*

Marjoleine de Vos » Zichzelf om mee om te gaan :: nrc.nl

Zichzelf om mee om te gaan

Aan de rand van de tuin zit ik met uitzicht over het weiland in de late zon. De kranten liggen op een tafeltje verderop, ik pak ze niet, ik kijk, luister, zit. Weet niet eens zeker of ik denk, wel zijn er allerlei beelden, herinneringen, gemoedsbewegingen daarbinnen die meedoen met het geluid van de vogels, het licht van lage zon en hoe dat, ach schitterender dan ooit beschreven kan worden, het bloeiende weiland beschijnt.

Een lieve vriend in het ziekenhuis zit voor het raam en kijkt uit over de stad. Hij leest niet, soms hoort hij wat op de radio. Maar vooral zit hij en binnen in zijn hoofd speelt zich van alles af, hij kijkt naar een deel van zijn leven dat hij nu als geschiedenis beschouwt, ook al gaat het misschien, hopelijk nog wel verder.

De brug in de polder, ergens op de A6, gaat dicht. Auto’s stoppen, een aantal zet de motor uit. Een man in een bestelauto doet zijn portier open, rookt een sigaretje, staart naar het water, de schepen, de slagbomen, het licht. Als de sigaret op is, verandert er niets in zijn houding, pas als de brug weer dicht gaat en motoren aanslaan, stapt hij in en verandert terug in iemand die onderweg is ergens naar toe.

We praten, denken en schrijven veel over onze omgang met anderen, over hoe ons gedrag moet zijn, hoe onze houding, hoe we succes hebben in de wereld, hoe we onze meningen over het voetlicht krijgen. Soms denk je: hoe gaan we eigenlijk om met onszelf?

Jarenlang hebben we moeten horen dat het heel belangrijk is om van jezelf te houden. Ik weet nooit zo goed wat dat is, van jezelf houden. Je eigen zwaktes ken je maar al te goed, je fouten, je egoïsme, je onhandigheid, je – nu ja.  Maar je wordt niet door jezelf vertederd, ontroerd of geraakt, je denkt nu nooit eens over jezelf, zoals over een ander wel: wat ben je toch lief! En waarom dat zou moeten weet ik eigenlijk ook niet. Je hoeft geen hekel aan jezelf te hebben, beter van niet, al is er soms echt wel aanleiding toe. Maar dat maakt alles heel moeilijk. Denk aan het gedicht ‘Hard facts’ van Jan Emmens:

 ’t Gras is gemaaid, de bloemen staan
op stelen,
de blaren hangen keurig aan de boom.
De een heeft een huisdier wat te
 bevelen,
iemand te strelen, iemand te slaan, 
de ander zichzelf om mee om te gaan.
Een nogal depressief gedicht, met als bewering dat het zo goed als onmogelijk is om met zichzelf om te gaan – of zegt het alleen maar dat dat niet moeilijker of makkelijker is dan een huisdier of een medemens verdragen? 

Met jezelf omgaan is vaak makkelijker als er iemand is om te strelen of te slaan, als je je op iemand anders kunt richten dan op jezelf. Lang geleden al las ik eens, ik meen in Jeroen Brouwers’ Zonsopgangen boven zee: ,,Eenzaamheid: niet dat er niemand is die van mij houdt, maar dat er niemand is van wie ik houd”. Lijkt me nog steeds wel juist gezien.

Je ziet jezelf voor een belangrijk deel via je omgeving, in de spiegel van al die reacties. Die laten je voelen waar je grenzen zitten, wat je goed doet en wat slecht, waar je niet tactvol bent en waar aardig. Niet dat je daar de hele tijd mee bezig bent, een deel van de registratie van die reacties gaat onbewust. Sommige zijn moeilijk te verteren, als je zo zeker weet dat je gelijk hebt en iedereen vindt van niet, of als iedereen vindt dat je zeurt terwijl jij zelf met relativeringsvermogen en zelfspot dacht te laten zien hoe het ook zou kunnen. Dan moet je je wonden likken als je alleen bent, en je afvragen of zelfcorrectie hier op zijn plaats is.

