*

Marjoleine de Vos » Een beetje geloven :: nrc.nl

Een beetje geloven

Had Rudy Kousbroek toch gelijk?, dacht ik terwijl ik de aardappelen voor de aardappelsalade in plakjes sneed. Koken is een meditatief werkje en mijn gedachten gingen hun gang, en stelden ineens deze vraag. „Je kunt niet een beetje geloven”, schreef Kousbroek jaren geleden, en hij herhaalde het telkenmale. Menigeen, ik ook, vond dat toen onzin. Sterker nog: het leek me ongeveer de enige mogelijke positie, een beetje geloven. Misschien is dat hele ietsisme wel een vorm van een beetje geloven: veronderstellen dat er ‘iets is’ zonder nader te specificeren wat dan en wat dat ertoe doet. Dat laatste vind ik vervelend, en ook tamelijk lui, het lijkt me meer een afmakertje. Je zegt dat er  iets is, je vindt zo af en toe dat iets geen toeval kan zijn en daarmee is het klaar.

Herman Philipse, de verdediger van het atheïsme, placht bij discussies over het voordeel van (niet) geloven, te zeggen dat gelovigen moesten onderschrijven dat God bestond, wilden ze gelovig zijn. Bij die bewering viel hem altijd veel hoon van gelovige zijde ten deel: de gelovigen vonden dat een bespottelijke bewering. Zó moest je het niet zeggen. Ongelovigen vinden dat altijd de enige juiste bewering, voor gelovigen dan. En eerlijk is eerlijk, in de Bijbel wordt er ook vaak zo over gesproken, daar moet God ook gewoon wedstrijden doen met andere goden door wonderen te verrichten. De aanhangers van God triomferen op die manier nogal eens over Baäl-aanbidders – denk aan Elia die een kletsnatte stapel brandhout door zijn God in een laaiend vuur laat veranderen, terwijl Baäl er nog niet eens in slaagt een keurig droog houtstapeltje in vlam te krijgen. Dat is een duidelijk voorbeeld van ‘God bestaat’. Niet dat dat de vraag was: de Baäl-aanbidders zeiden niet dat er geen goden bestonden, zoals de aanhangers van de god van Israël niet twijfelden aan het bestaan van Baäl, de vraag was alleen welke god je het best kon aanbidden.

Hoe dan ook, nu denken we zo niet meer en we vragen ons soms af: is er wel iets dat beantwoordt aan dat wat wij God noemen?

Maar die vraag interesseerde me eigenlijk niet zo heel erg. Mij leek eerder de vraag: heeft het begrip God betekenis voor iemand of niet. Naar die betekenis ben ik heel lang op zoek geweest: wat bedoelen mensen als ze het over God hebben, wat bedoelen ze met die hele beeldtaal van de bijbel en de kerkelijke traditie, wat voor betekenis kan dat in een leven hebben?

Wie zich daar serieus in verdiept, vindt een hoop. Een constructie als de Heilige Drie-eenheid, die ooit een ingewikkeld, alleen voor haarkloverige theologen begrijpelijk soort bedenksel leek, werd geleidelijk aan helder, betekenisvol en uitgesproken zinvol. Het is helemaal niet zo moeilijk daar iets over te zeggen, zoals het niet moeilijk is de betekenis van de wederopstanding te begrijpen of zelfs van het laatste oordeel: het kan een zinvol denkbeeld zijn om een instantie buiten jezelf te veronderstellen die oordeelt over je daden. Misschien is het wel de makkelijkste manier om eerlijk over je gedragingen te oordelen, je tegenover een God te stellen die álles weet en doorziet en van een afstand bekijkt: hoe heb je gehandeld in het licht van een dergelijke beoordeling? En dan zijn er nog de rituelen van de kerk, het knielen, het zingen, de wierook, het licht door de ramen, de stilte na de eucharistie – dat alles is, als je niet voortdurend kribbig loopt te roepen: „Bestaat God nu of niet?” gemakkelijk betekenisvol te vinden, troostrijk zelfs, zinvol.

Voor mezelf noemde ik dat hele amalgaam denk ik: een beetje geloven. ‘Geloven’ omdat ik er zo veel aan beleefde. ‘Een beetje’ omdat ik natuurlijk níet dacht dat God hemel en aarde had geschapen, dat hij zich druk maakte of wij nu wel of niet condooms gebruiken of  embryo’s selecteren. Religie, zo dacht ik, is een manier van praten en denken, het is een taal, eerder dan een verzameling dogma’s. De dogma’s zijn jammer, maar waarschijnlijk onvermijdelijk als je een godsdienst in leven wilt houden.

Laatst spraken we met een aantal mensen over het belang van de beeldtaal van het geloof, over, wat mij betreft, de noodzaak van verbeelding, verhalen, rituele gebaren. We leken het allemaal behoorlijk eens, tot iemand zei: „Maar dat heeft met geloven allemaal niets te maken.”

Oh. „Nee”, zei ze, „die beelden, begrippen als ‘hemel’ en dergelijke zijn maar gebrekkige hulpmiddelen”. Ja dat begreep ik ook wel, maar zij bedoelde het andersom: eerst is er geloof, een diepgevoelde overtuiging. Dan zijn er eventueel beelden, verhalen enz. om die overtuiging tot uitdrukking te brengen. Het is niet andersom: dat als je de verhalen maar goed verstaat en de betekenis van de symbolen aanvoelt, dat je dan gelooft.

De gelovigen in het gezelschap, allerminst van enigerlei dogmatische snit, zeiden dat ze, met aftrek van desnoods de hele kerk met alle bijbehorende opvattingen, toch, ten diepste zoiets geloofden als: dat dit een universum is waarin God uiteindelijk zal overwinnen.
Het was enigszins onthutsend. Want ik voel nergens iets dat zelfs maar lijkt op deze overtuiging. Wat ik (een beetje) ‘geloof’ noemde, is poëzie, literatuur, beeldspraak, religieuze ervaring, zingeving. Maar ‘een beetje geloven’ dat God uiteindelijk zal overwinnen, dat gaat natuurlijk helemaal niet. Je gelooft dat (of je gelooft iets vergelijkbaars, maar anders geformuleerd) of niet. De rest is kunst. Ontvankelijkheid voor schoonheid of betekenis. Dat is heel belangrijk, onmisbaar misschien zelfs, maar het is van een andere orde. En dus denk ik nu: Kousbroek had gelijk.


