*

Schinkel » Welke wereldeconomie na de kredietcrisis? :: nrc.nl

Welke wereldeconomie na de kredietcrisis?

Hoe ziet de mondiale economie er in de  periode na de kredietcrisis uit? Dat is te vroeg om te zeggen, maar het is wel de  hoogste tijd om erover na te denken.

Is het al te vroeg om vooruit te kijken naar wat er ná de kredietcrisis en de recessie gebeurt? Tegen de glazen bol spreekt dat de mist nog lang niet is opgetrokken. De prognoses dat de recessie tegen het eind van dit jaar ten einde is, of in 2010, zijn gebaseerd op een simpele regel.

Als de economische groei lang onder het gemiddelde ligt, dan ontstaat er een zogenoemde output gap – een gat tussen de daadwerkelijke productie en de productie zoals die had moeten zijn als er gewoon gemiddeld was gegroeid. Die output gap zal dichtlopen, en dus zal de economie vroeg of laat een sprint moeten trekken.

Dat automatisme hoeft ditmaal niet te gelden. De omstandigheden zijn dermate uitzonderlijk dat de recessie veel langer kan duren. Of de val van de productie is juist zo fenomenaal, dat een even spectaculair herstel al heel snel kan plaatsvinden, ook al kunnen we ons dat niet voorstellen. Toch is het goed om wat verder vooruit te kijken dan de volgende Amerikaanse werkgelegenheidscijfers.

Wie het discours volgt, komt al snel op een meervoudige versie van het ‘WC eend-principe’: iedereen beveelt zijn eigen product aan. Scandinaviërs zijn ervan overtuigd dat de wereld straks beter af is bij het Scandinavische model. West-Europeanen zien in de crisis een eerherstel voor hun Rijnlandse model. Amerikanen blijven ervan overtuigd dat een zo groot mogelijke vrijheid, zij het met wat meer toezicht, het beste is. En Aziaten hebben in de Singaporese professor Kishore Mahbubani hun eigen pleitbezorger – waarbij soms gemakkelijk voorbij wordt gegaan aan het feit dat er geen Aziatisch model is. Daarvoor is dat continent veel te divers.

VPRO’s Tegenlicht wijdde onlangs een aflevering aan de zoektocht naar het volgende supermodel, maar veel experts bleken daarin nog best te hechten aan het vertrouwde kapitalisme à la de Verenigde Staten.

Toch mogen er voorzichtig wel wat conclusies worden getrokken uit de crisis van nu. Allereerst is er de onomkeerbare verschuiving in de verhoudingen op wereldschaal. De Amerikaanse bank Goldman Sachs kwam begin deze eeuw met de term BRIC’s – Brazilië, Rusland, India en China, en voorspelde dat halverwege deze eeuw met name China en India dominante krachten zijn in de wereldeconomie. Daarmee zou een oude orde worden hersteld.

De economisch historicus Angus Maddison is bekend geworden met zijn reconstructies van de wereldeconomie in het verleden. Bijgaande grafiek, op basis van zijn boek The West and the rest in the world economy uit 2005 laat zien dat India en China straks de plekken opeisen die hun op basis van hun verleden en vooral bevolkingsaantal toekomen. Maar dat proces vergt wel een wereldeconomie die hun de ruimte verschaft om te blijven floreren.

De vraag is dus hoe die wereldeconomie er na kredietcrisis en recessie uitziet. Machtsverschuivingen zijn zelden vriendelijk. Een proces van deglobalisering en conflict kan zorgen voor een periode van zeer lage gemiddelde economische groei. Oorzaken voor conflicten zijn er te over: grondstoffen, voedsel, water en – terug van weggeweest – een strijd om macht en invloed die langs ideologische lijnen wordt uitgevochten.

Het is vooral hier waar de kredietcrisis zich wreekt. Het Amerikaanse model van vrijheid, kapitalisme en democratie mag dan nog steeds het beste alternatief zijn, maar het is wel kwetsbaar geworden voor kritiek – of die nu terecht is of niet. Wat is dat voor systeem waarin een elite zich onbeperkt mag verrijken, er vervolgens een puinhoop van maakt en daarna door de gemeenschap moet worden uitgekocht? Is het ‘Chinese model’, waarin economische bewegingsvrijheid gepaard gaat met absolute politieke staatsmacht, niet stabieler?

Het antwoord is: nee. Al was het maar omdat China’s model eigenlijk nog nooit is getest. Er zit geen rem op de belasting voor het milieu die het met zich meebrengt, er is een grote afhankelijkheid van het buitenland als motor voor de eigen economische groei, er wordt geen rekening gehouden met de opkomst van een steeds mondiger middenklasse en er is een blijvend hoge economische groei voor nodig om het gebrek aan politieke vrijheid af te blijven kopen met de belofte van welvaartsgroei.

Dat neemt niet weg dat de opkomende landen zich in politieke en nu ook in economische zin weinig meer hoeven aan te trekken van het morele kompas van de huidige supermacht. De machtsvraag zal vroeg of laat worden gesteld. Nog gisteren pleitte de Chinese centralebankier Zhou Xiaochuan voor de vervanging van de dollar als internationale reservemunt door een internationale valuta. Niet dat dit idee uitvoerbaar is, maar het pleidooi zegt genoeg.

Hoe de wereldeconomie er na de recessie uit zal zien is onbekend, maar de veranderingen kunnen naderhand groter blijken dan we nu kunnen bedenken. Maar één ding staat vast: blijvende vrijwillige samenwerking in een steeds meer geïntegreerde wereldeconomie is dan van meer belang dan ooit.


Dit bericht heeft 22 reacties op “Welke wereldeconomie na de kredietcrisis?”

  1. marcel canoy chief economist ECORYS, hoogleraar zorgeconomie TILEC Universiteit van Tilburg zegt:

    Op dit moment wordt de wereld gekenmerkt door vele naast elkaar bestaande ‘modellen’. Zelfs binnen Europa is er een tamelijk grote varieteit. Maarten Schinkel lijkt te suggereren dat de kredietcrisis de wereld tot één model gaat verengen. Een aparte gedachte. Een model van de economie of de welvaartstaat is historisch en cultureel gebonden en daarmee niet vrij uitwisselbaar.