Als je nooit alleen zou zijn met je gedachten, zou je dan gek worden? Of alleen maar een sociale ramp? Is de mobiele telefoon, voor degenen die zo’n ding eigenlijk nooit meer van hun oor halen, een geestelijke ramp? Kan me wel voorstellen dat dat zo is.
Net zoals het ontbreken van een sociale omgeving voor de geestelijke gezondheid heel moeilijk moet zijn. Zelfs weinig sociale omgeving is al moeilijk.

Hoewel niemand het gevoel heeft dat hij of zij alles doet voor de ogen van anderen, en het ook niet populair is om dat te doen, we moeten immers voortdurend om onszelf denken en onszelf verwennen en vinden dat we van alles en nog wat waard zijn – geen jonge vrouw of ze zal desgevraagd beweren dat haar make-up, kapsel en kleren, hoe sexy ook, uitsluitend bedoeld zijn ‘voor mezelf’ – geeft de mogelijke blik van buitenstaanders toch een voortdurende impuls aan ons handelen. Merkte laatst zelf dat ik meer aardigheid had in het gras maaien en de heg knippen omdat ik bezoek zou krijgen een paar dagen later, zoals ik ook wel eens, al schoonmakend, een denkbeeldige toeschouwer verzin die opmerkt hoe fijn het is dat er geen vlekken zitten op de tegeltjes daar rechtsonder in de hoek bij de afwasmachine. Zulke toeschouwers zijn er niet, maar de gedachte eraan is stimulerend.

Kan me op zulke momenten ook goed voorstellen dat je een god invoert die je altijd ziet. Dat geeft enorm veel zin aan alle handelingen. En zelfs de mogelijkheid van zo’n peilend oog doet dat al: ,,Heer u kent mij, u doorgrondt mij.” Hu, dat is niet makkelijk. Maar wel stimulerend.


Dit bericht heeft 15 reacties op “Zichzelf om mee om te gaan”

  1. Hans van Es zegt:

    Marjoleine, wat een treffende en mooie schildering van de gemoedstoestand van het hoofd dat door de omgeving zo pastoraal geprikkeld wordt. Een dromerige, woordloze dialoog met mezelf, zo herken ik me in je column. Ik houd van dat gesprek. Wil niet zeggen dat ik mezelf dan lief vind, maar gelukkig maakt het me wel.
    Wat ik grappig vind is dat je het consequent over “je” en “we” hebt, waar je misschien “ik” bedoelt. Als ik me voor mezelf verschuil, dan biedt dat veiligheid, behalve natuurlijk ten overstaan van de Heer die alles ziet, maar ik maak het er niet makkelijker op om van mezelf te houden. Jij ook?

  2. A. v.d. Veer zegt:

    Met veel plezier deze tekst gelezen! Mooi verhaal.

  3. Jaap Verhoeven zegt:

    Geachte mevrouw De Vos,
    Lees geregeld uw column, en ben vaak onder de indruk: erudiet, filosofisch, warm-menselijk, brood voor de geest. Vraag me alleen af of de stijl, waarbij ‘ik’ wordt weggelaten, wel altijd functioneel is. Soms wat quasi-nonchalant. Vandaag staat er: “Denk aan het gedicht…”. Denkt ú daar nu aan, in lijn met uw schrijfstijl? Of vraagt u aan de lezer er aan te denken??? Afgezien daarvan: ga nog lang door met uw column, én met ‘Beeldenstorm’, ook zeer de moeite waard, om lachend van te genieten, feest van herkenning!

  4. Miriam Krekel zegt:

    Mooi stukje. Doet me denken aan, hoe ik net na mijn scheiding alleen door Frankrijk reisde en bij alles alleen dacht aan hoe ik dat aan mijn ex-man kon vertellen. Op camping la Source in Dieppe besloot ik toen dat God verder alles zou zien wat ik deed en dat was heel prettig, want ik kon God ook complimenten geven voor hoe mooi hij alles geschapen had. Na die reis hebben God en ik elkaar weer losgelaten, trouwens.

