Onbekende Nederlander

Vroeger was het leven voor de onbekende Nederlander tamelijk eenvoudig. Je moest oppassen dat je geen relatie aanging met iemand die zich later zou ontpoppen als schrijver of columnist, want dan zou je jezelf of je kinderen ieder moment kunnen tegenkomen in geromantiseerde vorm. Je moest ook uitkijken voor journalisten, maar minder. Weliswaar wist je van de leden van deze beroepsgroep dat zij ‘de waarheid’, ‘het recht van de burger op informatie’ dan wel ‘de scoop’ in principe hoger aansloegen dan vriendschap of privacy, maar daar stond tegenover dat je hoogst zelden iets beleefde wat interessant genoeg was voor de krant. Haalde je een enkele keer toch het nieuws – als aanvoerder van de groepering die zich verzette tegen de aanleg van een schoolgebouw naast het park, als boze buurtbewoner die zich opwond over de komst van een asielzoekerscentrum – , dan hield je jezelf voor dat de bewuste krant zou eindigen als vloerbedekking in de kattenbak en dat je binnen een week weer je eigen onbekende zelf zou kunnen zijn.

De komst van internet heeft dit alles rigoureus veranderd. Uitkijken voor schrijvers en columnisten is niet langer afdoende. Jan en alleman houdt tegenwoordig een weblog bij of kent buren, vrienden en collega’s die dat doen. Uitspraken die je doet tegen vriendin A over persoon B zouden door vriendin A aan collega C kunnen worden doorverteld, waarna jijzelf of persoon B op de weblog van C zouden kunnen figureren in een door niemand meer geaccordeerde vorm. Onbekende passanten of medereizigers kunnen je filmen of fotograferen met een mobiele telefoon annex camera en de resultaten daarvan op het web zetten (denk maar aan de omstanders van de brand in het Armando museum, die de brand niet hadden gemeld bij 112, maar wel hadden vastgelegd met een geavanceerde gsm, om de beelden op te kunnen sturen naar You Tube).

Journalisten vinden de avonturen van de onbekende Nederlander sinds 2002 veel boeiender dan vroeger, zodat je er niet meer voetstoots vanuit kunt gaan dat jouw belevenissen en je verhalen daarover de krant niet zullen halen. En ook de kattenbak biedt geen uitkomst meer. Eenmaal in de krant gepubliceerde uitspraken zijn voor eeuwig terug te vinden. Niet in krantenleggers en microfiches die alleen worden bekeken door historici, maar ook in het digitale krantenarchief en op allerlei andere sites die daaraan gelinkt zijn. Alles is in luttele seconden op het scherm te toveren met een simpele Google zoektocht. Bazen googelen sollicitanten. Potentiële klanten googelen om te kijken met welke reclameman, communicatieadviseur of interim manager zij in zee gaan. Nieuwe buren, vrienden of geliefden proberen er digitaal achter te komen wie je bent en wat je allemaal hebt uitgespookt.

Een oud-student van de Universiteit van Utrecht werd door zijn klanten met enige regelmaat aangesproken op een artikel in het universiteitsblad. Hij was in 1999 en 2001 door het Ublad geïnterviewd en werd in twee artikelen met naam en toenaam geciteerd. Er is geen mens die oude artikelen uit het Ublad knipt en op het prikbord plakt voor eeuwig hergebruik, maar de digitale versie van het Ublad is overal raadpleegbaar en de betreffende artikelen konden elke dag worden gelezen en doken op in iedere google search naar zijn naam. De alumnus vroeg het Ublad om de artikelen te verwijderen uit het digitale archief of zijn naam te vervangen door initialen.

Toen dat verzoek werd geweigerd wendde hij zich tot de Raad voor de Journalistiek. De Raad verklaarde zijn klacht ongegrond, na een advies van Henk Blanken, adjunct hoofdredacteur van het Dagblad van het Noorden, die in de Volkskrant (21 november) veel sympathie en begrip toont voor de nare situatie van de klager, maar vervolgens uitlegt waarom kranten dergelijke verzoeken niet kunnen honoreren. Er zijn namelijk legio mensen die graag zouden zien dat hun jeugdzonden niet in de bovenste hits staan bij een google zoektocht. Straks vragen die allemaal aanpassing van het archief. Voor je het weet krijg je sovjetachtige toestanden en wordt Trotski uit het collectieve geheugen gewist!

Waarom een hellend vlak argument in de meeste publieke debatten met wantrouwen wordt bekeken en bij de minste suggestie van persbreidel onmiddellijk serieus wordt genomen is mij een raadsel. Digitale archieven en papieren kranten zijn lang niet altijd exact hetzelfde. Op internet wordt verwezen naar de uitgebreide versie in de krant, of omgekeerd. Als redacties een dergelijke asymmetrie handig of wenselijk vinden, beschouwt niemand dat als een ongewenste vorm van geschiedvervalsing. Waarom zou een krant dan niet, in gevallen als dat van de Utrechtse alumnus, het digitale archief kunnen aanpassen op verzoek van de gedupeerde, met een verwijzing naar het papieren archief voor de volledige versie van het artikel? Zou dat opeens een ontoelaatbare inbreuk zijn op het recht op informatie van burgers?

Bekende Nederlanders moeten rekening houden met allerlei vormen van gewenste en ongewenste publiciteit; maar enige coulance van de pers voor onbekende Nederlanders die hechten aan hun onbekendheid lijkt mij redelijk.