Kiezen in het Engels betekent vaker: kiezen voor concurrentie – Arjen van Witteloostuijn

Voor de uitkomst van een keuzeproces maakt het uit in welke taal dat wordt gepresenteerd. Over de effecten op de economie is nog weinig bekend.

Tijdens de verkiezingscampagne leek het alsof journalisten niet in staat waren om niet naar de nieuwe SP-voorman Emile Roemer te verwijzen zonder te vermelden dat hij een Brabander was. Voor Randstedelingen is die zachte g blijkbaar verbonden met allerlei andere associaties die keer op keer moeten worden bevestigd. De grote winnaar van de verkiezingen – Geert Wilders – krijgt een nog drogere mond zodra hij iemand ziet van wie hij vermoedt dat die thuis Arabisch spreekt. Ook bij hem doemen vervolgens allerlei beelden op.

In België komt serieus economisch beleid niet van de grond omdat vier miljoen Belgen niet of gebrekkig Nederlands spreken. Een Waal die alleen Nederlands kan hakkelen, wordt gezien als een vertegenwoordiger van een kwakkelend landsdeel. Bij de onderhandelingen tussen de Vlaming Bart De Wever en de Waal Elio Di Rupo zal het ontbreken van een gedeelde moedertaal de gesprekken ongetwijfeld bemoeilijken.

Taal doet ertoe, in de politiek, maar ook in de economie. In het babylonische Brussel moet door bureaucraten, diplomaten en politici met tientallen verschillende moedertalen een uitweg worden gevonden in het ene na het andere hoofdpijndossier. Het is de vraag of dat de efficiëntie van de besluitvorming ten goede komt. In de bestuurskamer van veel multinationale ondernemingen is Engels de voertaal geworden. Dat geeft Engelstaligen een voorsprong.

Een paar jaar geleden hebben wij in Groningen een experiment uitgevoerd om het inzicht in de relatie tussen taal en economisch gedrag te verdiepen. Ongeveer 360 eerstejaarsstudenten algemene en bedrijfseconomie kregen 36 keer de keuze voorgelegd om te concurreren of samen te werken met een collegastudent. De beslissing was gegoten in de vorm van een zogenoemd gevangenendilemma, waarin elke individuele beslisser de volledige buit kan binnenhalen door zelf te concurreren terwijl de ander kiest voor samenwerking.

De studenten konden opteren voor een hoge of een lage prijs. Indien beiden hoge prijzen stelden, kon een kartelwinst worden verdeeld. Bij twee lage prijzen volgden verliezen ten gevolge van een prijzenoorlog. Als de één de ander onderbood, kon de laag geprijsde rivaal genieten van een megawinst ten koste van een megaverlies bij de hoog geprijsde concurrent. De helft van de studenten heeft het experiment in het Engels gedaan, en de andere helft in het Nederlands. Daarnaast is aan de studenten gevraagd of zij ten minste drie maanden hebben gewoond in een Angelsaksisch land. In de figuur staat samengevat hoe deze combinatie van variabelen – taal en buitenland – samenhangt met de beslissing tot concurrentie of samenwerking.

AngelsaksischLandB448

De eerste conclusie is dat de studenten in het Engels significant vaker kiezen voor concurrentie (overigens ook als wordt gecorrigeerd voor allerlei andere invloeden). De tweede conclusie is dat deze bevinding vooral opgaat voor studenten die ten minste drie maanden in een Angelsaksisch land hebben gewoond.

De vraag is wat deze uitkomsten kan verklaren. Een mogelijkheid is dat studenten het Engels associëren met de Angelsaksische – en vermoedelijk vooral Amerikaanse – cultuur. Die kent een sterke competitieve en individualistische oriëntatie.

Deze interpretatie wordt ondersteund door de bevinding dat vooral studenten die ten minste drie maanden in een Angelsaksisch land hebben gewoond, veel competitiever spelen. Taal werkt blijkbaar als trigger die studenten laat schakelen van de Nederlandse coöperatieve naar de Angelsaksische competitieve modus. Juist ook omdat het verblijf in een Angelsaksisch land het taaleffect enorm versterkt, is onwaarschijnlijk dat de omschakeling naar een vreemde taal, welke dan ook, de enige verklaring kan bieden.