    Waarschijnlijker is daarom dat a) ieder model zichzelf opnieuw moet uitvinden in het licht van de crisis; b) sommige modellen meer last hebben van de crisis dan anderen; c) er een machtverschuiving zal optreden, maar die staat los van modellen.

  2. Steven Brakman (RuG) zegt:

    Wij zitten nu midden in een recessie en dan dreigt het gevaar van ‘bijziendheid’; “deze keer is echt anders dan de vorige keer dat wij een recessie meemaakten en het zal allemaal erg lang duren.”
    Historische overzichten laten gelukkig iets anders zien. Het CPB heeft in het CEP 2009 goed gekeken naar de studies van Reinhart en Rogoff over de historie van financiele crises en de nasleep daarvan. Op basis van dergelijke ervaringsgegevens is het niet gek te verwachten dat eind 2010 er weer licht aan het eind van de tunnel schijnt. Ook de analyses van het IMF wijzen in dezelfde richting.

    Deze recessie heeft wel vraagtekens gezet bij het ‘vrije markt’ denken. Het financielekaartenhuis dat door de banken is opgericht en dat nu is omgevallen lijkt op het falen van dit economische basisprincipe te wijzen. Maar toch wordt deze conclusie iets te snel getrokken. Het is een paradox, maar een vrije markt functioneert alleen bij de gratie van degelijk toezicht en regulering. Enigzins sterk uitgedrukt zou je kunnen zeggen dat ondernemers (bankiers incluis) helemaal geen concurrentie willen. Wie het werk van mevrouw Kroes in Brussel volgt weet wat er gebeurt als twee ondernemers met elkaar koffie drinken: prijs- en markt afspraken. Concurrentie, transparantie van de markt, openheid en kwaliteit van de boekhouding, toezicht op de dagelijkse handel en wandel van het bankwezen (etc) zijn voorwaarden voor het functioneren van een ‘vrije markt’, maar moeten door toezichthouders worden afgedwongen. Hoe economische systemen zich na deze recessie zullen ontwikkelen is vooralsnog onduidelijk. Dat er meer toezicht en aanverwante zaken nodig zullen zijn is echter zeker.

    De opkomst van China is zeker een complicerende factor in de huidige mondiale verhoudingen. Een kleine kanttekening is ook hier op zijn plaats. Als niet naar het BNP van China als geheel wordt gekeken (zoals in de grafiek) maar naar het BNP per hoofd wordt duidelijk dat dit nog veel lager is dan van het gemiddelde OESO land. Eenvoudige berekeningen geven aan dat het nog makkelijk een jaar of 40 kan duren voordat China wat dit betreft de aansluiting heeft gevonden. Dit neemt natuurlijk niet weg dat China een belangrijke internationale gesprekspartner is geworden. Gelukkig is het voor China van groot belang dat de wereld niet protectionistischer uit deze recessie naar voren komt.

  3. Reinier Scheele zegt:

    De grafiek van Maddison toont een interessant schaalgebruik. Zo lijkt de mogelijkheid open te worden gelaten dat een deel van de wereld een negatief aandeel kan krijgen in het mondiaal product. Verder bemoeilijkt de niet-lineaire tijdschaal interpretaties. Na aanpassing kunnen conclusies getrokken worden uit de resulterende golfbewegingen. Zo is het niet ondenkbaar dat West-Europa in de eerste helft van deze eeuw een weer wat groter aandeel in de mondiale productie gaat verwerven. Voor China lijkt dat voor de hand te liggen. Daarentegen zouden de VS hun afnemende trend voortzetten. Als algemene conclusie zouden dan rond 2050 de VS en West-Europa samen nog een even groot aandeel kunnen hebben als China en India samen. Althans als India zijn eeuwenlange en slechts weinig om te buigen trend aanhoudt. De grote afwezigen in dit beeld zijn uiteraard Japan en Brazilie.
    Kan men er voorts nog iets voor Nederland uit concluderen? Met alle noodzakelijke voorbehoud vandien, lijkt een voortgezette rol in de wereldhandel aannemelijk. Omdat echter verwacht mag worden dat China veel meer voor de eigen markt gaat produceren, zullen technische producten substantieel duurder worden. Voor Nederland brengt dat een hernieuwde noodzaak met zich mee om onze eigen technische inbreng belangrijk aan te scherpen en te vergroten.

  4. Chris Peeters zegt:

    Ik vind ‘niet dat dit idee uitvoerbaar is, maar het pleidooi zegt genoeg’ wat erg kort door de bocht voor de suggestie van China voor het vervangen van de dollar als wereldvaluta.
    Is dit niet wat Keynes feitelijk bepleitte toen hij in Bretton Woods de invoering van een ‘bancor’ bepleitte? Toen voelde de VS er niet voor om eisen aan zichzelf te laten stellen, en Engeland was niet bij machte dat af te dwingen.
    Dat hebben we geweten. Nixon kon eenzijdig de goud-dollar convertibiliteit afschaffen om de wereld te laten meebetalen aan de kosten van de Vietnamoorlog. Conolly kon in de crisis van de jaren zeventig tegen de Europese ministers zeggen ‘de dollar is onze munt en jullie probleem’.
    De huidige crisis is (vooral) veroorzaakt doordat Greenspan op volstrekt onverantwoorde wijze met zeer lage rente de Amerikaanse consumptie (en huizenluchtbel) heeft aangejaagd.
    En heeft Obama nu toestemming gevraagd om met een uiterst riskante reddingsoperatie de Amerikaanse banken te redden? Het risico voor een Amerikaanse hyperinflatie – met catastrofale gevolgen voor de wereldeconomie- is zeer wel aanwezig. China loopt -als arm land!- het risico honderden miljarden dollar te verliezen op zijn dollartegoeden.
    China is feitelijk de enige kandidaat om die reusachtige berg Amerikaanse schulden op te kopen.
    Is het dan redelijk dat het eisen stelt aan het Amerikaanse gedrag (dat is meen ik de essentie van hun voorstel).
    Voor het eerst na Bretton Woods is er een kans om eisen te stellen aan het gedrag van de hegemoon (met rugdekking van de Chinese dollarreserves). Gelet op de ellende die Europa heeft ondervonden van het Amerikaanse gedrag zou het die mogelijkheid met beide handen moeten aangrijpen!