Dit bericht heeft 19 reacties op “Een beetje geloven”

  1. Dhr. J. Brons zegt:

    Geachte mevrouw de Vos,

    Een beetje geloven. Alweer een mooie column van u, met een voor mij onverwachte conclusie. Nergens, zo schrijft u, voelt u iets van de overtuiging dat God uiteindelijk zal overwinnen. U beschrijft dit inzicht als enigzins onthutsend. Ook voor mij een schok vooral om dat ik zo vaak geraakt werd door de overtuiging die altijd uit uw columns straalt. Drie eerdere columns van u, alle drie uit de paastijd, staan nog scherp in mijn geheugen. Op 3 april 2006 in ‘Zoek erbarmen’ over de zekerheid dat wij een gestorvene altijd bij ons zullen dragen. Op 2 april 2007 in ‘Opstanding elk jaar weer’ over ons voortdurend leven ook als we er niet meer zijn. En op 17 maart 2008 in ‘Vrijheid of dood’ over de onverzoenlijke interpretaties van het lijdensverhaal: verzet of dood. Elk van deze drie columns hebben me geraakt omdat ze tegenstrijdigheden onder woorden brachten zoals ik niet eerder gehoord had. Overtuiging en twijfel gaan samen op in deze columns. Rudy Kousebroek had gelijk: Een beetje geloven kan niet. Maar ook, zoals uw prachtige columns uit de paastijd beschrijven, soms kunnen we tegen ons verstand en gevoel in met volle overtuiging geloven, al is het maar voor even.
    Met heel veel waardering voor al uw prachtige columns.
    J.Brons

  2. Alfred Boom zegt:

    Een beetje geloven kan oppervlakkigheid zijn, maar het kan ook betekenen dat je veel twijfelt. Hoe vaker ik de redeneringen in dit stuk lees, hoe ingewikkelder het wordt. Volgens mij is het een veellagensysteem. Hoe langer je je verdiept in geloof, of filosofie, of iets anders, hoe meer je ontdekt. Uit ervaring groeit een overtuiging, of twijfel. Uit gezamenlijke ervaring groeit een gemeenschap, met eigen taal en verbeelding. Die uiterlijke kenmerken hebben natuurlijk van alles te maken met dat geloof of overtuiging, maar vooral voor de groep. Voor het individu gelden de waarden die in diepere lagen liggen, de persoonlijke ervaringen. Maar is een beetje geloven dan mogelijk? Uiteindelijk niet, denk ik. Het is een fase in een proces. Of uiteindelijk wel, als twijfel de overtuiging is.

  3. Wouter van den Berg zegt:

    Beetje zingeving.
    Een beetje waarheid, beetje kunst, vervoering, een beetje kennis, een klein beetje verwondering.
    Een beetje geloven. Getverdemme. Liever een beetje pessimisme. Een beetje depressief. Een beetje fatalisme. Een beetje zelfmoord?
    Twijfel maakt gulzig naar woorden van anderen, blijkt ook uit de column van de diepzinnige Marjoleine de Vos. Zij heeft zich laten zeggen dat het niet zo is dat bestaande beelden worden voorzien van geloof maar dat de beelden die we ons maken om het geloof vorm te geven voortkomen uit een reeds langer bestaande diepgevoelde overtuiging. In die volgorde. En dat dus die beelden tekort schieten, niet de overtuiging.
    Overal waar te voor staat is niet goed, behalve bij tevreden, volgens de opa van Freek de Jonge, zei hij ooit, maar alle opa’s zeggen dat. Wat bezielt deze oude mannen, wat heeft hen bezield?
    Eerst is er de diepgevoelde overtuiging dat wij één zijn met het universum. Dat alle energiedeeltjes op elkaar inwerken. Dat energie moet stromen en niet kan ontsnappen. Dat dat alleen maar kan als er een plus en een min is. En dan de beelden. Dat wij meedeinen op de golfslagen van energievelden. Op een top van zo’n golf ben je als Henoch, in een dal als Job. Ok, als Mohammed in het ene geval, Jezus aan het kruis in het andere geval? Van Basten, Donadoni? Zoek het zelf een beetje uit.
    Eros en Thanatos hebben zich aan elkaar voorgesteld, de vaantjes zijn overhandigd, hun posities ingenomen. En ik? Ik zet de tv aan voor een mooie avond. Wat fijn dat ik steeds weer geloof dat Eros gaat winnen. Ik ben dan ook, geef ik toe, een beetje partijdig.

  4. Jan Geerlings zegt:

    Camõesdag, 10 juni.

    Dag Marjoleine.
    In mijn dorpje,Vale de Igreja (De Kerkevallei) wemelt het uiteraard van god en afgezanten: heiligen in de olijvenboom, in de waterput, in de voetbalvlaggen en zelfs in de kapel waar zijn moeder de baas is. En als buurvrouw me vraagt waarom wij nooit “‘gewoon” naar de dienst gaan maar wel acte de présence geven als er iemand overlijdt, antwoord ik dat ik de doden alle rust wens, desnoods in de kerk, maar dat ik nu eenmaal atheïst ben. Ze gelooft me niet.Ze kán me niet geloven want elk mens moet “iets” zijn…Ben ik dan niet een beetje…? Nee buurvrouw, zelfs geen muzelman. Ze heeft medelijden met me maar m’n verschijning in de kapel bij de dood van Aurelio vorige week deed haar goed:”O senor è pouco religioso”,stelde ze mij en zichzelf voor altijd gerust…voor haar ben ik een beetje gelovig. Zelf houd ik niet van beetjes. Groeten (en ga vooral door met televisiekijken & -schrijven: ik geniet van je onderkoelde observaties),
    Jan Geerlings

