NPCF, PGO en VWS


Eerder werd op dit blog geschreven over de Nederlandse Patiënten en Consumenten Federatie (NPCF). Zie hier. Wat is er aan de hand? Deze federatie bleek er nogal eens net zo over te denken als het ministerie van Volksgezondheid. Geen wonder, schreef niet praktiserend huisarts Jongejan in een reactie op dit blog, want de federatie ontvangt, via het fonds PGO, subsidie van het ministerie van Volksgezondheid. De NPCF had hier verder geen ruchtbaarheid aan gegeven, maar kwam eerder wel met een onderzoek waaruit bleek dat 94 procent van de patiënten in Nederland voor het Eletronisch Patiëntendossier (EPD) zou zijn.

Kamerlid Fleur Agema (PVV) heeft later vragen gesteld aan minister Klink over de subsidie van een kwart miljoen aan de NPCF voor het aanstellen van een interim-directeur. Daar kwam onlangs een antwoord op:

De gevraagde bedragen waren bedoeld voor de bekostiging van een interim-directeur in de periode april 2008 tot en met maart 2009. Behalve de kosten van de interim-directeur omvatten de genoemde bedragen ook de kosten voor BTW, een tarief van ongeveer 20% voor het bureau dat de interim-manager uithuurt, de kosten voor pensioen- en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen en dergelijke. Overigens zijn er voor de vergoedingen voor interim-managers vooralsnog geen gereguleerde maxima.

Daarmee verdiende de interim-directeur dus meer dan de huidige Balkenendenorm (181.000 euro). De minister benadrukt dat de subsidie via het fonds PGO liep en dat de subsidie is verstrekt omdat “de NPCF zich anders in de geschetste onzekere situatie langdurig had moeten vastleggen door een nieuwe manager in dienstverband aan te trekken.” Die situatie ontstond door het vertrek van directeur Iris van Bennekom. Zij kreeg een baan bij, jawel, het ministerie van Volksgezondheid.

Agema stelde daar ook nog een vraag over:

Deelt u de mening dat de schijn van vriendjespolitiek hier aanwezig is, aangezien de extra subsidie bij VWS vandaan komt, waar de oud-directeur is gaan werken? Hoe gaat u dit herstellen?

Het antwoord:

Er is geen enkel verband tussen de beide aangelegenheden.

Overigens is het het fonds PGO eind 2008 opgeheven en overgeheveld naar VWS. Als Unit fonds PGO hangt het als uitvoeringsorganisatie onder het CIBG.

Inmiddels is de nieuwe directeur aangetreden: Atie Schipaanboord. Zij zat waarschijnlijk in 2006 in de VWS-commissie van de VVD . Alleen toen als mevrouw A Schilpaanboord. Verder is namelijk nooit iets van mevrouw Schilpaanboord vernomen.

Snel meer…


Dit bericht heeft 6 reacties op “NPCF, PGO en VWS”

  1. Lisa de Wit zegt:

    Lees voor de aardigheid ook eens wat de NPCF schrijft over de meldactie EPD.

    De meerderheid van de deelnemers aan de meldactie maakt zich zorgen, maar de conclusie is dat ze denken dat het wel goed komt als het landelijk EPD wordt ingevoerd.

  2. DH Zwanenburg zegt:

    Ik zou voor de aardigheid ook eens aan de NPCF vragen aan welke representatieve groep zij ondervroegen in hun enquete aangaande het L-EPD.
    Zo representatief bleek die volgens mij niet te zijn.

    Ik heb hen hierover gemailed en kreeg als antwoord:

    TNS NIPO heeft een database met ongeveer 200.000 Nederlanders die hebben aangegeven dat zij regelmatig willen meedoen aan onderzoek van TNS NIPO.
    Vanuit deze groep is een representatieve steekproef genomen met een extra groep chronisch zieken. Dus meer chronisch zieken dan normaliter in een steekproef. De gegevens zijn hierop wel gecorrigeerd (er is dus bij de verwerking en conclusies rekening gehouden met de grotere groep chronisch zieken).
    Bruto steekproef: n=1.554, respons van 79,5%.
    De resultaten zijn gewogen op leeftijd, geslacht, huishoudgrootte, opleiding, provincie, sociale klasse en wel/niet chronisch ziek.

    Ook waren de vragen en toelichtingen niet altijd zo neutraal:
    Bijvoorbeeld:

    In Nederland wordt gewerkt aan de invoering van het landelijk elektronisch patiëntendossier (EPD). Met het EPD kunnen zorgverleners medische gegevens met elkaar uitwisselen. Zo kunnen ze snel actuele medische gegevens opvragen en inzien. Ook als er ’s
    avonds of in het weekend zorg nodig is.”