  5. Audrey Alimenti zegt:

    In dit artikel wordt verwezen naar een uitzending van VPRO’s Tegenlicht over een toekomstig supermodel. Meneer Schinkel zegt hierbij dat VEEL EXPERTS in die uitzending nog best veel waarde hechten aan het kapitalisme à la Verenigde Staten. Ik snap niet hoe de heer Schinkel aan “veel experts” komt die tijdens de uitzending aan het woord waren. Er waren maar DRIE “experts” uitgekozen en aan het woord tijdens die uitzending. Twee “experts” kozen uiteindelijk voor het model van de V.S en één voor het Braziliaans model. Ik bedoel, als een voorbeeld aangehaald wordt om een betoog kracht bij te zetten gebruik dan wel de juiste informatie.

  6. E.L.Samuels Voormalig Rijks Hoofdambtenaar zegt:

    Wat ik mis in het overigens voortreffelijke artikel van Schinkel is het niet denkbeeldige gevaar van een totale ineenstorting van de financiële markten, ondanks de goedbedoelde extra injecties door overheden. De VS lijken op dit moment feitelijk voor een staatsfaillisement te staan. Daarnaast bevindt de Amerikaanse consument – door een minstens ruim veertig jaar durende indoctrinatie van consumptiedwang en consumptiedrang – eveneens op of over de rand van faillisement. Beide feiten leveren voldoende stof voor grote bezorgdheid voor de integrale wereldeconomie nu en in de toekomst, vanwege de essentiële rol die de VS daarin vervullen. Met alle respect voor de lucide visie van Kishore Mahbubani terzake de veranderingen in de wereld waarin China en India de leidende actoren zullen zijn, kan men stellen dat zulks vooralsnog beslist nog niet het geval is. De uiterst behoedzame wijze waarop de Chinese regering bij de VS aandringt om vooral voorzichtig om te gaan met de door China in de VS geïnvesteerde middelen, spreekt voor zich. Men moet er overigens niet aan denken dat de Chinese regering de investeringen binnen zeer korte tijd opeist voor hergebruik in eigen land en eigen interne marktontwikkeling. Op zich ook geen ondenkbaar (horor- )scenario.

    Wat in dit verband in Schinkels artikel eveneens ontbreekt, is de weging van de kansen van eerst regionale en in uiterste consequentie intercontinentale conflicten. Daar waar de diplomatie uitgeput is geraakt, volgt meestal een bitter discours met inzet van wapens. Zo is het ook in de jaren dertig gegaan in de twintigste eeuw.
    Er ligt meer dan voldoende conflictstof opgetast tussen de VS en het huidige Rusland, tussen India en zijn buurland Pakistan, China en de VS, etcetera. Alleen Europa is het spoor bijster waar het gaat om “si vis pacem, para bellum”. En dat terwijl er toch overduidelijke ideologische scheidslijnen in een critische fase komen en er bovendien niet voor het eerst in de geschiedenis gewelddagige acties gaande dan wel te verwachten zijn vanwege tekorten aan water, voedsel, landbouwgrond, energiebronnen.

    Laten we hopen dat het niet zover komt, maar er wel rekening mee houden in de discusies over eerstens hoe de huidige veelkoppige crises te overleven en ten tweede te werken aan een nieuwe economische wereldorde na een eventuele beëindiging van de huidige neerwaartse spiraal.

  7. Marcel Bullinga, futurist zegt:

    Ik hoop van harte dat het business-as-usual scenario van Maarten Schinkel (crisis, opleving, crisis, opleving etcetera) uitkomt, maar ik vrees het ergste. Er zitten namelijk twee systeemfouten in de globale economie die ons lelijk gaan opbreken. De eerste systeemfout is dat ons geld geen echt geld meer is. In de afgelopen tien jaar tijd is een deel van ons geld, zonder dat we het wisten, nep-geld geworden met een bijbehorende nep-welvaart. De tweede systeemfout is dat de economie zelf niet duurzaam functioneert en dus krakend vast gaat lopen. De globale economie van de toekomst moet beide systeemfouten reparen, anders *is* er helemaal geen globale economie meer.

    *Systeemfout: piramidespel in plaats van businessmodel*
    Stiekem zijn we in 2008 een onzichtbare grens gepasseerd. We leven niet langer in een reële economie waarin met reële producten en diensten geld wordt verdiend en waarin gezonde schulden reële welvaart creëren. Een reële economie waarin geld als afspiegeling fungeert van die echte economie en als smeerolie fungeert. We maken nu een hulpeloos deel uit van een globaal piramidespel. En elk piramidespel gaat na verloop van tijd kapot. Een paar mensen worden er rijk van, door tijdig in en uit te stappen, maar de zeepbel barst hoe dan ook. De rekening komt terecht in de echte economie en bij de gewone werker. De rekening die we nu gepresenteerd krijgen, is niets vergeleken met wat ons te wachten staat als de zeepbel echt barst.

    De VS spelen de hoofdrol in dat piramidespel. Met geleend geld hebben ze jarenlange overconsumptie betaald. En wat doen ze nu? Ze gaan gewoon door met het maken van nog meer schulden. De VS zijn feitelijk failliet, alleen komt het de rest van de wereld beter uit net te doen alsof dat niet het geval is. Dat maakt deel uit van het piramidespel: dat er steeds weer nieuwe inleg is.

    Het piramidespel wordt aan de andere kant in stand gehouden door het perverse deel van de financiële sector. Je laat je eigen sector en de wereldeconomie kapot gaan; daarna laat je je opkopen met overheidsgeld; daarna laat je jezelf miljardenbonussen uitkeren. Het verbijsterende is niet eens de perversie op zich, maar het feit dat het gewoon doorgaat – ook nu nog. Nieuwste bonusnieuws van hedenochtend: 11,6 miljard aan bonus in 2008 voor 25 (25!) zogeheten “hedgefund-managers”.