  5. John Penn zegt:

    Jammer, Marjoleine, dat je je religieuze ervaring loslaat, omdat je constateert dat je niet echt geloofd.
    Ik deel je ervaring maar niet je conclusie. Zie bijgaand.
    ———–
    MIJN GOD BESTAAT
    God is natuurlijk menselijke projectie. Iedere beschrijving van welke beeld van God dan ook, dat een mens kan hebben, is een projectie van menselijk bewustzijn. God is menselijke perceptie, menselijk ervaren, menselijk geloven. Geloven is altijd ergens op vertrouwen. (vergelijk het prachtige Amerikaanse woord Faith) De waarheid bestaat niet, waarheid is altijd intersubjectief. Dus ook niet de geopenbaarde waarheid, zoals in de drie monotheïstische godsdiensten welke in het Midden Oosten ontstonden, de Joodse, de Christelijke en de Islamitische vorm, alle drie religies rond een heilig boek, het Woord.
    De mens heeft een universeel transcendente behoefte om de eindeloosheid van de schepping, de totaliteit van een menselijk niet te bevatten wereld en met name menselijk lijden toch te begrijpen. Om het wat de Duitse godsdienstpsycholoog Otto het ‘numineuze’ te erkennen. Dat wat groter is dan wijzelf, in het ongrijpbare, het kwade en het goede. Daarnaast ervaren we op momenten nog het eindeloze verlangen van het kind naar een helpende vader en naar de geborgenheid, de ontferming, van de moederschoot. Het maakt het geloof in het bestaan van hogere krachten voor ons mensen bijna onvermijdelijk en noodzakelijk. Tegenwoordig hoor je vaak bij de niet meer religieus opgevoede jongere mensen dat ze geloven dat er ‘iets’ is, zonder verdere invulling. Alleen de ervaring van het numineuze en het verlangen is er dus nog.
    Je kunt als agnost geloven dat mensen de energetische krachten in onze kosmos nooit zullen kunnen begrijpen, maar in je perceptie maakt je toch een beeld van die krachten. Je kunt als atheïst geloven dat God niet bestaat, althans niet volgens de beelden van bestaande religies maar is datgene waar je kosmisch wel in gelooft iets anders dan een Godsbeeld?
    Waar we als mensen de wereld van onze intersubjectieve kennis niet meer als waarheid kunnen delen, is alleen nog sprake van persoonlijk ervaren en kennen. In die eigen wereld is slechts sprake van kennis in de zin van geloof en vertrouwen, zoals Schopenhauer schreef. En als de wereld inmiddels toch al grotendeels individuele persoonlijke perceptie is, waarom zouden mensen dan niet in een God mogen geloven? We geloven toch ook bijvoorbeeld in de Vrije markt – een economisch geloofsconcept? Of in de Vrijheid van meningsuiting omdat we geloven in fundamentele Mensenrechten?
    Mijn God bestaat. Ik zelf geloof in Spinoza’s God. God is alle scheppende energie in de Kosmos. En ik ben een van zijn ontelbare verschijningsvormen, modi, waarin God zich in de wereld manifesteert. God omvat de gehele schitterende schepping, en ik ben daar onderdeel van. U noemt het de Natuur, de Kosmos, voor mij is het adequaat om de totaliteit van de scheppende energie God te noemen. Of wat ik ook vaak schrijf: de Tao, de eeuwige stroom. Een God die geen voorkeur heeft voor welk van deel van zijn verschijningen dan ook; de mens heeft geen bijzondere plaats in zijn kosmos. Een God, waar ik onderdeel van ben, maar die geen persoonlijke relatie heeft met mij. Maar ik wel met Hem.
    De Romeinen eerden vele goden. Ik respecteer en eer de God van mijn jeugd en ik schaam me daar niet voor. In de stilte van de kerken ervaar ik even de vervulling van dat transcendente verlangen, de mogelijkheid van Heelheid die in de Heiligheid van God besloten ligt. In de Vader, zijn Mensenzoon en zijn Heilige Geest waarmee hij ons begiftigde. En niet te vergeten: onze altijd aanwezige Moeder Maria.
    Toen in de sereniteit van een doopsgezind kerkje, nu tijdens de eeuwenoude alle zintuigen beroerende rites in een traditioneel Latijns katholieke kerk. Het Kyrie – ontferm U.., Het Sanctus – maak mij heel.., Het Agnus Dei – wanneer zullen al die menselijke offers ooit genoeg zijn? Het Onze Vader – een gemeenschap die slechts om het eenvoudige en voor elkaar bidt. De Communie: ik ben mens en kind van God. Wellicht is mijn ervaren slechts van esthetisch emotionele aard, maar wat is mis met zo’n uit de dagelijkse hoogmoed terugtredende ervaring van de fundamentele menselijke eenzaamheid die verbinding zoekt met het eeuwige – relare: opnieuw verbinden.
    Het Christelijk geloof vormt een onderdeel van 2000 jaar Westerse cultuur, dat doorgedrongen is tot in de diepste haarvaten van haar taal en bewustzijn. Het zijn de Bijbelverhalen die de mythen en sagen van vele landen en volkeren werden, ook die van mijn wereld. En ik hou van die wereld en heb ook nog steeds God als mijn projectie van een hemelse vader zeer lief.

  6. Jaïr Stranders zegt:

    Beste Marjoleine,

    Ik ben o.a. een student filosofie en heb over de vragen waarmee jij in je column worstelt een tijdje geleden en paper geschreven. Daarin behandel ik met name Wittgensteins visie op religieus geloof. Zal ik je dat paper toesturen per mail?

