvergetelijk geweest, deze nacht zouden we altijd in ons omdragen, als een bezit.
Ik kan de kamer nog voor me zien, ik trok een rieten rolgordijn op, hij keek naar me en sprak die woorden.
Dertig jaar geleden.
Van die nacht weet ik niets meer. Ik herinner me alleen het moment van die bewering dat ‘ze’ ons ‘dit’ niet meer afnamen.
‘Ze’ hebben het ons mooi wel afgenomen. Ze hebben er weer lekker met het vlakgom van de tijd overheen zitten te poetsen en alleen per ongeluk dit ene zinnetje laten staan. De rest is weg. Vergeten.
En het is ook niet zo dat de rest er ‘eigenlijk’ nog zit, maakt Douwe Draaisma duidelijk in zijn onlangs verschenen Vergeetboek. Dat is een fantasie die iedereen wel graag onderhoudt, dat je ‘eigenlijk’ niets vergeet en dat alles nog ergens opgeslagen ligt op de rommelzolder van het geheugen, het is alleen zaak erbij te komen.
Dat we dat denken, zegt Draaisma, heeft te maken met de metaforen die we gebruiken. Denk je aan het geheugen als aan een archief, dan veronderstel je dat sommige mappen wat achteraf zijn komen te liggen, onder het stof geraakt zijn, misschien verkeerd opgeborgen – maar ze zijn er nog wel. Kwestie van goed speuren.
Maar het geheugen is geen archief. Tegenwoordig spreken we liever over een harde schijf – computermetaforen liggen nu geweldig voor de hand. Vroeger kreeg je altijd een telefooncentrale te zien als er iets uitgelegd werd over het brein, dan zag je telefonistes met allerlei stekkertjes in de weer en zo verbindingen tot stand brengen. Zo ongeveer moesten we ons ons brein ook voorstellen. Nu is het brein eerder een computer, met een harde schijf waarvan dingen gewist kunnen worden, of overschreven.
Het brein is geen computer, het bestaat uit zacht weefsel dat zich steeds weer vernieuwt, er liggen nergens pakketjes herinneringen.
Waarom lijkt het eigenlijk zo aantrekkelijk, een absoluut geheugen? Omdat het zo’n rijkdom zou zijn. Je zou je in je herinneringen kunnen begeven en daar zou je alles aantreffen wat je maar wilde, en je zou het eens opnieuw kunnen bekijken, zoals speelgoed uit je kindertijd of een plotseling opgedoken brief: ach, was dat zó!
Zo ongeveer stel je het je voor. Niets zou je afgenomen kunnen worden.
De hoofdpersoon van Camus’ L’étranger zit in de gevangenis en verveelt zich verschrikkelijk, tot hij leert om te herinneren. Hij stelt zich zijn kamer thuis voor, heel nauwkeurig. Per dag herinnert hij zich meer, een kleine barst in een kom, een afgebroken hoekje van een kast – waar hij eerst in een uur zijn kamer doorgelopen was, heeft hij er na een poos een paar uur voor nodig. „Toen heb ik begrepen dat een mens die niet meer dan één dag zou leven, zonder moeite honderd jaar in de gevangenis zou kunnen leven.”
Je herinnert je vaak meer dan je denkt als je je in je herinneringen begeeft. Als je jezelf eenmaal in de huiskamer van toen je negen was, hebt neergezet, dan komen daar ook de houten stoelen weer tevoorschijn, de gordijnen met hun grappige motiefjes, het behang met papyrusmotief, het uitzicht vanaf het balkon. Alles is er nog!
Jorge Luis Borges, de Argentijnse schrijver, stelde zich eens voor dat alles er werkelijk nog zou zijn, in een verhaal over een negentiende-eeuwer die een absoluut geheugen had. Het was verschrikkelijk. „Hij kende de vormen van de zuidelijke wolken in de ochtendstond van dertig april achttienhonderd tweeëntachtig en kon ze in zijn herinnering vergelijken met de aders in de gemarmerde leerbekleding van een boek dat hij maar één keer had gezien […] Hij was de eenzame en lucide aanschouwer van een veelvormige, kortstondige en bijna ondraaglijk nauwkeurige wereld.”
Alle samenhang verdwijnt uit de wereld als alles onthouden wordt. Het gezicht van je vriendin twee jaar geleden is een ander gezicht dan haar gezicht nu, zelfs haar gezicht van een uur geleden is niet dat wat je nu ziet en al die gezichten moet je onthouden.
