Archief voor: februari 2008


Een zeldzaam vechtlustig toernooi

Ze zijn eind vorige week uit Mexico vertrokken, de superschakers onder leiding van Anand. De reis van Morelia naar het Spaanse Linares, al 25 jaar lang het echte huis van het supertoernooi, duurde 24 uur en na een korte rustpauze zijn ze donderdag begonnen aan de achtste ronde.

Vergeef me al dat supergebral; ‘supertoernooi’ is nu eenmaal sinds vele jaren de officiële naam van het toernooi en niet zonder grond.

Lees verder »

1990, Een goed schaakjaar

Het was in 1990 dat Magnus Carlsen en Sergei Karjakin geboren werden, die nu de jonge goden van de schaakwereld zijn. De Rus Ian Nepomniachtchi is van hetzelfde jaar en toen hij elf jaar was stond hij op de wereldranglijst iets hoger dan Carlsen en Karjakin. Die twee hebben hem ruimschoots ingehaald, maar Nepo hoeft de moed niet te laten zakken. Hij is nog maar 17 jaar en vorige week won hij in Moskou het Aeroflottoernooi, het meest gerenommeerde open toernooi ter wereld, met een eerste prijs van 30.000 dollar.

Lees verder »

Handtekeningenjagers

Het mooiste verhaal over handtekeningenjagers dat ik ken, gaat over de Amerikaanse schrijver Truman Capote.

Lees verder »

Bescheidenheid helpt niet

Kort voor het toernooi om het wereldkampioenschap dat vorig jaar in Mexico werd gehouden, zei Anand in een interview dat hij Vladimir Kramnik als de favoriet beschouwde. Hij zou dat toernooi zelf winnen en natuurlijk hield hij daar al ernstig rekening mee toen hij dat interview gaf, maar hij deed zich bescheiden voor.

Lees verder »

Fischers geest verslaat Kasparov

In december van vorig jaar werd op de Canadese eBay website een opmerkelijk boek aangeboden: My 61 Memorable Games, door Bobby Fischer. Er kon geboden worden op de eerste vijftig exemplaren van de oplage.

Lees verder »

Daniel Stellwagen wint van Svidler

Na de wedstrijden van de Nederlandse clubcompetitie, die ongeveer een keer per maand op zaterdag gespeeld worden, haasten veel Nederlandse schakers zich naar hun auto of naar het treinstation, niet om naar huis te gaan, maar om door te rijden naar Duitsland, waar ze dan zondag nog mee kunnen doen aan de Bundesliga.

Lees verder »

Een steen voor Tartakower

Een steen voor Tartakower

Het schaakrondje in Parijs begint in het Luxembourg park. De schaaktafeltjes staan klaar en er zit ook al iemand, maar hij moet nog even op een tegenstander wachten. Ook hier zijn de schakers waarschijnlijk geen ochtendmensen en het is nog geen twaalf uur.

We gaan verder naar de schaakboekhandel Variantes in de rue St-André des Arts, dicht bij het Place St. Michel. Mijn vrouw laat me daar altijd graag alleen, want dichtbij is voor haar een klerenwinkel die absoluut niet gemist mag worden, ook al heeft ze er deze keer een hard hoofd in of de voorjaarscollectie al aangekomen is.

De boekhandel heeft de internationale schaakboeken die overal zijn, maar ik vind er bijna alijd wel iets, meestal in het Frans, dat je elders niet ziet, ook deze keer.

Op het prikbord in de winkel is iets veranderd: de advertenties voor de snelschaaktoernooitjes die een paar per week in een Chinees restaurant gehouden werden, zijn er niet meer. Vorige keer dat ik hier was hoorde ik dat de organisator wel de inleggelden opstreek, maar niet de beloofde prijzen uitkeerde, en dat heeft de animo misschien verminderd.

In de klerenwinkel was de voorjaarscollectie er inderdaad nog niet, maar er was wel een winterjurk die zo was afgeprijsd dat je een dief van je portemonnee zou zijn als je die liet liggen.

Gelukkig met onze aankopen gaan we verder naar de rue Lafayette, zij voor het gelijknamige warenhuis en ik voor een andere boekhandel, die weliswaar Le Damier de l’Opéra heet, maar toch geen damwinkel, maar een schaakwinkel is. Mijn vrouw gaat even mee naar binnen en als ze een poster van Capablanca ziet zegt ze: ,,Wat een mooie man!” Dat zeiden de vrouwen ook altijd toen Capablanca nog leefde.

Dit is mijn vaste tochtje als ik in Parijs ben, maar soms knoop ik er een kleine pelgrimage aan vast. Bij het graf van Aljechin, op het kerkhof van Montparnasse, ben ik al eens geweest. Nu zou ik willen zien hoe Kramnik woont, maar ik weet zijn adres in Parijs niet. Als ik het wel zou weten, zou ik waarschijnlijk toch niet gaan, want stel je voor dat hij net naar buiten zou komen, dan zou ik een journalistieke rioolrat lijken die hem zijn privacy niet gunt.

We gaan naar de rue Mazagran, waar op nummer 4 het Hotel Mazagran is. Daar heeft Saviely Tartakower gewoond, een van mijn helden. De schaakhistoricus Edward Winter heeft uitgezocht dat hij er woonde tot zijn dood in 1956, in ieder geval vanaf 1929 en misschien nog eerder.

Het leek me vroeger altijd heerlijk om in een hotel te wonen, maar dan stelde ik me wel een veel luxueuzer hotel voor dan het sobere Mazagran. In 1952 hebben Hein Donner en zijn vriendin Olga Tartakower daar opgezocht en ze schrokken een beetje van zijn schamele kamer.

Het kan zijn dat Tartakower daar ging wonen omdat de rue Mazagran uitkomt op de rue de l’Echiquier, de Schaakbordstraat, maar waarschijnlijk was de prijs van de kamers, die nog steeds erg laag is voor Parijs, belangrijker. In zijn goede tijd verdiende Tartakower uitstekend, maar veel van zijn geld ging naar de casinotafels.

We gaan het hotel binnen om te vragen of ze daar nog iets weten over Xavier Tartacover, zoals hij in Frankrijk heette. De receptioniste weet niets over hem, wat haar niet kwalijk valt te nemen, want ze is na zijn dood geboren. Ze vindt het leuk dat wij informeren naar een hotelgast die kennelijk vermaard is en ze belooft dat ze zal informeren.

We moeten haar wel een weekje de tijd geven, want het zal niet eenvoudig zijn. Het hotel is vaak van eigenaar verwisseld, zegt ze. Een jood, een Chinees, een Marokkaan, nu een Algerijn… Die jood lijkt me de beste kans, zeg ik, en dat denkt zij ook.

Ik zing de lof van de grote Tartacover en zeg dat er eigenlijk een gevelsteen op het hotel moet komen. ‘Hier woonde en werkte tussen 1929 en 1956 Xavier Tartacover (1887-1956), schaker, schrijver en dichter.’

Het lijkt de receptioniste een uitstekend idee, dus als de nieuwe Algerijnse eigenaar van schaken houdt of van Russische poëzie, dan komt die steen er wel.

Tartakowers tegenstander in de volgende partij, die in 1926 gespeeld werd op de Amsterdamse Schaakclub, is J. H. Pannekoek, een oom van de vroeg overleden televisieregisseur en documentairemaker Jop Pannekoek. Jop vertelde me eens dat zijn oom een tijdje niet mocht schaken van zijn ouders, omdat hij moest studeren, en dat hij toen in sommige toernooien onder het pseudoniem Oliphant optrad.

Lees verder »