PvdA-lijsttrekker Job Cohen zei vanavond in het debat op Radio 1 dat de steun van de gemeente Amsterdam aan de omstreden Westermoskee “een lening” betrof, “en niets anders”. Gewoon een lening?
Dat is wel heel sec. Inderdaad, toen in 2007 bekend werd dat de gemeente in 2005 bewust twee miljoen euro teveel had betaald voor de grond waarop de Westermoskee zou worden gebouwd, noemde toenmalig wethouder Van Poelgeest (GroenLinks) deze constructie “in feite een lening.”
Het teveel betaalde bedrag was nodig om een financieringsprobleem bij de Turkse islamitische organisatie Milli Görüs op te lossen, die daarvoor erfpacht moest betalen. Amsterdam wilde met de financieringsconstructie voorkomen dat externe islamitische partijen geld in de moskee staken en daarmee zeggenschap zouden krijgen.
Maar de meeste partijen in de Amsterdamse gemeenteraad keurden in 2007 de manier van financiering van de Westermoskee af. VVD en CDA in Amsterdam spraken van een ‘vorm van subsidiëring’ van een religieuze organisatie.
Cohen zei toen dat „met de kennis van nu” de constructie inderdaad aan de raad gemeld had moeten worden in 2005. In 2008 zei hij zelfs over de kwestie met de Westermoskee dat “proberen de leer in een moskee te beïnvloeden door voorwaarden te stellen aan de geloofsbeleving, betekent dat je de scheiding tussen kerk en staat overschrijdt.”
Verder dan de eerste steen is de Westermoskee, die een symbool van integratie moest worden, tot dusver overigens niet gekomen.
PvdA-lijsttrekker Job Cohen, oud-burgemeester van Amsterdam, zei vanavond in het debat op Radio 1 (17:45) dat de steun van de gemeente Amsterdam aan de omstreden Westermoskee „een lening” betrof, „en niets anders”. Was er niet meer aan de hand?
Daar valt wel wat voor te zeggen. Toen in 2007 bekend werd dat de gemeente Amsterdam in 2005 bewust twee miljoen euro te veel had betaald voor de grond waarop de Westermoskee zou worden gebouwd, noemde wethouder Van Poelgeest (GroenLinks) deze constructie in een brief „in feite een lening”.
Het teveel betaalde bedrag was nodig geweest om een financieringsprobleem bij de Turkse islamitische organisatie Milli Görüs op te lossen. Die moest daarover erfpacht betalen. Amsterdam wilde met deze financieringsconstructie voorkomen dat externe islamitische partijen geld in de moskee staken en daarmee zeggenschap zouden krijgen.
Maar de meeste partijen in de Amsterdamse gemeenteraad keurden in 2007 de wijze van financiering van de Westermoskee af. VVD en CDA in Amsterdam spraken van een ‘vorm van subsidiëring’ van een religieuze organisatie.
Cohen zei toen, als burgemeester, dat „met de kennis van nu” de constructie aan de raad gemeld had moeten worden in 2005. En in 2008 zei hij zelfs over de kwestie met de Westermoskee dat „proberen de leer in een moskee te beïnvloeden door voorwaarden te stellen aan de geloofsbeleving, betekent dat je de scheiding tussen kerk en staat overschrijdt.”
Verder dan de eerste steen is de Westermoskee, die een symbool van integratie moest worden, tot dusver overigens niet gekomen.