Het is wonderlijk eigenlijk, dat vergeten zo laag in aanzien staat en herinneren zo hoog. We hebben het vergeten nodig om te kunnen leven, we zouden anders gek worden, maar we verontschuldigen ons altijd voor vergeten, nooit voor herinneren. Al zeggen we soms wel tegen elkaar: „Je moet dat vergeten.” Nare dingen, gaat het dan over. Die moet je vergeten.
De wil heeft er alleen weinig bij in te brengen. Ja, wel bij het uit je hoofd leren van onregelmatige werkwoorden of juist expres niet opletten, maar het autobiografische geheugen lijkt nogal lukraak te werk te gaan. De dingen die je best zou willen vergeten, ben je dus niet vergeten, anders kon je zoiets niet zeggen. En alles wat je graag precies zou hebben willen onthouden, is juist door het vergeten aangetast. Je onthoudt maar gebrekkig. Je eigen kamer, de diepvertrouwde voorwerpen daar, ja, dat gaat wel. Maar de aanblik van de tuin in de zomer als het geen zomer is, het gesprek met vrienden om de tafel, die ene nacht in 1980 die zo onvergetelijk was, die ons nooit meer afgenomen kon worden – weg.



zaterdag 13 november 2010, 11:33 uur
Goedemorgen Marjolein,
Ik heb al vele jaren achter de rug en herken me zelf zo goed in wat je schrijft over herinnering en vergeten.
Wat goed van je om op zo`n jonge kleeftijd je al zo goed te kunnen inleven in (ook) de oudere mens.
Tenslotte : Wat gegrijpelijk geschreven en dan ook nog in zo`n mooi Nederlands.
Houden zo !
Groet van Dijk.
zaterdag 13 november 2010, 13:08 uur
Wat een rare alinea, de een na laatste. “Vergeten laag in aanzien en herinneren zo hoog”? Terwijl alles om ons heen, media, reclames, vernieuwende projecten in cultuur en onderwijs, ons stimuleert om alles wat eraan vooraf ging te vergeten! Waarom zover meegaan met de ontdekking van een hersenspecialist dat elke analyse van het dagelijks leven daarachter zoek gaat? Ik begrijp u even helemaal niet meer. “Alle samenhang verdwijnt uit de wereld als alles onthouden wordt” schrijft u, in een wereld die door gebrek aan sociaal geheugen uit elkaar valt van onsamenhangendheid. Mevrouw De Vos, ik ben u even helemaal kwijt!
zondag 14 november 2010, 11:20 uur
Vergeten heeft een onmisbare functie bij het mentale functioneren, dat is helder. Als ik spullen die ik waardevol vind bewust een plek wil geven kan dat alleen maar door het meeste weg te doen. Een museum is iets anders, dan cultiveer je een geheugen. Maar wat we het vaakst tegenkomen in het dagelijks leven is het advies “forget the past, think of the future”, en niet “wat goed dat je dat nog weet!” Ik stoor me nu juist mateloos aan die eenduidige toekomstgerichte kijk op het leven. Maar dat had ik hierboven al duidelijk gemaakt geloof ik.
Met groet
Guido Everts
woensdag 17 november 2010, 11:36 uur
Veel vergeten lijkt me terecht opgevat als tegenhanger van een mateloos geheugen. Dat laatste zal niet alleen uiterst belastend zijn voor de betrokkene, het heeft mijns inziens ook als geestelijk effect, dat men door de bomen het bos niet meer ziet. Hoe meer je onbelangrijke details vergeet (d.w.z. details die geen functie hebben voor je heden of toekomst) hoe meer je oog houdt voor essenties.
Het lijkt me dus op een hoger denkniveau van groot belang de opmerkelijke eigenschap te bezitten om te kunnen vergeten. Dat verzekert het onbelemmerd uitzicht op cruciale vraagstukken. Einstein staat niet bekend om zijn grote geheugen. Wetenschappers van naam onthouden vooral zaken die er toe doen, hoe onbelangrijk ze aanvankelijk ook mogen schijnen. Zo houden ze het zicht op de grote lijn. Dat verklaart ook waarom studenten met een ‘fabuleus geheugen’ als wetenschapper tegenvallen. Weliswaar zijn ze in staat bestaande kennis te reproduceren en te herschikken, maar ze zijn verrassend weinig vernieuwend. Ze verdrinken als het ware in hun eigen feitenkennis. Het merendeel van de universitaire wetenschappers zou weleens kunnen lijden aan dit verschijnsel. Grensverleggend onderzoek gebeurt immers relatief weinig. Mogelijk, omdat we niet goed weten hoe we het vergeten moeten meten.