De vraag is uiteraard wat de uitkomsten van een eenvoudig experiment met 18- en 19-jarige economiestudenten uit Groningen zegt over de economische werkelijkheid. Op basis van de bevindingen kan daarover hooguit worden gespeculeerd. Heeft de omzetting van Shell/Koninklijke Olie van een Nederlandse nv in een Britse plc gevolgen voor de bedrijfscultuur en -strategie, zeker als het Engels in de bestuurskamer ook het monopolie heeft verworven? Als de bedrijfstop overstapt op het Engels terwijl de werkvloer dat niet doet, ontstaat dan een culturele tweedeling? Maakt het uit dat Angela Merkel en Nicolas Sarkozy noodgedwongen communiceren in accentrijk Euro-Engels? Maakt dat het lastiger om tot werkbare compromissen te komen die door beiden van dezelfde interpretatie worden voorzien?

Deze bespiegelingen zijn vooralsnog slechts speculaties. Dat maakt duidelijk dat hier een intrigerend onderzoeksterrein braak ligt. In de moderne economische wetenschappen is het populair inzichten vanuit de cognitieve psychologie over de werking van het brein te verwerken. Kruisbestuiving met linguïstiek staat nog in de kinderschoenen. Taal en economie – ook deze horen bij elkaar.



Dit bericht heeft 15 reacties op “Kiezen in het Engels betekent vaker: kiezen voor concurrentie – Arjen van Witteloostuijn”

  1. Natasha Cloutier zegt:

    Het verwijt dat ‘vier miljoen Belgen niet of gebrekkig Nederlands spreken’ is misschien juist, maar andersom?

    De schuld geven aan de Franstaligen door een (ik vermoed) Nederlanse journalist is best neerbuigend en ongenuanceerd. Frans in Europa is veel belangrijker dat Nederlands.

  2. N. van Dijke zegt:

    Dear me.

  3. Thomas Meijknecht zegt:

    Interessant dat bepaalde culturele gedragingen worden geactiveerd door het gebruiken van de taal die gebieden bestrijkt met deze culturele gedragingen. Misschien is dit in Nederland ook toepasbaar. Men zou bijvoorbeeld kunnen denken aan relatief agressieve subculturen die men op straat tegenkomt. Deze spreken (meestal) een heel eigen taaltje(mengelmoesje van allerlei talen). Als ze in een taal worden aangesproken die ze met een rustige cultuur associëren zijn ze mogelijk makkelijker te kalmeren bij problemen. Maar als ze heel veel met elkaar praten(mbv straattaal) tijdens het problemen veroorzaken, kan je maar beter een stapje terug doen, dan zijn ze agressiever.

    ( Off-topic: is het figuur dat in het artikel wordt besproken moedwillig niet in het artikel gezet(bespreken figuur wordt voldoende geacht), of is er een andere reden waarom het niet zichtbaar is? )

  4. d.bakker zegt:

    Interessant, maar individualiteit op 1 lijn noemen met competitief is een archaïsch model en ongeveer zoals Balkenende c.s. het zien. Vergeet nou eens niet dat individualisme nog niet zo lang bestaat op zo’n grote schaal en zich nog steeds aan het los-worstelen is van oude structuren en aan het ontwikkelen is.
    Het besef van het collectief is nog steeds onderontwikkeld bij individualisme omdat het zich nog steeds tegenover het overheersende collectief bevindt.

    Door het vasthouden aan individualisme op 1 lijn met competitief als gegeven doet men niets anders dan de pastoor.