    Dit bonusgeld is de systeemfout die ons gaat nekken. Het is namelijk nepgeld, gecreëerd door het zetten van een extra nul in een Excel-spreadsheet. Natuurlijk, voor de betrokken bonusontvangers is het echt; het staat op hun girorekening en ze kunnen er extra bewakers van inhuren. Maar het is geld dat niet, *helemaal nooit*, kan voortvloeien uit een normaal businessmodel. De financiële sector heeft in de afgelopen tien jaar stiekem afscheid genomen van businessmodellen. Dat heeft ze ingeruild voor een eigen en unieke band met het paradijs. Dat paradijs heet “gratis geld”, en het wordt gecreëerd door ongecontroleerde centrale banken, die soms gewoon privaat bezit zijn. Op deze manier hoeven banken geen reële diensten meer te leveren. Dat onderscheidt de financiële sector van alle andere sectoren in de globale economie, die *wel* reële diensten en reële producten moeten leveren voor hun geld. De goeden lijden hier, zoals altijd, onder de kwaden.

    *Duurzame wereldeconomie of helemaal geen*
    Wat zijn, vanuit deze analyse, nu toekomstvaste oplossingen? Ik zie 1 snelle oplossing en 1 langzame.

    Snel. Gezien de voortdenderende stroom aan miljardenbonussen is er helemaal geen crisis en zijn er dus ook geen bezuinigingen nodig. Haal het geld gewoon terug en stop het in de diverse staatskassen.

    Langzaam. Willen we überhaupt nog een globale economie hebben in de toekomst, dan mag die in niets lijken op het onduurzame monster dat we gecreëerd hebben. Ze moet gestoeld zijn op duurzaamheidprikkels.

    I. Afbraak van onze afhankelijkheid van het gif dat olie heet en de introductie van prikkels die duurzaamheid van energie en producten stimuleren. Zo worden de diensten van de natuur als dienstenleverancier noodgedwongen meegenomen in de prijzen.

    II. Afbraak van het monopolie van de financiële sector op het creëren en beheren van geld en de introductie van globaal toezicht. Dat maakt de weg vrij om “peer to peer” te lenen van de buren en aan de buren, zonder bank. Daarnaast herorganiseren we financieel vertrouwen en toezicht door het creëren van transparant geld. Dat is digitaal geld, waaronder waardepapieren, dat intelligent “gelabeld” is.
    Transparant geld weet wie de eigenaar is, waarvoor het geld gebruikt mag worden en waarvoor niet, en aan wie het wel of niet in een bepaalde tijdsperiode doorverkocht of geleend mag worden. Een toezichthouder is op die manier niet het zoveelste nieuwe megagrote instituut dat toch weer een eigen leven gaat leiden; nee, het toezicht zit ingebakken in het digitale geld zelf. Dat maakt toezicht op een globaal niveau fundamenteel beheersbaar en reduceert het zwart geld circuit in de komende twee decennia.

  8. Harry van Dalen, Universiteit van Tilburg en NIDI zegt:

    Hoewel economen de naam hebben om modellengek te zijn geldt dat die neiging tot modellenbewondering meer voor politici, managers en bestuurders. De verleiding is natuurlijk groot, je ziet een economie of bedrijf goed presteren en wat is er makkelijker dan de strategie van het land of bedrijf te kopiëren. Op een of ander manier heb ik altijd een diep wantrouwen voor dit soort modellenwerk. De vrouwen moeten maar volgens het Noorse model aan de top komen, de zorg voor kinderen doen we over aan het Zweedse model, de kredietcrisisaanpak doen we ook maar volgens Zweeds recept en vooral niet volgens Japans recept, het Japanse model is weer wel goed voor het langer doorwerken, het Canadese model gebruiken we voor als immigratiepolitiek, het Amerikaanse model is goed voor de wetenschap, het ontslagrecht doen we met de Deense slag, het Engelse model voor de werking van de publieke omroep, het Zwitserse model voor de werking van de democratie, en tja, het Nederlandse model is weer goed voor overleg. Al dit soort modellenadoratie gaat mank aan selectieve waarneming – het zijn vaak de uitblinkers/uitschieters op een bepaald terrein op een bepaald moment waar de aandacht naar uit gaat – en niet-overdraagbare culturele eigenschappen. Een modelkeuze is alleen al daarom al moeilijk of onmogelijk.
    Volgens mij is er maar één opdracht die al dit soort zaken overspant: een gevoel voor realisme en pragmatisme. Utopisten (en de tegenhanger Disutopisten) gaan het schip in wanneer zij geen contact meer hebben met de economie van het vrije veld. Utopisten gaan volledig op in hun gedroomde wereld en staan niet meer open voor kritiek of signalen die de droomwereld verstoren. Mensen die denken dat een volledig vrije markt werkt of een volledig centraal geplande economie zijn allebei romantici waar een steekje aan los zit. Het is iets waar de filosoof John Gray in zijn boek Black Mass al voor waarschuwde. Wie geen oog heeft voor realiteit maakt vroeg of laat ongelukken. Het zogenaamde Chinese groeiwonder is verre van een groeiwonder, maar gewoon een kwestie van keihard werken en het negeren van het falen van de markt. Het gezondheidszorgsysteem in China is het toonbeeld van marktfalen in optima forma, de milieuvervuiling kan niet groter zijn. Daarnaast zullen vele economieën ondervinden dat demografie een grotere invloed op hun welvaren heeft dan gedacht en dat het mooie groeiwonder van na de oorlog voor een deel toe te schrijven is aan het ‘demografische dividend’ van de babyboom: de uitzonderlijke bevolkingsgroei heeft een uitzonderlijk jonge bevolking opgeleverd die op hun beurt de economie een groei-impuls heeft gegeven.
    Kortom, een nuchtere realist laat zijn hoofd niet zo snel op hol brengen. Markt en overheid zijn beide onlosmakelijk met elkaar verbonden en volgens mij onderschrijven 99,9 procent van de economen die stelling. De grote vraag, die Schinkel stelt, is hoe het anders kan. Ik vind het een beetje een verzoek om een diepte-interview aan een brandweerman die de brand staat uit te blussen. Maar als ik een antwoord zou moeten verzinnen denk ik dat de beste papieren toch bij een stroming liggen die Richard Thaler en anderen hebben betiteld als libertair paternalisme. De overheid garandeert zoveel mogelijk de keuzevrijheid waar mogelijk, maar voor de overheid kan ook keuzemenu’s zodanig ontwerpen dat mensen betere keuzen maken, althans naar hun eigen inzicht. Er zitten nogal wat haken en ogen aan deze stroming omdat je gewoon de verantwoordelijkheid voor keuzes op een hoger niveau legt en wie garandeert weer dat die keuzes beter zijn. Het is een systeem in ontwikkeling, en het denken over een systeem dat de mens neemt zoals die is en niet zoals die behoort te zijn, dwingt in ieder geval tot het stellen van kritische vragen. De belangrijkste les is van de kredietcrisis is in feite dat iedereen van hoog tot laag té goed van vertrouwen is geweest. En vertrouwen mag in sommige gevallen de smeerolie voor de economie zijn, het geeft tegelijkertijd charlatans en oplichters de kans om te teren op andermans zak.