    Of:
    Het opvragen, verzenden en bewaren van uw medische gegevens wordt streng beveiligd.
    Alleen een zorgverlener die u behandelt, mag uw medische gegevens opvragen. Om te
    controleren of zorgverleners terecht uw medische gegevens opvragen, wordt bijgehouden
    welke zorgverlener op welk moment uw gegevens heeft opgevraagd.
    In hoeverre heeft u vertrouwen in de betrouwbaarheid van de uitwisseling van medische
    gegevens?
    1  zeer veel vertrouwen
    2  redelijk veel vertrouwen
    3  niet veel vertrouwen
    4  helemaal geen vertrouwen
    5  weet niet

    En helemaal, als open vraag gesteld…….:
    Wat zou de overheid kunnen doen om uw vertrouwen in het EPD te vergroten?

    En ook:
    Op een huisartsenpost of eerste hulp afdeling van een ziekenhuis zijn op dit moment over
    het algemeen GEEN medische gegevens van patiënten bekend. Door het spoedeisende
    karakter van de klachten is er vaak geen tijd om belangrijke patiëntgegevens op te vragen
    bij de eigen huisarts of eventueel de behandelende arts van de patiënt.

    (Hier staan mi onjuistheden in…..op een HAP is juist wel zeer vaak inzage in gegevens mogelijk. Kleinschalig, je kent de huisartsen die inzage hebben, wordt er ook over teruggerapporteerd, momentaan!!!!)

    Afijn, mi heel veel suggestieve vragen, een verder onderzoekje meer dan waard.

    DH Zwanenburg

  3. Jeroen van Wijngaarden zegt:

    Prima dat er aandacht is voor de niet onafhankelijke en niet representatieve positie van de NPCF. Het is een goede club die veel waardevolle standpunten inneemt in het zorgdebat. Maar de club wordt te vaak door zichzelf en door de media neergezet als onafhankelijke spreekbuis van de patienten en dat kan de club niet waarmaken. De NPCF is daarvoor te vaak mopperend over zorgverleners/zorginstellingen en opvallend vaak positief over VWS-plannen en zorgverzekeraars. En de subsidierelatie met VWS is natuurlijk helemaal uit den boze voor een echt onafhankelijke club. Kortom, een goede club, maar met iets te veel pretenties. Jammer dat je andere politieke partijen dan de PVV hier niet over hoort.

  4. A. Oppenheim zegt:

    Voorafgaande aan het begrip subsidie, wordt dat geld belastinggeld genoemd,
    daaraan voorafgaande was het een deel van ons aller inkomen, en daarvoor… was het misschien andermans belastinggeld of subsidie. Of andermans inkomen.
    Geld gaat meestal net zo rond als de wijnvlek van eergister op het vuile tafelblad.

  5. R. Peters zegt:

    Het NPCF: dat likt wel het juichblaadje van de Gemeente – Kan ook niet op gereageerd worden..
    Als patiënt kan ik me helemaal niet gerepresenteerd voelen door een mevrouw die zachtkens vanuit een commissie is doorgeschoven naar een directeurschap.

    En blijkens de brief van de KNMG – (http://knmg.artsennet.nl/web/file?uuid=bd8573d0-ff88-4c67-acab-babcaea9df4b&owner=1b1b41d7-1539-49c1-a4be-43f75eb00401) – werkt het aan die kant ook bevreemding door niet echt mee te willen werken aan transparantie.

  6. George Berger PhD zegt:

    Ik ben helemaal niet positief over VWS en welke gesubsideerde Nederlandse organisatie ook. Het door het Kabinet opgelegde Zorgstelsel heeft een schaduwzijde. ik als Inwoner-af van Amsterdam heeft dit persoonlijk ervaren. Maar mijn onderzoeks verslaag is niet bedoeld als een “zielig” verhaal. Het is gepubliceerd op een gerespecteerde website. Ik cut-and-paste het hier:

    DUTCH HEALTHCARE IS A DANGEROUS ‘ANOMALY IN EUROPE’