  5. Frans Snel zegt:

    Opnieuw een stukje om lang te bewaren!
    De stijl van het stukje is gelijk aan de verwoorde gedachten.
    De slotalinea, over het ‘invoeren van een God’, kwam ik eerder tegen in een boek over de oorsprong van ons godsdienstig denken: ‘Godsdienst verklaard’ van Pascal Boyer. (2002, De Bezige Bij). Of u dat boek accepteert betwijfel ik, want uw intentie van dat ‘invoeren’ is een positieve zingeving. Daarom is uw stukje een zeer zinvolle aanvulling op dat boek.

  6. Peter de Haan zegt:

    Beste Marjoleine de Vos
    Een erg mooie column. Maar wat mij het meest trof was de laatste alinea. Enige tijd geleden zag ik op t.v. in “Het Gesprek” Theodor Holman in gesprek met iemand van de islamitische omroep. Deze laatste verklaarde tegenover de licht onthutste en notoir ongelovige Holman dat hij niet zonder God kon. Wat een kwezel, dacht ik. Maar ik moest ook denken aan mijn eigen katholieke jeugd en jongelingsjaren op het klein seminarie. En de rol die God, of Jezus als een alwetende begripvolle vriend daarbij vervulde. Met het klimmen der jongelingsjaren begon ik in te zien dat dat een vorm van zelfbedrog was en zette God en de hele santekraam over boord. Het is misschien een aantrekkelijk idee om een almachtig iets of iemand boven je te weten die een oogje in het zeil houdt maar het is natuurlijk wel tamelijk onvolwassen. Wat ik me afvraag, zou de mensheid er niet erg op vooruit gaan als alle goden eindelijk eens met de vuilnisman meegegeven werden, zodat de mensen misschien wat eenzamer maar in elk geval wat vrijer en ook verantwoordelijker met hun eigen lot en dat van anderen zouden omspringen. Nu begrijp ik wel dat godsdienst vaak een manier is om uitdrukking te geven aan het idee dat het leven een mysterie is, wat ik ook vind, maar zouden we dan niet beter een soort eredienst aan het leven kunnen verzinnen? Of is dat er al, misschien in de vorm van kunst?

  7. Paulien Bakker zegt:

    Geachte mevrouw De Vos,
    uw stukje van gisteren kwam weer binnen als balsem op de huid, of zoals sommige klassieke muziek binnenkomt in de maagstreek, weldadig ontspannend.
    Ik vind het zo leuk dat u deze ruimte krijgt van nrc. In een tijd waarin mensen gejaagd leven en waarin we elkaar aanjagen er een schepje bovenop te doen, zoals ik bij Heleen Mees ervaar, helpt u juist stil te staan, rond te kijken en aan te voelen hoe dat is. Met uw stukjes helpt u die waarneming te doen, het waargenomene te verwerken als het ware.
    U verrast mij vaak met mooie litteraire passages. Wat doet u dat goed. Ik vraag me nogal eens af hoe doet ze dat, en wat voor leven zal ze leiden, wie is zij. Ik vind het heerlijk dat mijn krant dat biedt.
    Met vriendelijke groeten,
    Paulien Bakker.

  8. Rob Verment zegt:

    Mooi stukje.
    Gedicht van Jan Emmens kende ik niet; prachtig. Wat de laatste zin ervan betreft: ik zie het inderdaad in de eerste betekenis, nl. dat het zo goed als onmogelijk (of in ieder geval heel erg moeilijk) is, om met jezelf om te gaan. Ik bevind me op het ogenblik in een fase, dat ik erg terug geworpen ben op mezelf: een bij tijd en wijle zeer confronterende ervaring!
    Bedankt nog voor je columns; ik geniet ervan.
    Vriendelijke groet,
    Rob Verment.

