Onderwijsdebat is op betere weg, maar gepast crisisbesef ontbreekt

Tussen de motorblokken en opengewerkte vrachtwagencabines spraken zij urenlang over de tafel van zes. Een paar honderd leerkrachten, velen uit het basisonderwijs, hadden laatst besloten hun vrije zaterdag te besteden aan het rekenonderwijs. In het Instituut voor Autobranche en Management in Driebergen maakten zij de rekening op van een bewogen jaar.

De aanleiding was zorgelijk en toch was er hoop. Wat begon als gebundelde verwondering van een handjevol docenten in basis- en voortgezet onderwijs, gesteund door enkele academische wiskundigen, is dit jaar uitgegroeid tot meer dan een beweging. Behalve een aantal verstokte aanhangers van het Utrechtse Freudenthal Instituut is er vrijwel niemand die nog beweert dat het met het rekenen op Nederlandse scholen goed gaat.

De overal ingevoerde rekenmethode, die zogenaamd aansluit bij de belevingswereld van het kind, de ‘realistisch’ genaamde methode met veel plaatjes en schattende aanpak van rekenopgaven, heeft volgens onderzoek na onderzoek ertoe bijgedragen dat kinderen geen routine hebben in het systematisch en moeiteloos oplossen van rekenvraagstukken. De lerarenopleiding, de verpleging en allerlei andere beroepen waarbij het moeiteloos omgaan met getallen cruciaal is,  zijn intussen volgestroomd met een generatie die worstelt met dezelfde handicap: kan niet rekenen. Een rekenmachine vult geen injectiespuit.

Op de rekenconferentie in Driebergen, georganiseerd door Beter Onderwijs Nederland, lieten drie enthousiaste onderwijzeressen van de Zalmplaatschool uit Hoogvliet zien hoe zij Talrijk, de realistische rekenmethode waar hun school mee werkt, bruikbaar hebben gemaakt door er een hele aanvullende rekenmethode naast te ontwerpen. Voor iedere fase hebben zij eigen materiaal verzameld. Opdat de kinderen genoeg inzicht en oefening krijgen.

Ook deze week kwam weer zo’n studie uit, het internationale TIMMS-onderzoek 2007, die de gestage achteruitgang van het Nederlandse rekenen bevestigde. Onze kinderen eindigden bij de laagste 30 procent (ver onder leeftijdgenootjes uit onder meer Kazachstan, Letland, Armenië en Georgië) bij het uitvoeren van de som 942-415. Het nu geldende kolomsgewijs aftrekken geeft onvoldoende houvast.

De Freudenthalers zullen binnenkort ongetwijfeld uitleggen dat het aan een verkeerd soort bladeren op de rails lag, maar iedere ouder met enige belangstelling voor zijn kind ziet dat er geen beproefde methode voor de staartdeling in de plaats is gekomen. Docenten in het voortgezet onderwijs, die aan de slag willen met natuurkundige begrippen, stellen vast dat ook kinderen met een mooie Cito-score niet goed met breuken kunnen werken.

Nu eenzelfde ontwikkeling is vastgesteld voor de taalbeheersing van veel kinderen, lijkt duidelijk dat er sprake is van een probleem dat fundamenteler is dan een boek dat bij nader inzien tegenvalt. De commissie-Dijsselbloem heeft begin dit jaar vastgesteld dat de afgelopen decennia te veel is geknutseld aan het onderwijs: zowel de organisatie van onderwijs als de inhoud zijn in opeenvolgende vernieuwingsgolven steeds weer op de schop gegaan.

Geen wonder dat de Tweede Kamer, die deze week de begroting van onderwijs besprak, opgelucht adem haalde toen minister Plasterk verzekerde dat hij geen nieuwe stelselwijziging op het oog had. Die vrees had hij opgeroepen met zijn pleidooi iets te doen tegen het te vroeg (te laag) kiezen dat talenten onbenut laat. ‘Kansen voor iedereen’ levert geen ruzie op, het woord ‘middenschool’ wel.

Ook overigens was het een vriendelijk, wellevend en verstandig Kamerdebat. De minister en zijn twee staatssecretarissen willen alles doen om oude fouten te vermijden. Geen nieuwe megascholen. Plasterk werkt aan een wet die de eindeloze fusie-tendens in het onderwijs aan banden wil leggen. PvdA-Kamerlid Depla pleitte zelfs voor de-fuseren van onderwijsmolochen. Dat ging de minister voorlopig te ver.

In een ‘mid term review’-brief halverwege zijn ambtstermijn vatte Plasterk knap samen wat ‘de politiek’ heeft geleerd van de ambitieuze onderwijs-decennia die achter ons liggen. Landelijk wordt vastgesteld wat ieder diploma inhoudt. Daarna zijn het leraren, niet Den Haag, die bepalen hoe dat wordt bereikt. De omvang van scholen moet rekening houden met de menselijke maat. Leuk is uit. Het wordt weer strenger en duidelijker in het onderwijs. Nederland moet het beter gaan doen.

