Meedogenloze ontwikkelingshulp – Maarten Schinkel
Bij ontwikkelingshulp moet meer accent komen op de economie, vindt de WRR. Dat kan nog lelijk gaan botsen met het armoedebeleid.
In Praag woedde buiten een Guldensporenslag tussen antiglobalisten en de Tsjechische politie, binnen zaten de delegaties voor de jaarvergadering van het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank verschanst voor hun jaarlijkse ontmoeting. Het najaar van 2000 geldt als het hoogtepunt van de brede beweging die in de loop van de jaren negentig te hoop liep tegen het ‘neoliberale dictaat’.
Hoogtepunt? Daarna waren er nog veel soortgelijke demonstraties en vechtpartijen tijdens G7’s en IMF-vergaderingen. Maar die van najaar 2000 was bijzonder. De tijd van ongekende voorspoed die gepaard ging met wat de Nieuwe Economie werd genoemd kenterde. Op de beurzen waren de koersen al op hun retour, en een wereldwijde recessie was in aantocht.
Armoedebestrijding
Maar in het discours over globalisering en ontwikkelingshulp heerste toen nog de luxe van de voorbije jaren. Hulp aan de armste landen was tot niet lang daarvoor voornamelijk een kwestie geweest van het bevorderen van economische ontwikkeling. Maar het zou, zeker onder Wereldbankpresident James Wolfensohn, steeds meer gaan over verdelingsvraagstukken en armoedebestrijding. Net zoals de eerlijker verdeling van de welvaart in het Westen pas op de agenda kwam in het kielzog van de forse economische ontwikkeling in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog.
De knieval van Wereldbank, IMF en de G7 was tien jaar geleden diep. In Praag ging van elke twee rapporten en discussiebijeenkomsten er één over armoede. Schuldkwijtschelding aan de allerarmste landen steeg op de agenda, met de top in het Britse Gleneagles in 2005 als hoogtepunt. Een letterlijk ‘Bono-moment’, om met de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) te spreken. Is het toeval dat, een kredietcrisis en wéér een zware mondiale recessie verder, de pendule in het debat over ontwikkelingshulp terugslingert van armoede naar de economische ontwikkeling?
Diepe knieval
De discussie kentert, maar het beleid is traag. De WRR constateert naar aanleiding van eigen berekeningen dat er in de verdeling van ontwikkelingshulp sinds het begin van de jaren negentig steeds meer geld naar ‘sociale infrastructuur en diensten’ is gegaan – een samenballing van op persoonlijke zorg en ontwikkeling gericht geld – , met een versnelling na 2000. Dat gaat ten koste van hulp in de richting van ‘economische infrastructuur en diensten’, en ‘productiesectoren’. Deze tendens geldt zowel internationaal als (zie grafiek) voor Nederland.
In het gisteren verschenen rapport Minder pretentie, meer ambitie pleit de WRR er onder meer voor om het accent weer te leggen bij de ontwikkeling van de economie in de landen die voor hulp in aanmerking komen. Wat deze gedachte explosief maakt, is dat gedurende het ontwikkelen van de economie zich een periode kan voordoen waarin de inkomensverschillen eerder toe- dan afnemen, voordat voor iedereen de levensstandaard stijgt.
Ondernemers komen op, de heersende elite roomt de welvaart nog eens extra af, en de onderkant van de samenleving krijgt het extra moeilijk. Industrialisering is en was, zo citeert de WRR de Amerikaanse socioloog Barrington Moore, het werk van een ‘meedogenloze minderheid’. There is no evidence that the mass of population anywhere has wanted an industrial society, and plenty of evidence that they did not.
De weg naar welvaart, als industrialisering daartoe leidt – afhankelijk van de competentie van de staat – gaat via de sweatshop. Dat lijkt recht tegenover de nog heersende doctrine van armoedebestrijding in te gaan. Het is de opdracht voor het ontwikkelingsbeleid om te bezien of er inderdaad een tussenweg is.





dinsdag 19 januari 2010, 22:28 uur
Ik zou graag eens een commentaar willen zien op de volgende uitspraken:
1) Hulpverlening (niet de acute maar de systematische)kan niet onvoorwaardelijk.
2) Hulpverlening dient vrijwel altijd meervoudig te zijn. Het gaat niet alleen om de armoedebestijding, de economie, de voedselvoorziening, de volksgezondheid, de ontwikkeling op industrieel of handelsgebied enz. maar om die dingen in hun samenhang. Daardoor is het zo moeizaam.