  9. Stella Pilon zegt:

    Dag mevrouw De Vos,

    Wat kunt u mooi schrijven. Uw stuk van laatst over platteland vs. stad sprak me bijvoorbeeld erg aan (ben opgegroeid in NO-Groningen en woon nu in de Randstad), net als regelmatig een column van u dat doet. Fijn dat u zo oog heeft voor mooie, eenvoudige dingen. En dat u net op een andere manier ‘gewone’ zaken belicht waar ik normaal niet zo bij stilsta.

  10. Paul Brussée zegt:

    Beste mevrouw De Vos,
    Vanavond na een late dienst in de psychiatrie uw column gelezen. Wat een prachtig stuk. Vooral als u schrijft: “Jarenlang hebben we moeten horen dat het heel belangrijk is om van jezelf te houden. Ik weet nooit zo goed wat dat is, van jezelf houden.”.
    Wat maken wij in de GGZ mensen dit nog veel wijs.
    En een gedicht van Jan Emmens, een van mijn lievelingsdichters. Wat fijn dat hij weer eens geciteerd wordt.
    Met vriendelijke groet,
    Paul Brussée

  11. Kay Okma zegt:

    Dag mevrouw de Vos,

    En weer slaagt u er in om de dingen die als vage, onuitgesproken gedachten door ons heen gaan, vorm te geven in rake,subtiele bewoordingen. Uw columns doen me steeds denken aan wijlen Renate Rubinstein’s VN-columns, die ook vaak allerlei herkenbare gemoedsaandoeningen onder woorden kon brengen. Met alleen dan dat verschil dat uw columns aanzienlijk harmonieuzer zijn en Renate’s gekweldheid (gelukkig voor u?) missen.
    “(…..)hoe gaan we eigenlijk om met onszelf?” schrijft u en ik vraag me vaak af: “wie of wat ben ikzelf, kan ik mezelf wel zien, los van hoe anderen mij zien.” Het lijkt mij onmogelijk jezelf als iets te zien,of iets te zijn, iets authentieks, helemaal eigen, anders dan de persoon zoals anderen mij zien en zoals ik (mede) door die anderen gevormd ben”.
    Martin Buber schreef: “Voor het einde sprak rabbi Sussja; “In de komende wereld zal men mij niet vragen “Waarom ben je Mozes niet geweest?” Ze zullen me vragen: “Waarom ben je rabbi Sussja niet geweest?”"
    Dit citaat roept bij mij de vraag op: wie IS dan die rabbi Sussja? Suggereert Buber’s vraag dat we een persoon kunnen zijn, die helemaal zichzelf is, alhoewel Sussja de vraag al krijgt gesteld in zijn hoedanigheid als rabbi, hetgeen al een zekere rol inhoudt, die anderen van hem verwachten?
    Mijn vraag aan u is: kunt u zich een keer verdiepen in rabbi Sussja’s gewetensvraag?

    Met veel dank voor uw mooie, filofische columns,

    Groet,
    Kay Okma

  12. Frits Troost zegt:

    Dag Marjoleine,
    prachtige observaties weer. Heb geen idee waarom men geen “je” zou mogen zeggen; Fransen zeggen voortdurend “on”, moeten we die dan maar uitroeien ofzo?
    Ik vind ook het gedicht van Jan Emmens erg mooi.
    Soms denk ik dat het wel erg moeilijk zou zijn om op je eentje op Mars te wonen zelfs als aan alle levensbehoeften zou zijn voldaan; misschien lijken die mobieltjes verslaafden daar op, alleen op Mars maar met een telefoonverbinding naar de Aarde.

    Ik kan me geen god voorstellen die als een schoolmeester stempeltjes of G-tjes in je schrift zet, maar toch bedankt voor je mooie stukjes.