    Groet,
    Jaïr

  7. Wilma Buikema zegt:

    Uw column van maandag 9 juni jl. kwam binnen als een natte lap in mijn gezicht; vaak bent u de vertolker van mijn gevoel geweest, en nu dit:
    “Een beetje geloven kan niet”, zegt u Kousbroek na. Terwijl in uw columns vaak sprake was (nou ja, leek te zijn) van een diep gevoelde religiositeit.

    U onderzoekt de vraag of het begrip God wel of niet betekenis heeft. Gaat het echter niet veel meer om het al dan niet kunnen ervaren van God?
    Dit lees ik terug in veel van uw columns; het voelen en ervaren van God. Wat ik bedoel als ik God zeg is het gevoel van eenheid dat ik ervaar als
    ik me richt tot mijn idee van God, waarvan ik deel uitmaak en die deel uitmaakt van mij.

    In een min of meer gebed, dat vaak een vraag is en vaker nog een wens of misschien een bedankje voel ik dat ik een bepaalde stilte die vol is
    van trilling en eenheid benader. Mijn God geeft me vrede en vertrouwen.

    Hoewel atheïstisch en humanistisch grootgebracht ben ik het spirituele pad opgegaan. Die weg heeft bij mij (alleen bij mij?) terloops betekenis
    en invulling aan het begrip God gegeven. Mijn eigen God, niet Hij die in kerken woont (maar soms wel), niet de God van de EO (maar soms wel)
    en niet de God van Obama (maar vaak wel). Ik geloof niet in de Evangelische God of die van Oude Testament, maar wel in die van mij, die mij
    helpt de antwoorden op (levens-)vragen te vinden. Is dit dan niet “een beetje geloven”? Wel in de kern maar niet in de details. Ik schreef “poespas”,
    maar dit woord doet alles tekort.

    Mijn God geeft troost en antwoorden, begrijpt me en houdt van mij zoals Hij van zichzelf houdt, Hij maakt immers deel uit van mij zoals ik deel uit
    maak van mijn God. Mijn God, die mij laat weten dat wij allen een zijn en dat er genoeg is, voor iedereen, voor allen die immers een zijn.
    Wilt u uw mening nog eens herzien of moeten wij, mensen zonder geloof maar wel met spiritualiteit, maar zien hoe we het met God maar zonder
    Vos verder redden?

  8. Kees Putman zegt:

    Beste Marjoleine de Vos,

    Zonder twijfel geen geloof zonder twijfel. Ik verbaas mij erover dat uw vrienden hun geloof uitdrukken in een ‘overwinning’ door God. Dat klinkt mij eerlijk gezegd als een verkapte dogmatiek in de oren. Waarom dat denken in overwinning en waarom brengt dat idee u aan het twijfelen? En waarom slaat die twijfel dan om in een accepteren dat een beetje geloven niet mogelijk is?
    Voor mij is een beetje geloven heel goed mogelijk, omdat we niets zeker weten over wat wij aanduiden als ‘God’. We weten helemaal niet of een overwinning bedoeld is, of nodig is. In mijn beperkte menselijke brein, waarin ik mijn ideeën een bevatbare vorm moet geven, stel ik mij God voor als een allesomvattende energielaag, waarop ieder van ons kan aansluiten, een soort atmosfeer waarin men wel of niet kan, of wil, ademen. God is voor mij een positieve energie die er is, zonder uit te zijn op overwinning of andere doelen. Een overwinning is iets waar het individu zelf naar kan streven, gebruik makend van die positieve energie. Als die positieve energie opgewekt wordt door kunst, schoonheid of rituelen, dan is dat God.
    Als beeldend kunstenaar ervaar ik dit besef van Godheid gewoon in mijn werk, in mijn atelier, maar ook daarbuiten, als ik langs de vloedlijn hier in Noordwijk loop of als ik naar het oude gerimpelde gezicht van mijn moeder kijk, of naar de handen van mijn vrouw. Daarnaast probeer ik met al die positieve energie ook nog wat nuttigs te doen in mijn leven. Ik dirigeer bijvoorbeeld een kerkkoor dat uit grotendeels bejaarde ‘echte’ gelovigen bestaat. Geen probleem. Er ontstaat daar veel positieve energie waardoor ik de soms objectief gezien zeer dubieuze teksten kan accepteren als ontroerende pogingen van beperkte geesten om naar iets te reiken dat buiten bereik ligt.
    Ooit schreef u in de NRC over teksten zoals het Credo, waar u problemen mee had, omdat u onmogelijk al dat soort ideeën en dogma’s kon accepteren. Het uitspreken van die teksten gaf u, als ik het mij goed herinner, het idee dat u daarmee die leerstellingen onderschreef. Ik heb u toen in een reactie iets over mijn vader verteld. Uw antwoord gaf aan dat u het gelezen had, maar omdat ik vermoed dat de kans groot is dat u het mailtje niet bewaard heeft, stuur ik u het hierbij nogmaals toe:

    Van mijn vader die – alhoewel hij dit zelf niet wist – van nature een taoïst was, leerde ik, zonder dat hij dit ooit uitlegde, de waarde kennen van de woorden, de beelden en de rituelen van de katholieke eredienst als hulpmiddelen om in jezelf te keren, contact te zoeken met het iets dat je niet begrijpt en even bij te komen van het leven om je heen. Moeiteloos, naar het scheen, kwam hij tot de kern van de zaak, waarmee de rationeel gezien dikwijls tamelijk dubieuze inhoud van gebeden, gezangen en leerstellingen luchtig tot een dermate onbetekenend randverschijnsel werd gedegradeerd dat die er nauwelijks meer toe deed. Thuiskomend uit de kerk meldde hij ooit vrolijk: ‘De groeten van de Vader en de Zoon, maar de Geest had zo zijn bedenkingen over jullie.’ In die geest werden ongeloofwaardige stellingen historisch interessante versieringen rond de kern, als goudgeschilderde, blikken aureolen rond heiligenhoofden, die in het licht van een eeuwenlange ontwikkeling bezien konden worden met de toegeeflijkheid die wij ook voelen bij het lezen van niet langer geloofwaardige verhalen uit vervlogen tijden of het bekijken van middeleeuwse voorstellingen met ooit realistisch geachte mythische figuren en fabeldieren. In dat licht wordt ook de mening van anti-gelovigen, dat je alles accepteert of niets – en in hun visie dus niets – tot een niet ter zake doende leerstelling, die getuigt van een minstens even grote starheid als die van steile kerkvaderen. Wie zal bepalen dat alle onderdelen onvoorwaardelijk geaccepteerd moeten worden? Het iets heeft zich daarover voor zover ik weet nooit uitgesproken. De schoonheid, de troost, de hoop, de liefde, daar gaat het mij om en als de sfeer van een katholieke kerkdienst een goede omgeving vormt om die te vinden hoeft noch een bisschop noch een atheïst mij te vertellen wat ik wel of niet moet accepteren. Dat is zuiver een zaak tussen mij en het iets dat er misschien wel of misschien ook niet is. Ik voel mij goed in mijn eigen voortzetting van een eeuwenoude traditie, waarin ook mijn vader geleefd heeft. Het vormt een band, zelfs over de dood heen. Ik heb voor hem dan ook vol overtuiging het ‘In paradisum’ gezongen, zelfs al geloofde ik niet echt in de engelen die hem op dat moment begeleidden.

    Rudy Kousbroek en die gelovige vrienden zijn mij wat te steil in hun leer. Ik geloof gewoon een beetje, wat ze ook mogen beweren.

    Met vriendelijke groeten,

    Kees Putman

  9. beno nobbe zegt:

    De gelovigen in uw gezelschap, allerminst van enigerlei dogmatische snit, zeiden dat ze, met aftrek van desnoods de hele kerk met alle bijbehorende opvattingen, toch ten diepste zoiets geloofden als: dat dit een universum is waarin God uiteindelijk zal overwinnen.

    Achter de dubbele punt zou ik zelf iets anders hebben ingevuld, nl dit: dat je door alles heen gedragen wordt. Met andere woorden: het is een basisvertrouwen dat je (tenminste in mijn geval) sinds je jeugd nooit heeft verlaten en waarvan je misschien moet zeggen: je hebt het of je hebt het niet.

    Tenslotte wiil ik me van harte aansluiten bij de grote waardering die hierboven door anderen tot uitdrukking is gebracht.

  10. Jaap Haag zegt:

    Voor wie het bestaan van een almachtige God ondenkbaar is, maar niettemin gelooft in dit leven door ‘iets’ of ‘iemand’ geroepen te zijn (namelijk tot liefde en verantwoordelijkheid), was de zoektocht van Marjoleine de Vos naar het religieuze altijd weer inspirerend. Jammer, dat zij haar optie van ‘een beetje geloven’ nu als onmogelijk lijkt te beschouwen. Natuurlijk: ‘een beetje geloven’ heeft iets onbeholpens, maar is misschien toch te verkiezen boven de stelligheid, waarmee de posities van geloof of ongeloof (wetenschap) vaak gedefinieerd én als onverenigbaar beschouwd worden. Want ben je ongelovig als je niét in een regisserende God gelooft, maar wél geloof houdt in je medemens – ook, of juist als dat tegen beter weten in is? Kan er dan niet ‘iets’ van een God zijn, die in de mensen besloten ligt, mijzelf inbegrepen? Maar die door de mensen voortdurend voor de voeten gelopen, zo niet ontkend wordt? Die aanwezig is in ons geweten, en die sterk is als de liefde? Misschien bestaat die God niet echt en denk ik alleen maar dat het zinvol is te geloven ‘alsof’. En toch geloof ik – al is het maar ‘een beetje’. En heeft Rudy Kousbroek volgens mij niet helemaal gelijk.
    Jaap Haag
    Diemen

  11. G. Damen zegt:

    Maar waarom zou iemand willen geloven dat God uiteindelijk zal overwinnen? Het is geen wedstrijd en al helemaal geen oorlog. Welke god trouwens?