  9. Lans Bovenberg zegt:

    De economie draait op drie pijlers: de markt, overheid en normen en waarden. De verschillende door Schinkel genoemde modellen (VS, Scandinavië, Rijnland, China) kennen een andere verhouding en invulling van deze drie pijlers. Terwijl deze pijlers soms op het eerste gezicht op gespannen voet met elkaar staan, kunnen ze uiteindelijk niet zonder elkaar. De kredietcrisis heeft bijvoorbeeld laten zien dat de markt op internationaal niveau niet goed kan functioneren als de markt op dat niveau te weinig tegenspel krijgt van een sterke overheid en algemeen gedeelde normen en waarden. De internationale financiële markt heeft checks en balances nodig van samenwerking tussen verschillende overheden en internationaal gedeelde normen en waarden.

    De wereld staat nu voor de uitdaging om vorm te geven aan meer samenwerking tussen landen en aan gedeelde normen en waarden. Anders dreigt de wereld te fragmenteren. Maar tegelijkertijd blijft concurrentie tussen de verschillende modellen van groot belang. Juist door de grote verscheidenheid aan modellen kunnen we van elkaar leren wat werkt en wat niet. De waarde, groei en innovatie die wordt gecreëerd door handel wordt des te groter tussen landen en blokken als ze verschillen. Want dan kan ieder blok doen waar het goed in is. De modellen hebben elkaar dus nodig – juist omdat ze zo verschillend zijn. Het gaat in de economie om eenheid in verscheidenheid: meer eenheid kan resulteren in meer verscheidenheid. Iedereen kan zich specialiseren via internationale arbeidsdeling. We moeten daarvoor wel gezamenlijk spelregels afspreken voor eerlijke concurrentie. Zo kan concurrentie ook uiteindelijk niet zonder een vorm van internationale samenwerking. De wereld staat de komende jaren voor de opgave een goede balans te vinden tussen concurrentie en samenwerking.

    Europa kan een voortrekkersrol spelen bij deze opdracht. Want Europa is het laboratorium voor vrijwillige samenwerking tussen landen om eerlijke spelregels af te spreken over concurrentie en om te komen tot gedeelde normen en waarden. De kracht van Europa is eenheid in verscheidenheid. Verder is Europa de brug tussen het westen en het oosten, dwz tussen het Amerikaanse model dat concurrentie en de markt benadrukt en het Chinese model waar samenwerking en collectiviteit voorop staat. Het oude Europa staat voor een historische opdracht om met één stem te spreken op het mondiale podium zodat het met Amerika en China de wereld kan leiden in een tripolaire wereld. Europa heeft de sleutel in handen om te werken aan een wereld waarin voldoende samenwerking is om de mondiale problemen het hoofd te bieden die collectieve actie vereisen (denk aan klimaat) en waarin tegelijkertijd spelregels (zowel expliciete regels als impliciete, ongeschreven normen op basis van gedeelde waarden) worden afgesproken voor eerlijke beleidsconcurrentie.

  10. jmmj vogels zegt:

    De centrale banken zetten alles op alles voor een stabiel prijsniveau. Als de vraag sterk inzakt, dalen de prijzen. Stabiele prijzen betekenen dus vanzelf een vraag die niet sterk afneemt.
    Toch zakt de internationale handel flink in. Met name Japan beleeft een dramatische neergang van zijn export. Zie Japan grafieken.
    Hoe zijn deze twee zaken verenigbaar? Kan het niet zijn dat de kredietgaranties op internationale handel flink tekort schieten? De handel blijft dan niet achter door tekort schietende vraag, maar door onzekerheid over de betaling.

  11. Kees van der Hof zegt:

    De GROTE REPRESSIE en CHIMERICA
    Hoe de wereldeconomie er na deze Grote Recessie uit zal zien, staat inderdaad nog in de sterren geschreven. Toch wordt er zeker in de Angelsaksische wereld al druk over gespeculeerd. Terugkeer naar een business-as-usual van het Über-kapitalisme van vóór augustus 2007 is moeilijk voor te stellen. Toch is dat wat alle bankenreddingen, stimuleringsmaatregelen en het bijdrukken van heel veel nieuw geld (quantitative easing) door FED, Bank of England en Bank of Japan eigenlijk beogen. Voor de Harvard historicus Niall Ferguson is dat een onbegaanbare weg. Zelfs een gevaarlijke weg. En daarin staat hij niet alleen. Ferguson spreekt van de Great Repression. Het onderdrukken van het leeglopen van de Moeder aller Kredietbubbels. En dat is weer een classificatie van George Soros.

    Hoe de wereldeconomie een nieuw ‘evenwicht’ zal gaan vinden, chaotisch of orderlijk, ligt primair in de handen van de VS en China. Ferguson noemt deze combinatie Chimerica. De Chinese handelsoverschotten, teruggesluisd naar de VS, en Greenspan’s lage rente maakten ten lange leste deze moeder-aller-kredietbubbel mogelijk. Een terugkeer van Chimerica naar business-as-usual, dat wil zeggen voortgaande Amerikaanse handelstekorten en een groeiende dollarberg bij de Chinezen is ongewenst en op den duur niet houdbaar. Hun onderlinge verhouding en bereidheid oplossingen te vinden, vormen de sleutel tot stabilisatie van de wereldeconomie. Ook China met een huidig BBP van circa $ 4 biljoen zal zich moeten afvragen hoe groter het nog wil groeien. Met 20.000 dollar per hoofd van de bevolking zou het Chinese BBP nu $ 26 biljoen bedragen. Het dubbele van de VS met een per capita van $48.000. De milieuvervuiling in China heeft nu al immense vormen aangenomen. De grenzen van de op export gebaseerde Chinese groei lijken al in zicht te komen.