  13. doris grootenboer zegt:

    Dag Marjoleine,
    je column riep meteen de volgende geestig/droevige dichtregels van Levi Weemoedt bij me op: ,,Veel vrouwen hebben baasjes/ veel mannen wel een vrouw/ Ik heb alleen maar
    niemand/ waar ik zoveel; van hou.”
    Ook het slot van je tv.recensie sprak aan, hoewel De Vries het misschien als wat profaan zou hebben ervaren: ,,Mijn broer gij leedt een einde waar geen mens van weet./ Vaak ligt gij naast mij, vaag, en ik begrijp het slecht en tast en schrik ” etc. Ik ken het gedicht nog steeds uit mijn hoofd, het was een van de eerste, waar (door Willem Wilmink) een uitgebreid college over werd gegeven in het eerste jaar van mijn studie Nederlands. ,,Niemand, maar dan ook niemand, ” zei Wilmink ,,heeft het einde van Mijn broer ooit echt kunnen duiden.” Jij wel?

    groeten, Doris Grootenboer

  14. Rob Hendriks zegt:

    Geachte mevrouw De Vos,

    In uw interessante column stelt u de vraag: hoe gaan we eigenlijk met onszelf om? En: het is heel belangrijk van jezelf te houden. Maar moet de vraag, de premisse, niet luiden: zorg goed voor jezelf. Dat ligt in het verlengde van: je kunt pas een ander helpen als je eerst zorgt voor jezelf. Anders gezegd: als de hulpverlener eronderdoor gaat, is hij/zij in ieder geval niet in staat een ander te helpen. En dat voor jezelf zorgen heeft mijns inziens zowel een lichamelijke als een geestelijke component. Overigens lees ik uw beschouwende columns met veel genoegen.

    Met vriendelijke groet,

    Rob Hendriks

  15. nienke zeeman zegt:

    Geachte Marjoleine de Vos,
    Wat een prettige column en wat een mooie beschrijving van dat gevoel alleen-met-jezelf te zijn. Ik las net De geschiedenis van mijn leven van George Sand, over het beschrijven van gedachten gesproken! Ik vind een mooie schets op bladzijde 339:
    “De woning op de begane grond werd hersteld, maar de herstelwerkzaamheden waren opgeschort, waarom weet ik niet meer. De ruime vertrekken van dit mooie pand lagen vol stenen en timmerhout; de deuren naar de tuin waren weggenomen, de tuin lag er in afwachting van een gedaanteverwisseling afgesloten, verlaten en verwaarloosd bij. Ik vond daar dus eenzaamheid en schaduw, lucht en koelte. Van een timmermanswerkbank maakte ik een schrijftafel die plaats genoeg bood aan mijn beetje gereedschap en ik bracht er misschien wel de rustigste dagen door die ik ooit heb kunnen veroveren. Iedereen is denkelijk net als ik verzot op die zeldzame en korte ogenblikken waarin de uiterlijke omstandigheden de goedheid hebben zich zo te schikken dat ons dienaangaande een volstrekte kalmte wordt gelaten. Het minste hoekje wordt ons dan een vrijwillige gevangenis en krijgt, welk het ook is, in onze ogen ik weet niet wat voor heerlijks, zoiets als het gevoel de tijd, de stilte en onszelf te veroveren en in bezit te nemen. Alles in dit oord was van mij, de stapels planken, die me dienden tot zitplaats of rustbank, de nijvere spinnen die met kennis en overleg hun grote webben uitspreidden tussen de kroonlijsten; de muizen, die geheimzinnig bezig waren in de krullen met ik weet niet wat voor bedrijvig en nauwkeurig onderzoek; de merels uit de tuin, die, vrijpostig neergestreken op de drempel, me opeens onbeweeglijk en wantrouwig aankeken en hun luchthartige spottende lied afbraken met een eigenaardige, uit angst bekorte triller. Soms ging ik ’s avonds nog naar beneden, niet meer om te schrijven, maar om adem te scheppen en na te denken op de treden van het bordes. Toen mijn roman af was opende ik mijn deur weer voor mijn kleine groep vrienden.”
    In plaats van beducht te zijn voor eenzaamheid moesten we misschien wat vaker moedig genoeg zijn om alleen te zijn, om dan wellicht geheel alleen met onszelf en voor onszelf te zijn. En dan, gezien door een Schepper of niet, te scheppen. Doet Sand dat nou niet heel aantrekkelijk klinken?
    Met vriendelijke groet,
    Nienke Zeeman

Reageren op dit bericht is niet meer mogelijk.