Tot zo ver beviel de nieuwe soberheid wel. Tot je het deze week uitgekomen boek van Chris Lorenz e.a. over de universitaire management-cultuur leest (If you are so smart, why aren’t you rich? uitgeverij Boom). Philipse, Icke, Verbrugge, Lock, Fresco en anderen die weten waar zij het over hebben, schetsen een groepsportret van een academie die is opgejaagd en van zijn hoofdtaak afgeleid.

De idylle van markt en management bij hoger onderwijs en onderzoek komt voort uit de begrijpelijke gedachte dat de maatschappij die al dat gestudeer betaalt, waar voor zijn geld mag verlangen. Maar het heeft naast harder aanpoten ook veel neptransparantie en bureaucratie opgeleverd. Zoals de verschillende, inmiddels impopulaire ontwikkelingen bij basis- en voortgezet onderwijs onnodige bestuurslagen, formulieren en vervreemding hebben gebaard.

Het is mooi dat de Kamer en de minister dit intussen erkennen, en het is fijn dat zij proberen hun idealen niet per dagelijkse circulaire aan de scholen van hoog tot laag mee te delen, maar er was één ding dat het vreedzame debat van deze week bij uitstek miste: een gevoel van urgentie, een blijk van crisisbewustzijn. Ieder jaar dat het zo doorgaat, is er één te veel.

Onderwijs is jaren een terrein geweest van bonden, ambtenaren en instituten. En een handjevol Kamerleden. Leerkrachten hadden meestal geen tijd voor die discussies in sociologenjargon. Ouders en andere burgers lieten het al helemaal lopen. Maar ook die tijd is voorbij. We hebben met z’n allen een hoop gekte toegelaten. Een maatschappij die niet kan rekenen en zijn eigen taal niet beheerst, scholen die slechte boeken en een onzinnig aanbestedingscircus krijgen opgelegd, een universiteit die velen afmat in plaats van stimuleert tot het verkennen van nieuwe grenzen van het menselijk weten -  dat is ieders verantwoordelijkheid.


Dit bericht heeft 19 reacties op “Onderwijsdebat is op betere weg, maar gepast crisisbesef ontbreekt”

  1. Frank Lenssen zegt:

    (Instemmend gemompel van mijn kant.)
    Het is goed dat Marc Chavannes besluit met te wijzen op de urgentie van het probleem. Het is veel te laat om alwéér een jarenlange inventarisatie op te zetten (dus met een task force van een groot aantal ambtenaren en een groep zwaar overbetaalde consultants uit de kringen van de usual suspects), zodat er rond 2018 een luxueus maar onleesbaar eindrapport op tafel ligt).

    De benodigde aanpak kan dan niet anders dan pijnlijk zijn. Want de regelneven en andere aanstuurders, alsmede al die hoogst transparante procesanalisten, die geen educatieve kwaliteiten en inzichten hebben en die ook al verstek laten gaan bij het schrijven van adequaat en begrijpelijk Nederlands, zullen aan een heel ingrijpende beoordeling onderworpen moeten worden. Een beoordeling die niet zozeer op Powerpointniveau dient plaats te vinden, maar wel moet uitwijzen of ze eigenlijk iets in het onderwijs te zoeken hebben. Misschien dat de auteurs in het door Chavannes beschreven boek een Commissie van Wijze Personen willen vormen, om hier snelle maar doorwrochte ad hoc-adviezen met bindende kracht te verstrekken?

    Ik herinner me een bericht in deze krant, enkele maanden geleden, waarin de zorg werd uitgesproken over het grote aantal rekenfouten in ziekenhuizen bij het toedienen van medicatie en het hanteren van apparaten. Je moet er niet aan denken als je de huidige situatie extrapoleert naar één generatie na nu, de studenten van dan, die als kind ‘voelend en schattend’ hebben leren rekenen, geheel conform hun eigen ‘leefsituwaatsie’ (ja, het is aanlokkelijk om jaren-’70-spelling te gebruiken…) – en ook dan nog zijn die jonge mensen eerder als slachtoffers dan als foutenmakers te beschouwen.

    Misschien hebben de problemen van nu inderdaad hun wortels in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. Toen immers werd het accepteren van autoriteit aan de universiteiten steeds problematischer; als dat neerkomt op kritiek op autoriteit óm de autoriteit, dan is dat alleszins verdedigbaar, maar ik vrees dat er ook in afnemende mate geluisterd werd naar wat écht talentvolle professoren en hun staven te bieden hadden. Nee, onderzoek en onderwijs moesten ‘maatschappelijk relevant’ worden, dat was de allerbelangrijkste eis. En eigenlijk is dat zo gebleven, hoewel die relevantie aanvankelijk neerkwam op het verheffen van achtergestelde bevolkingsgroepen en het implementeren van een politieke agenda, terwijl een generatie later al de eisen van meetbaarheid (tot in het absurde) en winstgevendheid de plaats van dat naïeve idealisme in hadden genomen.