    Een tweede sleutel vormen de banken, die nog steeds niet voldoende gesaneerd zijn. Op de komende top van de G20 te Londen op 2 april zal substantieel zaken gedaan moeten worden. Met steun van de Europese Unie die met haar export naar China (voorop Duitsland) fors profiteert van Chimerica. Voorts mag Oost-Europa niet vergeten worden. Daar dreigt nog steeds een ‘Azië-crisis’. Louter mooie woorden van deze G20 top zou het toch al ernstig ondergraven vertrouwen bij bedrijven in de financiële en reële economie verder kunnen ondermijnen. Een meltdown en afglijden naar een depressie zijn dan niet langer uit te sluiten! Over de gevolgen daarvan kunnen we beter maar niet nadenken.

  12. a.a.snoodijk zegt:

    Op de vraag Welke wereldeconomie na de kredietcrisis?”is een uitvoerig antwoord gegeven door de Amerikaanse econoom Alvin Toffler. In zijn boek Grenzen aan de crisis, geeft hij in verschillende overgangsstrategieen aan wat te doen om het faillisement van onze industriele beschaving af te wenden en de noodzaak een nieuw economisch systeem te ontwikkelen. Heel verhelderend met oorspronkelijke antwoorden hoe we de crisis kunnen aanpakken. Rekening houdend met millieu, mens en maatschappij. Absolute aanrader dit boek. Maar wat ik bijna vergeet te vermelden, dit boek is geschreven in 1975!! Er is dus niets nieuws onder de zon. We lezen veel maar leren weinig.

  13. Rob Heine zegt:

    @dhr. Bovenberg

    “Juist door de grote verscheidenheid aan modellen kunnen we van elkaar leren wat werkt en wat niet.”

    Is de waarde van verscheidenheid dan dat het een experiment is waaruit ‘best practices’ naar voren kunnen komen? Of is verscheidenheid de ‘best practice’. Dat laatste lijkt me de lijn van de rest van uw betoog.

    M.b.t. deze lijn. Als heterogeniteit qua modellen geen experiment is maar de gewenste eindtoestand, dan moeten we de wereldeconomie beoordelen op haar huidige toestand en merites. In Afrika (“iedereen doet dan waar hij het beste in is”)zijn ze goed in armoede en overbevolking, in China in milieuvervuiling, in de VS en Europa in overconsumptie. De wereldburger voelt ontreddering en vrees voor een door zijn toenemende complexiteit op hol geslagen systeem dat niemand meer kan overzien, geen politicus en geen toezichthouder. Ons model is chaos, onkenbaar, onbestuurbaar. In de economie kunnen triljarden zomaar verdwijnen zonder dat iemand weet of hij bestolen is. Op ecologisch gebied is de schade zo mogelijk nog groter, zonder dat het ergens negatief op een balans staat. Is dit voor u een voldoende positief saldo? Wat voor wereld wil u nalaten aan uw kinderen?

    Elders in het NRC stond deze week een pleidooi van Henk Smeijsters voor een herbezinning op het kwantitatieve groeidenken dan ten grondslag ligt aan de economische malaise. Misschien kan hier een economisch model rond gefabriceerd worden. Duurzame economie, dat is wat er moet komen en wat er kan komen door deze economische crisis.

    Verscheidenheid in de invulling van verantwoordelijkheden tussen de drie pijlers die u noemt is prima, kan vruchtbaar zijn, zolang de overkoepelende doelstelling maar wordt opgepakt.

    Aan welke knoppen kunnen we dan draaien om dit te bereiken? Ik zie uit naar een plan van u met bijvoorbeeld Herman wijffels en Jaap van Duijn.

  14. Gb. Rustenburg zegt:

    Voorzichtig omgaan met uitkomsten van modellen.
    Gezaghebbende instituten, zoals CPB, OESO, IMF, Rabobank doen voorspellingen op basis van modellen, bijv. over economische groei. De voorspelling wordt dan als één cijfer gepresenteerd, bijv. een krimp van 3,5% in 2009. Het zou goed zijn indien economen een bandbreedte aangeven, i.p.v. een concreet cijfer. Modellen zijn slechts een hulpmiddel om tot uitspraken te komen, maar per definitie kunnen modellen honderd procent juiste uitspraken doen, niet op korte termijn, maar zeker niet op langere termijn. Terecht dat overheden en ondernemingen de cijfers van gezaghebbende instituten serieus nemen. Deze cijfers hebben zij mede nodig om tot zorgvuldige planningen te komen. Een bandbreedte noopt de overheden en ondernemingen tot meer zorgvuldigheid. In mijn advieswerk moet ik ondernemers voortdurend waarschuwen om niet al te veel waarde aan bijv. CPB-voorspellingen te hechten. Er is nog veel meer informatie die van belang is en meegewogen moet worden. Zo zijn hoge prijzen, laat staan extreem hoge prijzen van grondstoffen, olie e.d., altijd maar zeer tijdelijk. Economische groei gebaseerd op extreem hoge prijzen lijkt mooi, maar is eigenlijk een luchtbel. Prijsverlaging, dus ook een lagere economische groei is goed voor iedereen. Bovendien loopt de inflatie terug.
    Hardnekkig is ook het al oude cliché, dat deflatie rampzalig voor Nederland zou zijn. Consumenten zouden volgens economen dan hun aankopen steeds weer uitstellen, om op nog lagere prijzen te verwachten. Economen gaan er vanuit dat mensen rationele beslissingen nemen. In de meeste gevallen is dit niet juist, consumenten nemen meestal emotionele beslissingen. In tijden van onzekerheid en bij het ontbreken van vertrouwen in de nabije toekomst worden bepaalde aankoopbeslissingen wat uitgesteld. Ook in tijden van koopkrachtbehoud. Indien het geld ontbreekt, bijv. door werkloosheid of koersverliezen, dan worden aankopen niet gedaan, er worden tweedehands spullen aangeschaft of meer van prijsaanbiedingen geprofiteerd. Bij toename van vertrouwen zullen lagere prijzen sterk bijdragen aan economische groei.

  15. ICM Bal zegt:

    Zoals diverse reacties al aangeven dan wel impliceren, een zuiver vrije markt bestaat niet en heeft nooit bestaan. Overheden voeren toezicht uit en grijpen zonodig in. Hoe groter de disruptie, hoe ‘vrijheidsberovender’ het ingrijpen.