Arbeidsparticipatie is echter van enorm belang. De hulp moet erop zijn gericht om de inwoners werk te verschaffen, niet alleen in de sweatshops, ook in de landbouw, liefst zodat het betreffende land zoveel mogelijk in de eigen levensbehoefte kan voorzien.
3) Hulpverlening dient uitvoerig (!)rekening te houden met de heersende cultuur en de soms grote verschiilen binnen eenzelfde land (vaak ontstaan door de domme besluiten van de “beschaafde wereld” na de eerste wereldoorlog).
Omdat elk land anders is dient hulp steeds te worden aangepast aan de omstandigheden daar en dan.
4) Hulpverlening dient voldoende over te laten aan eigen initiatief, iets dat soms diep is weggezakt. Niet afhankelijkheid maar zelfstandigheid bevorderen, zonodig met “carrot and stick”.
5) Grootschalige, politiek gemotiveerde, officiele en internationale hulpprogramma’s kunnen alleen effectief en doelmatig zijn als zowel planning als controle dat zijn. Vergelijk de “trechter van Dunning” voor onze dierbare volksgezondheid. Het geldt natuurlijk ook voor de meer kleinschalige en NGO – gedreven acties.
6) Last not least: Hulpverlening dient moreel de toets der kritiek te kunnen doorstaan. Dit is niet het makkelijkste punt. Geen hulp om de eigen afzet van producten te vergroten dus, en ook prudente benadering van het begrip “het hemd is nader dan de rok” en het punt handelsbeperkingen. Moeilijk! Maar dat dient te worden erkend.
donderdag 21 januari 2010, 14:56 uur
Toeval vraagt U.Ik denk het niet omdat er een correlatie is tussen inkomensgroei en de bereidheid tot inkomensoverdracht.Als er groei is men wel bereid een deel van dit nieuwe inkomen af te staan voor de medemens,voor zieken,invaliden,oudeen,behoeftigen in binnen en buitenland,zelfs voor de EU.
Bij krimp geldt het omgekeerde en daar hebben we nu mee te maken.Krimp is ook nadelig voor duurzaamheidsbeleid en voor de sociale vrede.
Ontwikkeligshulp heeft iets van inkomensoverdracht,van duurzamheidsbeleid,sociale vrede vandaar dat ik denk dat het geen toeval is
donderdag 21 januari 2010, 15:59 uur
Economische gerichte ontwikkelingshulp leidt tot vergroting van inkomensverschillen waar voornamelijk de bovenlaag met enige educatie van profiteert. N.B. Kijk b.v. naar bestaande de armoede in het rijke Amerika.
Armoedebestrijding: educatie en gezinsplannig! In zeer veel ontwikkelinglanden zijn veel analfabeten, bv Haïti ca 38% van de bevolking. Wat moet men die op economisch gebied leren?
Groeiende bevolking. Te veel kinderen verbruiken te veel al dan niet gegeven goederen. Krijgen te weinig aandacht ic onderwijs. Bedenk dat er per jaar 70 á 80 miljoen onbedoelde geboorten plaats vinden waar van zeker 40 miljoen ongewenst, dan moet het toch wel duidelijk zijn waar ontwikkelingshulp in eerste instantie op gericht moet zijn. Diverse NGO’s geven hulp op dit gebied maar krijgen veel te weinig aandacht. Het is vechten tegen machtwellustelingen en godsdiensten zoals RK en Islam.
donderdag 4 februari 2010, 4:55 uur
een paar opmerkingen naar aanleiding van dit opinie stuk. de socioloog Moore bezigt een ontzettende platitude. ik vermoed dat er waarschijnlijk nog honderden anderen ontwikkelingen die niet gewenst zijn door de meerderheid en toch plaatsvonden. verder bezigt het artikel een wijd en zijd verspreid misverstand dat sweatshops mensen een slechter bestaan bieden dan daarvoor. dit is in veel gevallen niet zo. in plaats dat mensen zich 10 uur per dag afbeulen op een klein stukje land voor zo goed als niets, hebben ze nu de mogelijkheid 10 uur te werken voor iets. waar het negatieve idee over sweatshops vandaan komt is mij een raadsel.
Economische ontwikkeling gaat altijd voor sociale ontwikkeling dus hulde voor de WRR dat zij dit eindelijk ook erkennen en nu maar hopen dat over 10 jaar de pendule niet de andere kant opslaat maar blijft waar deze is