  12. Frank Lenssen zegt:

    De vraag of ‘een beetje’ geloven kan, of niet, lijkt mij irrelevant. Als God er is, dan maalt hij/zij/het niet om woordspelletjes (want dat zijn het). Dan maakt het hem (houd ik het even bij) totaal niet uit of het een fulltime gelovige, een ietsist, of een ongelovige is die op een bepaalde manier handelt, of denkt, of iets overkomt, noem maar op. Als het universum moreel is, dan doet het er niet toe onder welke vlag zich iets voltrekt, maar wel wat er zich eigenlijk voltrekt.
    Ik moet bekennen dat de voortslepende oorlog in Irak een obsessie van me is. Toen Balkenende nog een weblog via de Volkskrant voerde, schreef ik dagelijks het aantal doden op dat er nu weer geteld was, en vroeg hem wat hij ervan vond. Nooit een antwoord. Toen legde ik hem de wraakactie van de Amerikanen in Fallujah voor: vier Amerikaanse huurlingen van een privé-militie waren door de bevolking gedood (vermoedelijk met reden; het waren afgerichte huurmoordenaars). De Amerikanen reageerden door huis aan huis binnen te vallen en burgers te vermoorden, hele gezinnen, met mitrailleurs en vlammenwerpers. Nu antwoorde Balkenende (althans, hij die zich voor hem uitgaf) wel: ‘wat de Amerikanen doen, daar heb ik niets mee te maken’.
    Goed, in een moreel universum is dat een gruwelijke leugen, die verhullen moet dat onze eigen eerste minister medeschuldig is aan oorlogsmisdaden. Persoonlijk kan me het geen zier schelen wat de man met de mond allemaal belijdt; iedereen kan namelijk van alles beweren, maar morele toetsing gebeurt niet via iemands beweringen. Milosevic en Karadzic hielden per slot zelf ook nooit een geweer vast, maar vuurden wél die Balkanoorlog aan. Zoals Balkenende de Irak-invasie moreel en materiëel steunde.
    Raar dat voor hem een Iraaks leven blijkbaar niets betekent. Ik kan alleen maar concluderen dat, zo hij al werkelijk er een geloof in God op na houdt, dat dat dan een afschuwelijk pervers geloof moet zijn. Had hij het niet bij de herdenking van de dood van soldaat van Uhm erover dat ‘elk verloren mensenleven er één te veel is’? Goed beschouwd is het allemaal te erg voor woorden. Helemaal als je bedenkt dat hij nog extra de schijn tegen zich heeft: zijn broer Roland verdient goud geld met het aanleggen van oliepijpleidingen in Afghanistan en Irak.
    Waarom weid ik zo uit? Omdat dit een voorbeeld is van de ondraaglijke contradictie die kan bestaan tussen wat met de mond beleden wordt en praktisch gedrag. En dus kan het, zo denk ik, God, zo die existeert, geen moer schelen wat iemand verbaal uitdrukt aan zekerheden, twijfels, of ontkenning aangaande zijn (Gods) aard en bestaanswijze.
    Trouwens, ik moet ook nog even kwijt dat van de trias ‘gelovig’, ‘ongeloving’, en ‘agnost’, mij die van de atheïst, dus hij of zij die beweert dat er geen God is, nog de domste lijkt; getuigend van een arrogantie en geborneerdheid die nergens enige grondslag kan hebben.
    Ikzelf ben een katholieke agnost. Dat klinkt merkwaardig, ik geef het ruiterlijk toe. Maar ikzelf kan met deze malle omschrijving goed leven. Ik vind het beschamend wat de katholieke kerk zoal op haar conto heeft staan, door de eeuwen heen. Inquisitie, celibaat, en het levend verbranden van hoogst intelligente monniken, het is er allemaal; alsmede een oliedomme houding ten aanzien van voorbehoedsmiddelen en overbevolking. Dus met de letterlijke opvattingen van die kerk heb ik totaal niets. Mijn ironische ontsnappingsroute stoelt meer op mijn behoefte aan mystiek, en aan de soepelheid van opvattingen die je in die kerk ook tegenkomen kan. ‘Agnost’ tenslotte, is een belangrijke term, want gezien de vele misdrijven die in naam van allerlei goden wereldwijd begaan werden en worden, kan ik geen enkele identificatie met zulke primitieve godsbeelden bespeuren.
    Dan nog: Yahweh, Baäl, de Satan? Het zal, om Geert Wilders te citeren, me worst wezen. Het Oude Testament is voor mij niets anders dan primitieve overwinnaarsretoriek; de Israëlieten waren een uiterst moordlustig volkje, dat handelde volgens het credo: ‘onze God, dat is de beste God’, en zichzelf aldus een onbeperkte ‘license to kill’ toekende. Wat er van al die andere volkjes terechtkwam, de Edomieten, de Amalekieten, de Ammonieten? Allemaal dood, mannen, vrouwen en kinderen. En de beste moordenaars schreven uiteindelijk de geschiedenis, zoals altijd.
    En hier, hier kan ik dus helemaal niks mee, en dat wil ik ook helemaal niet.

  13. J. Duchamps zegt:

    Geachte mevrouw De Vos,

    Ik ken (zéér) vrijzinnige Christenen die de zin “God zal uiteindelijk overwinnen” ook best uit hun mond kunnen krijgen, maar daarbij (anders dan bijvoorbeeld Jehova’s getuigen) allerminst aan een strijd “door God” denken. Hun achterliggende gedachte: de God van de Bijbel roept de mensen op om zich om elkaar te bekommeren, om onzelfzuchtig in het leven te staan, om de aarde en alles wat daarop leeft goed te bewaren, en nog zo wat zaken. Op al deze gebieden is de situatie op het moment niet perfect; het lijkt soms eerder slechter te worden dan beter. De pessimist zegt dan: niets aan te doen, dat is de aard van de mens. De optimist zegt: kijk naar wat er wél goed gaat; verbetering heeft tijd nodig en uiteindelijk zal het goed komen. En de genoemde Christenen zeggen hetzelfde als de optimist, alleen wat cryptisch verpakt: “God zal uiteindelijk overwinnen”, ofwel: uiteindelijk zullen mensen wel in de gaten krijgen dat de wereld er fijner op wordt als we leven zoals God het graag ziet, als we leven zoals (we denken dat) God het bedoeld had. Het woord “God” kun je dan zo ietsistisch invullen als je zelf wil. Zelf geef ik graag een ietsistische of beetje-gelovige invulling aan de passage uit de Hebreeenbrief, “het geloof legt de grondslag voor alles waarop we hopen”. Ik wil graag een optimist zijn en geloven wat ik hoop, namelijk dat alles goed komt, maar dat valt me zwaar gezien de toestand in de wereld. Het beetje-geloof helpt mij om toch niet toe te geven aan mijn pessimistische neigingen. Om mijn nek hangen een hartje, een ankertje en – heel klein, maar toch – een kruisje.

  14. Gerrit Bosch zegt:

    Het lijkt nogal mager wanneer de essentie van het geloof is dat “uiteindelijk alles goed komt”; ‘de zachte krachten zullen overwinnen aan het eind’ zo formuleerde Henriette Roland Holst het. Dat eind laat wel heel lang op zich wachten; daar kan een gelovige toch niets mee. In feite hetzelfde zoethoudertje van de middeleeuwse kerk die je voorhield dat “later alles mooi zou worden”.
    Geloof is er toch meer voor troost en bemoediging voor de dagelijkse besognes en daar kun je wel meer of minder mee hebben. Een beetje geloven is dus toch zo gek nog niet, vind ik.

  15. wouter krijbolder zegt:

    Ik geloof in heel veel.