woensdag 17 november 2010, 22:19 uur
Geachte heer Evers,
U schrijft over het maatschappelijk aangemeodigde vergeten, ik dacht eerder aan het herinneren en vergeten in de persoonlijke omgang. Dat zal het verschil verklaren. Wel interessant trouwens, wat u schrijft, dat we bijna verplicht worden te vergeten. Maar door wie of wat dan? Elk bewust levend mens probeert zich toch juist te herinneren. Alleen reclames, van mensen en bedrijven die iets nieuws te verkopen hebben en liever niet zien dat wij bij het oude blijven, moedigen ons aan ons geheugen te wissen.
Ook Draaisma’s boek gaat over het vergeten in ons eigen leven, het autobiografische vergeten om zo te zeggen. Niet over het maatschappelijke vergeten.
Met vriendelijke groet,
Marjoleine de Vos
vrijdag 19 november 2010, 11:50 uur
Beste Marjoleine,
Wat een mooi en interessant stuk! Ik raakte alleen een beetje in de war door de alinea die begint met ‘Je herinnert je vaak meer dan je denkt als je je in je herinneringen begeeft.’
Daarvoor had je volgens mij juist duidelijk proberen te maken dat het geheugen ‘geen archief’ is… Ik kom er niet meer zo goed uit wat je nu wilt zeggen over enerzijds onze vermogens om te herinneren en anderzijds de wenselijkheid daarvan.
Maar het blijft een prachtig, tikkeltje raadselachtig stuk!
Overigens waardeer ik je beschouwingen vaak erg. Ook die in je kookcolumns!
Succes en vriendelijke groeten, Janneke
zondag 21 november 2010, 17:26 uur
De “gaten” die bij het verstrijken van de tijd in ons autobiografisch geheugen vallen zijn inherent aan het chemische opslag mechanisme. Nieuwe input zorgt voor nieuwe verbindingen (plasticiteit), maar de tand des tijds begint direct daarna al weer te knagen. Herinneren lijkt op het kijken naar een vergelende foto; het contrast neemt alsmaar af. Interessant aan de door Marjoleine de Vos beschreven 30 jaar oude herinnering is, dat zij zo goed onthouden heeft de “enigszins dreigende” en toch “opwindend beloftevolle” uitgesproken zin, naast ogenschijnlijke trivia als de kamer, het rieten rolgordijn. Blijkbaar is de resistentie van de chemische opslag van de losse indrukken in het geheugen gemoduleerd. Of dit direct bij de eerste opslag gebeurt of bij latere c.q. herhaalde herinnering van het voorval is niet duidelijk.
Gelukkig gaat het vergeten van reclame-boodschappen weer heel snel. Het “overhalen” tot aankoop gaat vrijwel onbewust, als tenminste de positieve emoties in de dieper gelegen hersengebieden voldoende worden “aangesproken”. Als er weerzin wordt opgewekt, maakt de reclame-boodschap geen schijn van kans. Het is daarom ook zo verbazend, dat heden ten dage met steeds luidere stem reclame-boodschappen worden verkondigd; immers, de weerzin tegen deze verbale terreur stijgt en dus zal de effectiviteit afnemen…tenminste bij de meeste “weldenkende” mensen…
zaterdag 27 november 2010, 16:23 uur
nadat ik deze week uw column en de reacties daaop gelezen had, bleef bij mij steeds het woord “vergetelheid” in het hoofd heen en weer gaan. ik vind dat een aangenamer notie dan vergeten. vergeten heeft voor mij iets negatiefs!(wat stom dat ik dat vergeten ben, of dat ik dat zelfs niet onthouden kon)m.
vergetelheid is positief. het is de grote zak, waar alles in gaat, dat niet meer nodig is. het mag weg, een hele troost.
Jaap timmermans
zondag 20 februari 2011, 14:59 uur
ongelofelijk veel dank voor je prachtige column ONTROOSTBAAR TROUW.
het zet mijn ontroostbare trouwe verdriet in een ander perspectief.
ik ga daar heel erg over nadenken in de hoop dat jouw verhaal het verdriet wat zal verlichten.
een dankbare en zeer trouwe lezer van je columns.
groet,
AnneMarie Bantzinger