Als straalt Arkturus aan de lucht
Het was een uur of half één en ik liep naar de voordeur om die op slot te draaien voor de nacht. Door het ruitje in de deur zag ik dat het helder was buiten, dat er een sterrenhemel stond. Stapte naar buiten. Het was windstil, geen geluid klonk, de grote donkere hemel stond zwijgend over de slapende aarde heen, Venus was krankzinnig duidelijk te zien, de Kleine Beer, het zwaard van Orion en Arkturus ook, dacht ik toen ik aan de andere kant van het huis ging kijken.
Maar misschien dacht ik dat vooral omdat ik het zo graag wilde denken, vanwege dat mooie gedicht van Ida Gerhardt ‘Wintermorgen in Ierland’ waarin iemand thuiskomt met de melk en sterrenstelsels van melkstippels op de vloer morst. Het gedicht met die tijdloze regel: „Hoedt nu het vuur, en hoedt elkaar”, waarin staat „als straalt Arkturus aan de lucht” en dat eindigt met „Kom, winter, met uw kou, uw tucht”.
Er leek rust van die grote melkbespikkelde hemel uit te gaan. Ik zong zachtjes een lied van de Groningse zanger Ede Staal voor me uit: „Als de nacht van ’t hooge laand, een donker klaid over ons legt”.
Soms ’s avonds laat, alleen in huis, hoor je gekraak hier, gekreun daar, er tikt iets in de muur, ritselt wat onder het dak, achter de gordijnen loert het duister. Maar ga je even naar buiten, dan is het anders, geruststellender. Kijk je naar de hemel in die immense stilte en noem je in gedachten de namen van de sterren, dan, zelfs als je ze fout zegt (hoewel het vervelend is en slordig om ze nog altijd niet écht goed te weten) voel je rust, stilte, eeuwigheid.
,,Helemaal niet,” zei de vriendin tegen wie ik lyrisch over die sterrenhemel sprak, ,,Het is angstaanjagend die enorme ijskoude ruimte, met niemand erin. Voel je dat niet?”
Mijn vriendin voelt als Pascal, die beangst door „de eeuwige stilte van die oneindige ruimten”, meende dat er niets anders op zat dan in een God te geloven die de eenzaamheid draaglijk zou maken. Maar zij voert op zo’n moment geen God in, ze voelt de eenzaamheid en huivert. Ik soms ook – vanwege de onbegrijpelijkheid van die afstanden, ruimten onvatbaar voor ons verstand. Maar zoals Adam de wereld om hem heen direct begon te benoemen, zo sta ook ik klaar met allerlei woorden, namen, regels.
,,Dat is een vorm van bezweren,” zei mijn vriendin. Ja. Zeker. Maar niet alleen van bezweren. Het is ook een manier om vat te krijgen op de wereld, om niet alleen in huivering achteruit te deinzen, maar dieper door te dringen in wat uiteindelijk natuurlijk toch onbegrijpelijk blijft. Maar ánders onbegrijpelijk.
Jorge Luis Borges schrijft in het gedicht ‘De golem’ over de kabbalistische veronderstelling dat namen de dingen bevatten: ,,Dan ligt de roos in de letters van roos/ En heel de Nijl in het woord Nijl besloten”. Zo ook zou er dan ,,een vreselijke Naam bestaan die het wezen/ van God bevat en in concrete letters/ en lettergrepen de Almacht formuleert.” Die naam zouden ,,Adam en de sterren in de Hof” gekend hebben, maar later is hij verloren geraakt, volgens diezelfde opvatting, die Borges natuurlijk niet deelt (,,Maar ’t menselijk vernuft is grenzenloos/ onnozel”). Er is geen ontraadselbaar teken verborgen in de sterrenhemel of ergens anders, er is zelfs geen teken, maar wij zijn er wel, met onze namen, benoemingen, met ons kijken en zoeken.
En ‘wij’ zijn niet alleen, ‘wij’ hier en nu. De sterrenhemel die daar zomaar werd aangeboden, is dezelfde sterrenhemel die Odysseus zag. Dezelfde die Jezus zag. Zelfs als er nooit een Odysseus of een Jezus geweest zou zijn, dan nóg zagen zij dezelfde sterrenhemel die wij zien. Euripides. Meister Eckhardt. Héloïse. Mijn overgrootmoeder. Allemaal zagen ze Venus, allemaal stonden ze eens onder die hemel en keken naar waar ik naar kijk, nu.
In de leesclub waar ik deel van uitmaak lazen we de roman Stormsonate van Kees Verheul, en stelden vast dat die onder meer over het diffuse van de eigen en andermans identiteit gaat. Sensaties zijn wél achterhaalbaar of invoelbaar, en maken dat wij ons, herinnerend en verbeeldend, verbonden kunnen voelen met onszelf in onze jeugd, maar ook met iemand die twee eeuwen eerder leefde, of nog veel langer geleden. Het eeuwige in het maar al te tijdelijke.
Althans: het door een schrijver geconstrueerde eeuwige, de suggestie van sensaties die zó precies verwoord en opgeroepen worden dat ze authentiek lijken, ook voor een historisch personage. En na een poosje voel je ook jezelf als een historisch personage, want al die dingen die je vertelt over wat je zag, wie je ouders waren – ze waren toch steeds iemand anders, net als jij. En daardoor in een bepaald opzicht ook aan je gelijk, hoe verschillend ook.