    In lekkers, liefs en moois. In dag, nacht en ochtendgloren. Maar vooral geloof ik in rechtvaardigheid. Dat die er bekaaid afkomt is vers (psalm) 2; zonder het postulaat van het rechtvaardige, het juiste, het correcte en, daarmee samenhangend, het verdraagzame kunnen wij er wel mee ophouden. Met leven, hopen en liefde. Met menszijn, met God, met alles.

    Dat rest ons een beestenboel, dat doorlopende buffet van eten en gegeten worden. God, Allah, Krisjna, Boedha, al deze Goden en hun respectievelijke Vertegenwoordigers hingen een of andere rechtvaardige rechtsorde aan. Konden we daar maar een ‘Godsorde’ uit destilleren zonder iedere keer het eigen merk ‘God’ als de allerbeste God te afficheren. Laat God simpelweg humane rechtvaardigheid zijn: nu wij nog!

  16. John Smarius zegt:

    Een beetje geloven
    Of je al of niet een beetje kunt geloven, hangt af van wat je onder geloof verstaat en van wat je met een beetje bedoelt.
    Geloof is een gevoel. Een voorgevoel, een vermoeden. Een vooroordeel zo men wil, in de zin van niet op controleerbare feiten berustend, maar bijvoorbeeld steunend op opvoeding, cultuur of traditie. Een mens is een mix van ratio en gevoel. De ratio staat los van het gevoel, heeft er geen directe invloed op. Gevoelens kunnen rationeel of irrationeel zijn. Vanuit de ratio kan een mens, die bepaalde gevoelens heeft, weliswaar inzien dat zijn of haar gevoelens irrationeel zijn, toch kunnen deze gevoelens blijven bestaan. Ze zijn niet eenvoudig weg te redeneren.
    Dat neemt niet weg, dat gevoelens wel op een rationele, wetenschappelijke wijze kunnen worden benaderd en bestudeerd. Freud was een van de eersten die dat deed. Het gevoel is uiteengerafeld in wat psychoanalytici ‘affects’ zijn gaan noemen. ‘Affects’ werden gerubriceerd als primair of secundair. Zo is bijvoorbeeld angst primair. Vrees is secundair, zijnde gericht tegen hetgeen die angst veroorzaakt. Woede is primair. Haat is secundair, zijnde gericht tegen hetgeen die woede veroorzaakt, dikwijls een persoon. Bekend is het mengsel van verdriet en woede bij het overlijden van een geliefde. Iemand kan woedend zijn op de overledene, ook als is deze volkomen onschuldig aan haar of zijn eigen dood. Die woede is dan irrationeel. Maar zij valt wel te analyseren.
    Geloven is per definitie: niet weten. Zodra men iets zeker weet, hoeft men het niet meer te geloven. Het geloof, dat God de aarde heeft geschapen als centrum van het heelal en dat de zon dus om de aarde draait, verloor zijn betekenis toen eenmaal kon worden aangetoond dat de aarde om de zon draait. Het omgekeerde geldt ook. Zolang men iets niet zeker weet, kan men blijven geloven. Het gemeenschappelijke tussen enerzijds mensen, die menen dat God bestaat en dat God het heelal heeft geschapen, en anderzijds mensen, die menen dat God niet bestaat en dat het ontstaan van het heelal op toeval berust, is dat ze allemaal geloven. Ze weten het niet, kunnen niets bewijzen. Daarom is de tegenstelling tussen ‘gelovigen’ en ‘ongelovigen’ in essentie onjuist. Wie men tot de ‘gelovigen’ rekent, zijn mensen die wat anders geloven dan de mensen die als ‘ongelovigen’ worden betiteld. Van ‘ongelovigen’ hoor je nog wel eens de evolutie als argument tegen de scheppingsgedachte. Een doorslaggevend argument is dat niet. Evolutie als ontwikkeling van levende organismen kan net zo goed beargumenteerd worden vanuit de premisse dat de evolutie een onderdeel is van de schepping, als vanuit de premisse dat de evolutie een product is van toeval. We weten het eenvoudig niet. En zolang we het niet weten, kun je met geloven alle kanten op.
    Omdat geloven niet weten is, wordt de concretisering van een geloof beïnvloed door kennis. Naarmate de kennis toeneemt, verandert de concrete inhoud van een geloof. De primitieve mens moge gedacht hebben dat donder en bliksem werden veroorzaakt door een dondergod, de moderne mens weet wel beter. Geloof is echter hardnekkig. Ook wanneer aan de hand van voortschrijdende kennis de natuurlijke oorzaak van een aardbeving of tsunami op een rationele manier kan worden verklaard, blijven in de 21e eeuw veel mensen geloven dat zulke natuurrampen de straf van God zijn. Dan gaat het niet aan deze ‘gelovigen’ weg te zetten als onnozele halzen, die geloven tegen beter weten in. Hun geloof zit dieper en betreft niet zozeer de precieze oorzaak van een natuurramp, maar veeleer het waarom erachter, de vraag naar de bedoeling ervan. Zolang de wetenschap niet met zekerheid kan voorspellen wanneer waar de volgende natuurramp zal plaatsvinden, en niet kan aantonen dat er achter natuurrampen geen ‘hogere’ bedoeling schuilt, blijft dat voor ‘gelovigen’ een legitieme vraag.
    Concretisering van geloof is een vorm van interpretatie. De mens is het enige dier, dat het vermogen heeft verschijnselen te interpreteren, er een betekenis aan te hechten. Een hond zal wellicht janken bij onweer. Maar een hond kan niet het verband leggen tussen een onweer en bijvoorbeeld een dondergod als de oorzaak ervan. De mens kan dat wel. Zijn interpretatievermogen is waarschijnlijk een product van evolutie. Dat de mens het vermogen heeft om (natuur)verschijnselen te interpreteren, hoeft allerminst te betekenen dat zijn interpretatie in een concreet geval de juiste is. Zijn interpretatie zal ook voortdurend wijzigen en wordt in ieder concreet geval beïnvloed door steeds toenemende kennis over de oorzaak en de achtergrond van (natuur)verschijnselen.