  5. Jan Pieters zegt:

    Ergens midden jaren 90 van de vorige eeuw is er in de VS een onderzoek geweest naar de houding van studenten in gevangenendilemma spellen. (Ik ben bang dat ik het niet meer kan terugvinden, omdat ik in de tussentijd verhuisd ben)
    Aankomende economie studenten bleken meer aan zichzelf te denken dan aankomende studenten voor andere studierichtingen. Bij herhaling van het onderzoek na een aantal jaren, bleken de studenten die economie gestudeerd hadden nog minder bereid te zijn tot samenwerken (het verschil met andere studenten was groter geworden). Dit ontlokte aan “The Economist” de opmerking dat het studeren van economie kennelijk averechts werkte op de neiging met anderen samen te werken; een foutje in het curriculum?
    Mijn vraag is of een deel van de verklaring van het gevonden resultaat toe is te schrijven aan verschillen in de populaties

  6. QJP Wardrop zegt:

    Het gebruik van de Engelse taal maakt Nederlanders ook een stuk beleefder. It’s not all doom and gloom then.

  7. Jan Gerritsen zegt:

    Een andere meting is wel zo illustratief. Zie de successen van de zo voortreffelijk Engels sprekende competitief ingestelde Nederlandse managers bij North Sea Ferries en Nedlloyd (opgeslokt door P & O), Hoogovens (wat British Steel wilde uitkleden, hetgeen maar net verhinderd kon worden), de wijze waarop de top van ABN Amro bij de neus werd genomen door Barclays en de Royal Bank of Scotland en, last but not least, de plundering van PCM door Apax.

  8. Wim Mooij zegt:

    De conclusies van het onderzoek worden op geen enkele manier onderbouwd door het experiment en de waargenomen resulaten. Het is hooguit leuk voor een 6 VWO werkstuk.

  9. Elmer Hartkamp zegt:

    Zeer interessant. Het feit dat in het Engels eerder voor concurrentie gekozen wordt past perfect bij het stereotype dat de Angelsaksische economieën veel concurrerender zijn dan bijvoorbeeld de Franse. Als de Engelse taal de bedrijfscultuur verandert van ‘kartel = ok’ naar ‘compete until we win!’, dan zouden we het gebruik van het Engels in die sector alleen maar extra moeten aanmoedigen. Zou het schelen dat Nederlandse studenten vaak economie en rechten in het Engels studeren, en Fransen en Italianen in hun moedertaal?

  10. Klaas Wijnne zegt:

    Interessante vraag maar waardeloos onderzoek. Is het niet voor de hand liggend dat studenten die “gewoond [hebben] in een Angelsaksisch land”, ook dezelfde mensen zijn die ondernemend zijn en het initiatief hebben genomen om naar een ander land te gaan? Het is dan niet verbazend dat diezelfde mensen meer competitief zijn. Dwz. dit onderzoek heeft in het geheel geen verband aangetoond tussen taal en competitiveness. Jammer.

  11. Julia Guns zegt:

    Dat heel weinig Walen Nederlands beheersen is correct. Dat de meeste Vlamingen wél Frans spreken komt doordat, zeker mijn generatie, wij op school gewoon verplicht werden Frans te leren. Is dat erg ? nee hoor… het betekent dat we beter uit de voeten kunnen met onze franstalige landgenoten.
    Mijn vermoeden is ook dat De Wever en Di Ruppo allebei voldoende van elkaars taal beheersen om er uit te komen én voldoende wil hebben om er wat van te maken…we zullen zien wie er eerst een kabinet heeft.
    Dat Vlamingen neer kijken op de Walen omdàt ze geen Nederlands
    beheersen ? daar twijfel ik sterk aan…Vlamingen hebben nogal de neiging zich aan te passen…dat leer je wel als je eeuwen bezet geweest bent… en zeggen wij al makkelijk dat we het dan wel in het Frans zullen uitleggen als de ander onze taal niet beheerst…

  12. Wim van Gruisen zegt:

    Professor van Witteloostuijn zegt:
    —-
    De vraag is wat deze uitkomsten kan verklaren. Een mogelijkheid is dat studenten het Engels associëren met de Angelsaksische – en vermoedelijk vooral Amerikaanse – cultuur. Die kent een sterke competitieve en individualistische oriëntatie.
    —-

    Dat stuk “vermoedelijk vooral Amerikaanse” roept vraagtekens bij me op. Van de studenten die minstens drie maanden in een Angelsaksisch land hebben gewoond, bij hoeveel daarvan was dit land de VS? Ik kan me voorstellen dat studenten die in Canada, Groot-Brittannië, Zuid-Afrika, Australië of Nieuw-Zeeland hebben gewoond Engels niet direct associëren met de VS.
    Het vermoeden van Van Witteloostuijn kan eenvoudig gecontroleerd worden door te kijken van welk Angelsaksisch land precies sprake was.