„De tijden waren niet gescheiden” schreef Ida Gerhardt eens in een ander gedicht, waar ze een stoet schoolkinderen in Kampen even aanziet voor Griekse jongelingen, even meent daar, voor haar ogen, levend, de Elgin Marbles te zien. Er is iets wat doorgaat, wat niet verloren kan gaan. Zoiets als de sterren.
Zo wordt die sterrenhemel kunst, en door de kunst opgenomen in een menselijk soort eeuwigheid, geconstrueerd, geordend, maar weet hebbend van wat eigenlijk onvatbaar is.
En tegelijkertijd zijn het ook echte sterren natuurlijk die je ziet, echte heel verre zonnen op onbegrijpelijke en angstaanjagende afstand van al die zichzelf construerende en reconstruerende mensen hier.
Een geruststellende aanblik. Toch.



maandag 21 januari 2008, 17:55 uur
In deze column wordt gesproken over Venus zichtbaar om half één (‘s nachts). Dat kan niet. Venus is een binnenplaneet dwz staat dichter bij de Zon dan de Aarde. Vanaf de Aarde gezien staat Venus daarom altijd in de buurt van de Zon. Ze is zichtbaar in de avondschemering of in de ochtendschemering. In de Oudheid dacht men dat het om twee verschillende hemellichamen ging, de avond- en de morgenster. Ik weet niet welke planeet Marjolein de Vos heeft gezien maar Venus kan het niet zijn geweest.
maandag 21 januari 2008, 18:46 uur
Geachte mevrouw de Vos,
In uw column van 21 jan. refereert u aan een lied van Ede Staal. U schrijft ” Als de nacht van ´t hooge laand, een donker klaid over ons legt.” Echter de juiste tekst uit het lied t Hogelaand ( streek in Noord Groningen) luidt:
Totdat de nacht van t Hogelaand n donker klaid over ons legt. ( Bron: Door ´t dak zie ik de maan)
Vriendelijke groet,
Hein PS Arendsen
“Kleistrum”
´t Waar
dinsdag 22 januari 2008, 13:22 uur
Uw mooie beschrijving van (de aanblik van) de sterrenhemel en ook de door u aangehaalde woorden van Pascal (“de eeuwige stilte van die oneindige ruimten”) deden mij de eerste pagina van T.E. Lawrence’s “Seven Pillars of Wisdom” nog eens naslaan.
L. beschrijft hoe hij jaren leefde “.. in the naked desert, under the indifferent heaven”. En dan de magistrale zin: “At night we were stained by dew, and shamed into pettiness by the innumerable silences of stars”.
vr.groet Wim Oldhoff
woensdag 23 januari 2008, 18:09 uur
Geachte Marjoleine de Vos,
Pascal, beangst door “de eeuwige stilte van die oneindige ruimten”, zo schrijft u, meende dat er niets anders op zat dan in een God te geloven die de eenzaamheid draaglijk zou maken.
Dat deed mij me eraan herinneren dat ik een paar jaar geleden werd getroffen door een, herhaalde, passage van een andere Franse schrijver, Julien Green, die ook de sterrenhemel verbindt met God.
In zijn Journal schrijft hij op 15 dec. 1956:
“Ma première émotion purement religieuse, autant qu’il m’en souvienne, remonte à ma cinquième ou sixième année. [...] J’étais dans la chambre de mes parents, rue de Passy. Cette chambre était noire, mais par une vitre, je voyais briller des milliers des étoiles dans le chiel. C’est la premiere fois, à ma connaissance, que Dieu m’a parlé directement, dans ce langage énorme et confus que les mots n’ont jamais pu rendre.”
En op 6 mei 1970:
“À l’âge de cinq ans, rue de Passy, il y a eu pour moi cette minute merveilleuse qui a donnéson sens à ma vie entière: j’ai eu le sentiment de l’enorme présence. À l’aube de ma vie, j’ai entendu cet appel qui m’émeut encore et dont je vis. Essayé de dire cela à quelqu’un qui s’interroge sur sa foi.”
En op 26 mei 1970:
“Cette nuit, ne pouvant dormir, j’ai passé ma vie en revue. Le grâces, les appel réitérés. Il y a là de quoi frémir. À cinq ans d’abord, l’immense déclaration d’amour de Dieu à l’enfant qui comprenait avec son coeur.
En dan schoot me in dit verband nog het gedicht ‘ Bach’ van Maurits Mok te binnen:
Met Bach is geen sprake van vergaan.
Wie naar hem luistert laat zijn lichaam los
en zweeft over de toppen van de tijd
de hemel in. Nog even schemert
de aarde na en lost dan op,
een handvol mist die in de zon verdampt.
Men stijgt langs deinende spiralen
hoger en hoger, hoort de melkweg zingen,
alsof de sterren, aangestreken met muziek,
hun trillingen in klank vertalen
en drijft ten slotte, louter licht,
onder steeds wijder uitgespannen,
niet meer door einders afgeronde firmamenten.
Met vriendelijke groeten,
Hanneke den Held
Amersfoort