    George Berger (PhD), Uppsala, Sweden
    30 May 2009

    The Netherlands is often thought to have a system of public healthcare whose generosity and effectiveness approaches those of the Scandinavian countries. Such notions no longer reflect reality. The country once had a mixed, public-private system that guaranteed access to everyone, provided excellent service, and was financed by private policies and taxes. One’s source of coverage (private insurer or government schemes) depended on one’s income and employment situation. It worked reasonably well. I was proud to enter it when I left America to work in the Netherlands in 1972. I had attained an academic position in a society that was far more rationally and decently organized than was the USA.
    Although there were forebodings my enthusiasm ended abruptly in 2007, when my Dutch wife became seriously ill. She was 72, I was 64. Misdiagnoses, 7 appointments cancelled without explanation or apology, and an outright lie straight in her face by the head specialist of a hospital division ruined her health for good. I was furious at what I thought were the failures of individuals: the usual story of uncaring personnel and inefficient bureaucracy familiar to users of the NHS.
    I was wrong. In January of 2006 control over the Dutch medical system (except for a tax-funded system for difficultly insurable expenditures, the AWBZ) was transferred from the State to the private insurance firms by government decrees and legislation. Funding of facilities and staff was divided between tax revenues and premiums. The government guarantees everyone a ‘basic package’ provided by the insurers, but the latter determine the size, quality, and cost of the many remaining care provisions and facilities. State-supervised competition among insurers—called Regulated Competition in the USA—was the officially voiced mantra. Profit maximization, free market deregulation, and future privatization were and are the true motives. The public, whose inordinate respect for any authority has been ingrained in them since the 80 Years War by Calvin’s local henchmen, the Dutch Protestant priests, were easily fooled into thinking that this new system would work to their advantage. I am not of Dutch descent and was not deceived. My study of these changes since the onset of my wife’s illness led me to strongly suspect that her neglect was mandated by rules set by insurers and politicians acting in collusion. I decided that we were dealing with institutionalized age discrimination. I informed people but could do little except describe what had happened and voice my suspicions. Few Dutch persons believed me. My impression was and is that few wanted to believe me.
    Last December I was diagnosed as having aggressive prostate cancer and applied for treatment at the (Calvinist) Free University Medical Center in my city of residence, Amsterdam. The treatment offered seemed to be minimal, and my initial attempts to secure definite dates for tests were disregarded. A highly placed medical friend employed by a leading hospital in Manhattan confirmed the minimalism. I flew in secret to Sweden, for a second opinion and treatment plan at Uppsala Care, a division of the prestigious Academic Hospital (Akademiska Sjukhuset) of the great University of Uppsala. Two highly regarded specialists spoke with me and examined the tests results that I had brought with me. One decided that my condition was so serious that action within six weeks was necessary. They proposed a treatment plan that was far more extensive than the two proposed by ‘my’ Free University urologist, Dr R.J.A. van Moorselaar (I have now completed the first two components of the plan’s finalized version.)
    I confronted Dr. van Moorselaar and asked him why his plans omitted a certain procedure that the Uppsala specialists said was an important part of their treatment. I did not tell him about my visit abroad. He gave me no medical reason but mentioned a Dutch ‘directive’ governing treatment. It is now official policy. I was shocked when I found that directive’s PDF and saw that its archival name (here translated without abbreviations) was ‘65+ prostate carcinoma 2007.’ Dr. van Moorselaar was one of its writers. (After I voiced my suspicions in public the archival name was changed. The ‘65+’ is no longer mentioned.) I was 66 and suspected government-sanctioned age discrimination motivated by the cost-cutting superprofit plans of the insurers. I moved quickly to Uppsala, after fruitlessly attempting to publicize this in the Dutch press, and sought proof for my surmise. My fear was and is that such insurer-dominated deadly practices, if now active in the Netherlands, would be adopted by other EU countries. For their politicians could succumb to the influence of national and multinational insurance conglomerates such as AIG, whose corporate connections with my and other Dutch insurers ought to be more widely known and might be the source of the shabby options offered me by Dr van Moorselaar. The EU would lose a major component of its humanitarianism. (The state of Massachusetts has adopted a version of the Dutch system, and an influential American healthcare economist, Professor Alain Enthoven of Stanford University, has been urging its use throughout the USA.).
    Late in March I obtained the needed proof. My source is a medical specialist employed by a hospital in the Netherlands (where most specialists work exclusively for public hospitals). This person is not of Dutch birth. This source told a reliable acquaintence of mine that a secret system of prioritization indeed exists in the Netherlands. It regulates the granting and withholding of treatment, or parts of internationally standard treatments. It is based on at least three factors: age, cost, and relevant statistics. Given my personal experience, research, and discovery of the PDF, I now maintain that this system was inspired by the insurers, developed in secret by government committees set up to study these issues, and then adopted as official but unannounced policy whose ultimate aim is twofold: (1) cost-cutting that increases profits and saves the government money, and (2) consequent service inefficiencies, so that the possibly complicit directors of medical institutions will beg for privatization as an attractive alternative that will have the support of a public desperate for decent healthcare. Something like this has already occurred in one Amsterdam hospital, Slotervaart, which is now owned by big business.
    I hold that this hitherto unknown arrangement was set in motion right after the transfer of power in January 2006. Whatever the details might be, in no other EU country do the insurance companies have such extensive decision-making freedom that national law prevents its government from interfering with most of their activities. (This differentiates the secretive Dutch system from the UK’s, in which NICE [National Institute for Clinical Excellence] does the dirty work but can be publically called to account.) For this reason EU civil servants have called the Netherlands an ‘anomaly in Europe.’ Are elderly persons considered—even in the higher echelons of the EU—economically unproductive and hence financial burdens rather than sources of pride? And who bears these ‘burdens’ in the Netherlands? Not the taxpayer, but the government and insurers, who try to prevent any increase in their expenditures. Dutch citizens and legal residents pay their premiums and healthcare taxes every month, or are granted the basic package, in the expectation of receiving adequate and expert medical attention when necessary. Although many are vaguely aware that something is wrong, few know that and how they are being cruelly deceived. Does the reader want this dangerous anomaly to become the rule in the EU? The danger is real.

Reageren:

Wilt u uw reactie met volledige voornaam/-letters en achternaam ondertekenen? De NRC redactie probeert iedereen met open vizier te laten discussiëren. Zie de NRC Netiquette.