    Een vrije markt kan alleen bestaan dankzij vrijwillig of afgedwongen fatsoen. Hetzelfde geldt voor een democratie, die alleen bestaat dankzij een loyale (ooit gehoorzaam genoemde) burger. I hate to mention it maar dit geeft de positie van Wilders aan, hij floreert dankzij disloyaliteit. Dat komt niet goed, maar dat zal wel blijken.

    China, India of andere oncoming machten tonen hetzelfde afbreekpunt: loyaliteit. Alleen de mate, de gradatie van afdwingen verschilt.

  16. A. Oppenheim zegt:

    De enige expert in het echte probleem, het geschonden vertrouwen, is de investerende, beleggende, bestedende burger.
    Het zijn de burgers die weer een gevoel van vertrouwen durven toe te laten die het omslagpunt gaan bepalen.
    Het afleggen van een eed door de tot voor kort zo misleidende en zelfgenoegzame bankiers is daarvoor nauwelijks een reden. In de gezondheidszorg is die eed ook niet veel meer waard.
    Bankiers, fondsenbeheerders, ondernemers en politici die de burger het gevoel kunnen geven dat ze betrouwbaar en vooral eerlijk zijn, en een herkenbare analyse kunnen geven van hun misstappen, zouden dat vertrouwen terug kunnen brengen. Zij alleen.
    Pas daarna zal er aandacht zijn voor aanbevelingen ten aanzien van verbeterde systemen en meer waakzame toezichthouders.

  17. M. de Borst zegt:

    De globalisering, mede mogelijk gemaakt door de IT revolutie, heeft de celdeling van de (wereld)economie een ongekende snelheid gegeven. Outsourcing, een gezond economisch principe, is uitzinnig geprezen en droeg daardoor bij aan een steeds snellere economische celdeling.
    In dit proces is een economische natuurwet, t.w. ruilen tegen reëele economische waarde, op diverse terreinen schromelijk verontachtzaamd.

    De complexiteit is dermate toegenomen, dat steeds meer expertise nodig is om het economische proces gaande te houden. En het is met name de reëele ruilvoet van de expertise, die scheef is komen te liggen.
    Bijv. Een bankier vraagt voor de simpele handeling van beheer van spaargeld, een veel te hoge vergoeding, mede omdat hij zichzelf wijs maakt dat het een hoge graad van specialistische (dure)expertise nodig maakt en dat het afsluiten van een hypotheek in een sober klein gebouw, niet mogelijk is.

    En zo zijn er vele voorbeelden te noemen.

    Met de maatregelen die op dit moment genomen zijn en nog genomen gaan worden, wordt het probleem van het herstellen van de reëele economische ruilvoet, niet opgelost.
    De echte crisis, waarin het herijken van deze waarden gaat plaatsvinden, staat ons dus nog te wachten.

  18. Michel Tonen zegt:

    Er zijn interessante oplossingen de revue gepassseerd, maar wat is de toegevoegde waarde van het IMF? Zij krijgen een bedrag van circa 3000 mrd om dat te pompen in de huidige economie. Binnen het IMF zijn ook toezichthouders die de malaise niet hebben zien aankomen. Wellicht dat je eerst daar orde op zaken moet brengen en dan zal men ook eens moeten durven kijken naar de BIS.

    China zit in dezelfde opkopersrol die Japan al jaren heeft gespeeld t.o.v. de VS, maar toen de Aziatische crisis uitbrak,klapte het bankensysteem van Japan. En dat is toen onder toezicht van o.a. de Wereldbank en het IMF hervormd,maar Japan is daar niet goed van hersteld. Het geeft te denken.

  19. Gabriël Aubry zegt:

    Wereldwijde vraaguitval van 30 – 50%, afhankelijk van de branche, leidt tot het stilvallen van achterliggende productie en vervolgens tot faillissementen en dús het teloor gaan van investeringen, fysiek zowel als op de beurs. Genadeloos legt dat overconsumptie bloot mét de daarachterliggende overproductie en, natuurlijk, alle feitelijk onnodige werkgelegenheid. En dat alles in nauwelijks meer dan zes kalendermaanden. Deskundigen noemen het ongekend, de media noemen het crisis, ik noem het grote schoonmaak.

    De lichtpuntjes die men thans meent te zien, zoals het weer winst maken door sommige banken, zijn nauwelijks meer dan stabilisatie naar een minimale vraag (wat men nodig heeft voor het dagelijks bestaan). Wat rest is veel vernietigd kapitaal en ja, een zeer hoge werkloosheid met daarmee gepaard gaande onzekerheid.

    De oplossing die men thans wereldwijd nastreeft is om, als idioten, te proberen de (over)consumptie weer op gang te krijgen door stimuleringsmaatregelen van vele miljarden, biljoenen zelfs. Als die aanslaan verdwijnt immers leegstaande productiecapaciteit, neemt de werkgelegenheid toe en redt men de kapitalistisch economische zeepbel.

    Maar dat gaat niet gebeuren. Wereldwijd regent het faillissementen, door vooral het ontbreken van eigen vermogen, waardoor men geen reserves heeft om in te teren. Verder is veel gefinancierd met vreemd kapitaal waarvan, door de hoge vraaguitval, de lasten nagenoeg acuut niet meer te dragen zijn. Het gevolg is een (op korte termijn onherstelbaar) verlies van productiecapaciteit terwijl het begin van een herstel, de weg omhoog in de ogen van velen, nog niet eens in zicht is.
    Tel daarbij op dat nieuwe initiatieven niet tot ontwikkeling (kunnen) komen door het niet beschikbaar komen van geld via banken, uit begrijpelijke voorzichtigheid, en je hebt het door velen gevreesde doemscenario. Gemakshalve vergeet ik dan maar even het feit dat vele banken al failliet zouden zijn als zij niet overeind waren gehouden met belastinggeld.