    Een ander punt hier is dat Van Witteloostuijn verwijst naar de sterk competitieve en individualistische oriëntatie van de Angelsaksische – en vooral Amerikaanse – cultuur. Hier slaat hij de plank half mis. Het belangrijkste werk over culturele verschillen is dat van Geert Hofstede, die vijf culturele dimensies onderscheidt. Een daarvan is individualisme vs. collectivisme (zie http://www.clearlycultural.com/geert-hofstede-cultural-dimensions/individualism/ ). Volgens de metingen zit Nederland in de top vijf van meest individualistische samenlevingen, samen met de meeste Angelsaksische landen (maar een stuk boven Ierland en mijlenver boven Zuid-Afrika). Het is dan vreemd dat die Angelsaksische landen zoveel meer als individualistisch worden beschouwd als ons landje.

    Wat betreft competitiviteit heeft Van Witteloostuijn dan weer wel gelijk. Dit valt onder de dimensie ‘masculiniteit vs. femininiteit’ (ook wel ‘quality of life vs quantity of life’ genoemd – what’s in a name). De Angelsaksische landen zitten hier in de bovenste helft van de schaal, waar Nederland gezellig met de Scandinavische landen helemaal onderaan zit. Zie http://www.clearlycultural.com/geert-hofstede-cultural-dimensions/masculinity/

    Klaas Wijnne (#10) mist hier iets. De ‘Anglofielen’ maken andere keuzes wanneer het probleem in het Engels wordt voorgelegd dan wanneer dit in het Nederlands gebeurt. (51 vs 37%). Dat verschil heeft m.i. weinig met ondernemendheid en initiatief te maken.

    Al met al, een onderzoekje met interessante resultaten. Jammer van de (mijns inziens) zinlose bespiegelingen eromheen (Wilders, Roemer, Bart de Wever); die hebben er weinig mee te maken en lijken vooral bedoeld om aan de limiet van 750 woorden te raken.

  13. g.hanness zegt:

    Waarom worden meestal statistische sociologische onderzoeksresultaten gepubliceerd waarin correlaties worden vermoed maar waarvan er altijd een gedegen verklaring ontbreekt?
    Wat is dan de ‘academische’ bijdrage van deze onderzoeken?

  14. b de jong zegt:

    De vraag lijkt mij niet wat de uitkomsten kan verklaren, maar wat de onderzoekers hebben willen bewijzen. Ze introduceren 2 variabelen (Nederlands vs. Engels en min. 3 mnd. gewoond in Angelsaksisch land of niet), maar over de vertrouwdheid met het Engels wordt niet gerept – dus de hypothese dat iemand kiest voor een competitiever model als hij de taal van het discours niet voldoende beheerst wordt niet ter discussie gesteld. Ook over de achtergronden van het verblijf in “een Angelsaksisch land” wordt verder amper gerept – ik kan me daarom zowel een beter uitgevoerd onderzoek als een interessanter resultaat voorstellen.

    Dit lijkt nog het meest op het befaamde experiment met wespen die erop getraind zijn op te vliegen bij het horen van een geluid. Trekt de onderzoeker ze één vleugel uit dan komt de wesp met moeite van de grond, bij twee uitgetrokken vleugels draait de wesp alleen nog maar om zijn as, bij vier uitgetrokken vleugels volgt er geen reactie. Conclusie van de onderzoeker: “een wesp zonder vleugels is doof”.

  15. I.E.Bakker zegt:

    Zou het kunnen dat deze generatie studenten gewend is te gamen. Games zijn meestal in het Engels. Games zijn competetief. Op ted.com zijn een aantal interessante ‘talk’s'te zien over het competetieve en het concurrende aspect van games; Jane McGonical, Jesse Schell en Seth Priebatsch.
    So there you go.

Reageren op dit bericht is niet meer mogelijk.