    Hersenspecialisten schijnen tegenwoordig precies te kunnen aanwijzen waar zich het interpretatievermogen van de mens bevindt. In de linker hersenhelft. Dat vermogen zou kunnen worden beschouwd als een voortbouwen op en een verfijning van wat andere dieren instinctmatig al blijken te kunnen. De grondgedachte hierachter is dan als volgt. Elk levend wezen is in staat van buiten komende prikkels of signalen te ontvangen, en te herkennen, te waarderen, te rubriceren als goed, slecht of neutraal. Dat is inherent aan de overlevingsdrang van een soort. Zou een slecht (dreigend) signaal niet als slecht (dreigend) worden herkend, dan kan er niet adequaat op worden gereageerd en zou de soort niet kunnen overleven. Herkenning vindt plaats aan de hand van de aard en de mate van opwinding die een prikkel bij de ontvanger veroorzaakt. Hoe sterker de prikkel, hoe hoger de opwinding. Angstaanjagende prikkels worden gerekend tot de prikkels die de hoogste mate van opwinding teweegbrengen. Mede daarom wordt angst gezien als een vitaal overlevingshulpmiddel. Zowel bij dieren als bij de mens.
    De mens vangt van buiten komende prikkels op in het interpretatiecentrum in zijn linker hersenhelft. Daar worden de prikkels geïnterpreteerd, wordt aan die prikkels een bepaalde betekenis toegekend. Over hoe dat precies gebeurt, zijn de geleerden het nog niet helemaal eens. Maar het lijkt voor de hand te liggen, dat voor deze interpretatie de door de prikkels veroorzaakte mate van opwinding een vergelijkbare rol speelt als bij de instinctmatige reactie van dieren op zulke prikkels. Een Amerikaanse hersenspecialist verdedigde in een van zijn boeken de opvatting, dat bijvoorbeeld de primitieve mens een natuurverschijnsel op een zodanige manier interpreteerde, dat hij het kon plaatsen in een beeld van hemzelf in zijn omgeving waar hij mee kon leven. In het geval van een angstaanjagend en door de primitieve mens niet begrepen onweer zou dat kunnen betekenen, dat de hoge mate van opwinding, samen met een besef van onmacht dat hij er niets tegen kan ondernemen, de primitieve mens ertoe brengen het onweer toe te schrijven aan een hogere macht, aan een dondergod. Hij moet met zijn zelfgeschapen dondergod zien te leven, maar hij kan proberen hem gunstig te stemmen. Aldus zou het geloof in een hogere macht reeds bij de primitieve mens kunnen zijn geboren.
    Waarom blijven mensen geloven in een hogere macht, terwijl verschijnselen die zij aan die hogere macht plachten toe te schrijven in de loop der tijd een voor een blijken te kunnen worden verklaard zonder een beroep te doen op iets bovennatuurlijks? De betrokken Amerikaanse hersenspecialist meent, dat de hardnekkigheid van een geloof een gevolg is van de vaste overtuiging van het interpretatiecentrum in de linker hersenhelft de juiste beslissing te hebben genomen: it will stick to it no matter what. Hij trekt een parallel met wetenschappers, die na nieuwe ontdekkingen node van een eerder ingenomen standpunt afscheid kunnen nemen, en die stijfkoppig in hun eigen theorie blijven geloven totdat de aanwijzingen van hun ongelijk zo sterk zijn dat ze uiteindelijk door de knieën moeten gaan. Hij zou net zo goed hebben kunnen verwijzen naar de houding van de rooms katholieke kerk, toen deze voor het eerst werd geconfronteerd met de bevindingen van Galileo Galilei.
    Of het menselijke interpretatiecentrum inderdaad werkt vanuit een soort stijfkoppigheid, is omstreden. Niet omstreden is, dat verandering van de concrete invulling van een geloof in een hogere macht en aanpassing van die concrete invulling aan nieuwe wetenschappelijke inzichten over het heelal niet behoeft te betekenen, dat het geloof in een hogere macht daardoor wordt aangetast. Toen de rooms katholieke kerk Galileo Galilei uiteindelijk gelijk moest geven, werden door die kerk de concrete invulling van het christelijk geloof, de rooms katholieke kerkelijke leer, en de daarop afgestemde kerkelijke voorschriften aan de nieuwe inzichten aangepast. Het geloof in God en in Jezus Christus bleef evenwel recht overeind staan.
    Daarmee zijn we terug bij de vraag of je een beetje kunt geloven. Wanneer je geloven definieert als een geloof in een hogere macht inclusief de concrete invulling die een religieuze organisatie daaraan geeft, en als je best bereid bent in een hogere macht te geloven maar het niet of niet helemaal eens bent met de concrete invulling van dat geloof door die religieuze organisatie, noch met bepaalde voorschriften die de religieuze organisatie aan die invulling verbindt, dan zou je inderdaad kunnen zeggen dat je een beetje gelooft. Wanneer je geloven echter definieert als een geloof in een hogere macht sec, exclusief welke concrete invulling daarvan door wie dan ook, dan kan dat niet. Je gelooft in een hogere macht, of je gelooft er niet in. Een nuance is er dan niet.
    Vriendelijke groet.
    J. Smarius, Zwitserland

  17. M Lhoëst zegt:

    Ik ben atheïst, God zij dank !

  18. Ko Dekker zegt:

    Ik geloof dat de mensen geloven om zich beter te voelen.
    Lenin heeft het al gezegd: “Godsdienst is de opium van het volk”.
    Waarvan akte!

  19. John Hendriks zegt:

    een aardig stukje, uiteraard heeft Kousbroek gelijk. Het is net als zwanger zijn, een beetje bestaat niet. Geloof en dogmatiek is hetzelfde en reactie nr. 18: Lenin zei niet “Godsdienst is opium van het volk”. Dat zei Marx, Lenin zei: “Godsdienst is opium voor het volk”.

Reageren op dit bericht is niet meer mogelijk.