    Het stimuleren van de economie door er geld in te pompen, à la de theorie van Maynard Keynes, waarvan Ben Bernanke een volgeling is, levert geen herstel, zoals het in banken pompen van geld (tot nu toe in ieder geval) geen verruiming van kredieten heeft opgeleverd, integendeel, deskundigen roepen dat er nog veel meer bij moet. Wat het wél doet is volgende generaties opzadelen met torenhoge en onbetaalbare rekeningen. En mòchten de maatregelen op enig moment wél leiden tot het aantrekken van vraag, dan heeft men inmiddels zo ongelooflijk veel geld in de economie gepompt (monetaire financiering) dat zulks alsdan acuut leidt tot gillende inflatie en, à la Zimbabwe, het waardeloos worden van geld. De Zimbabwaanse dollar bestaat feitelijk al niet meer.

    Linksom of rechtsom zal het dus verder omlaag gaan.

    Dit alles leidt ons naar een politieke crisis omdat de huidige leiders niet bij machte zullen blijken orde op zaken te stellen. Zij willen immers terug naar af, maar dat die richting is afgesloten, liet ik hiervoor zien.
    Doordat herstel uitblijft verliezen de leiders hun geloofwaardigheid en als gevolg daarvan hun machtsbasis.

    De oplossing is niét meer en meer geld in het systeem pompen maar gelegen in het afschaffen daarvan, met het tegelijkertijd (voorlopig even) blijven doen door iedereen van wat men al deed. In de daarna komende (nieuwe) wereld gaat vervolgens, in de komende decennia, een nieuw, en rechtvaardiger, evenwicht ontstaan.

    Een evenwicht zónder geld.

  20. peter van bergeijk zegt:

    Het is maar de vraag of het herstel zo spoedig zal komen als het IMF en andere internationale voorspellers voorzien. In het economenblad ESB zet ik gegevens op een rijtje voor een twintigtal zware crisisgevallen die voor 2007 plaatsvonden. Hierbij kijk ik naar de krimp van het invoervolume en het aantal kwartalen dat de invoer in deze individuele crises bleef dalen. Dat laat zien dat de daling van het invoervolume tijdens een financiële crisis substantieel is. Deze bedraagt gemiddeld 25 procent. Dat is twee maal zo veel als waar de somberste voorspellingen vanuit gaan, waarbij de duur van de krimp gemiddeld vijf kwartalen beloopt. Indien men aanneemt dat de omvang en het herstelproces van de individuele financiële crises ook maatgevend zijn in de huidige context dan wordt de diepte van de val van de wereldhandel door de internationale instituties fors onderschat, maar is hun inschatting dat de bodem in 2010 wordt bereikt goed te plaatsen.

    De belangrijkste kanttekening die daarbij moet worden geplaatst is dat het beeld voor de duur ingrijpend verandert indien we ons in het kwadrant van de Grote Depressie bevinden. Toen daalden de invoervolumes gemiddeld zestien kwartalen. De uiteindelijke krimp is destijds gemiddeld wel van een vergelijkbare omvang geweest als die van de individuele financiële crises in de recente geschiedenis.

    Pas op het eind van de jaren dertig keren de handelsvolumes onder invloed van de oorlogsvoorbereidingen weer op het oude niveau terug. Bij de individuele financiële crises in de periode 1970-2000 duurt het herstel tot oude niveaus gemiddeld dertien kwartalen, met een standaarddeviatie van 7,6. De grote depressie heeft dus langere effecten op de invoer had dan een gemiddelde crisis tussen 1970-2007.

    Ik denk dat het verstandig is om dit soort uitkomsten te beschouwen als een ondergrens voor de duur en diepte van de invoerkrimp waarmee rekening moet worden gehouden tijdens de huidige crisis. De problemen zijn met name zo ingrijpend voor internationale handel door het ineenstorten van het onderlinge vertrouwen in de bankensector. Hierdoor worden internationale transacties en kredietverlening bijzonder sterk gehinderd. Dit is een mondiaal probleem en hier verschillen de huidige problemen dus wezenlijk van de geïnventariseerde individuele financiële crises.

  21. Stefan Cement zegt:

    De vier modellen die worden genoemd, welke blijkt het minst last van de crisis te hebben? De sociaal democratische modellen… die van Scandinavie dus.

    De voordelen van het Scandinavische model: De publieke sector is niet geprivatiseerd, dus behoud van banen in slechte tijden, dus behoud van welvaart. Goede uitkeringen, sterke overheid en sterke multinationals waar enige overheid bemoeienis vrij normaal is, allemaal voor het behoud van welvaart en gemeenschapszin (samenwerking). Men werkt er niet om te overleven in een model of systeem, maar om te leven en genieten (niet per se om het geld).

    Het nieuwe model: Sterke grote overheid voor de burgers, die erg duurzaam is en een kleinere maar dominante vrije markt aandeel van het bnp. (60 – 70% van het bnp is overheid, 30 – 40 % is privaat) Dit zorgt voor een duurzame groei van een 0,5 – 1,0 % per jaar en minder periodes van krimp. Een bijkomend voordeel: onze aarde gaat misschien niet naar de klote, dit is immers ons grootste publieke bezit.

    De nieuwe wereldorde zal de komende 30 jaar nog bij 1. Europa 2. VS 3. China en 4. India liggen. Voorwaarde voor het bovenstaande: dat China de VS niet bankroet maakt en er een mogelijke oorlog voor de deur staat.

    Deze crisis geeft Nederland en delen van Europa de kans om snel naar het Scandinavisch model toe te groeien. Laten we er gebruik van maken en vrijwel nooit meer een paniekcrisis meemaken!

  22. Michel Tonen zegt:

    We hebben nog twee bubbles in het verschiet, te weten de bailout bubble en dan China met het opkopen van de bonds.

    De stelling dat je pas gaat reageren als de bubble geklapt is lijkt me nu zeer onverstandig.
    Als ik naar het quantitative risk management kijk zoals ze nu uitgevoerd wordt,dan durf ik u de garantie te geven dat de komende bubbles sneller zullen komen dan u denkt. Quantative risk management is een belangrijk instrument geworden om de risico’s inzake de internationale economie te kunnen bevatten, maar welke parameters zijn nu van belang.? Hoe ga je ermee om,want kijk maar eens goed om u heen elke bank hier daar een team op zitten. Daar worden keuzes gemaakt en getest , het handigste zou zijn een artificial intelligence, is nog toekomstmuziek dus je kunt er donder op zeggen dat we nog een aantal hikjes te gaan hebben.

Reageren op dit bericht is niet meer mogelijk.