    Maar goed, tijd om af te sluiten. Chavannes heeft gelijk: het is de hoogste tijd.

  2. G. Verhoef zegt:

    Chavannes heeft gelijk. Het gevoel van urgentie ontbreekt bij politiek, bij besturen en bij onderwijsorganisaties. Het gevoel van urgentie ie er volop bij de mensen die zich onbetaald met de strijd voor beter onderwijs bezig houden. Zowel Beter Onderwijs Nederland, als de stichting Goed Rekenonderijs worden volledig gerund door mensen die dit naast hun volle baan in hun vrije tijd doen. Ik klaag daar niet over, want het is tegelijkertijd de kracht, we zijn onafhankelijk van managers, subsidies en politiek. Maar het is wel opmerkelijk dat vrijwel de enigen die zich voor beter onderwijs inzetten dat op persoonlijke titel doen en niet worden gesteund vanuit onderwijsinstituties.
    Dat verklaart ook dat de urgentie in de kleilaag ontbreekt: men heeft te veel belang bij de huidige situatie. Het geeft ook aan wat er moet gebeuren: overheid neem je verantwoordelijkheid en negeer de kleilaag. Dat Sjoerd Slagter van de VO-raad nu plotseling positief over de minister spreekt, is hierbij geen goed teken.

  3. G. Verhoef zegt:

    Eén verduidelijking van mijn voorgaande opmerking. De Stichting Goed rekenonderwijs wordt wel degelijk door de universiteiten van Eindhoven en van Tilburg gesteund met een subsidie. Het werk geschiedt echter op vrijwilligersbasis. Het zijn niet de organisaties die de verbetering inzetten, het zijn de individuen. Dat maakt de weg naar beter onderwijs ook moeilijk. Er zijn simpelweg geen (na)scholings instituten die leerkrachten in het rekenen kunnen nascholen. Alle organisaties hangen de realistisch rekenen filosofie aan. Vaak ingebed in een sociaal constructivistische algemene leerfilosofie. Moeten het APS of het Freudenthal Instituut, de organisaties die de ellende hebben veroorzaakt, nu de omkering teweeg brengen? Ik zie dat somber in.

  4. S.H. Keukenmeester zegt:

    Goed onderwijs richt zich niet op de groep en op statistieken, maar op de individuele leerling en zijn ontplooiing. ‘Zoveel mensen zoveel wensen’, dus ook: zoveel leerlingen zoveel rekenmethoden. De sociaal-constructivistische leerpsychologie leert ons dat rekenen niet vanuit het hoofd van de onderwijzer in de hoofden van de leerlingen gegoten kan worden. Nee, de leerling moet zich de getallen eigen maken om van daaruit verder te komen, geheel vanuit zichzelf, vanuit zijn eigen leerproces. De leraar heeft daar geen grip op, dus de leraar dient slechts ter ondersteuning. Deze ondersteuning bestaat voor het grootste deel uit enthousiasmeren door krachtige leeromgevingen aan te bieden. D.m.v. MSN de leerlingen samen aan sommen te laten werken; d.m.v. een rekengame de leerling een overwinningsgevoel te laten ervaren; etcetera. Dat enthousiasme mis ik bij de mensen van de staartdeling.

  5. Marion van Voorst zegt:

    Keukenmeester toch! Dat sociaal-constructivisme is een geloof, géén wetenschap!!!!

    Sociaal constructivisme heeft het gehele onderwijs uitsluitend ellende gebracht.

    Kinderen willen leiding, willen duidelijkheid, willen goede voorbeelden, willen grenzen! Als je als onderwijsgevende die verantwoordelijkheid durft te nemen, dan toon je daarmee je liefde voor het kind en zijn toekomst. Dat moet het onderwijs in alle opzichten bieden.

    Einstein leerde tenminste wél gewoon rekenen.

  6. E.I.Genwijs zegt:

    Wel heel jammer dat ouders weer worden genoemd als de partij die het heeft laten lopen. Ikzelf en mijn partner hebben werkelijk uren en uren besteed, tot op dit moment nog, aan het bijspijkeren van onze kinderen. Basisboek rekenen en basisboek wiskunde van Van der Craats aangeschaft om ze zelf maar rekenen en wiskunde bij te brengen. Taal corrigeren tegen de klippen op, maar wat moet je als de basisschoolmeester zelf over “dat oranje vis” spreekt? Ruzie riskeren met school, die van dat soort doe-het-zelf-strapatsen niet gediend is. Zelf heb ik eens mijn kinderen van school gehaald o.a vanwege bar slecht onderwijs. Mijn zoon bleek tijdens de Citotoets rekenopgaven niet te snappen/herkennen, had hij nooit gehad.
    Ik ken vele van dit soort ouders. Een aantal van hen kreeg ruzie met de school, gingen niet zover als Karina Schaapman, om schoolbesturen aan te klagen. Als je een naam krijgt als lastige ouder, heeft je kind een probleem. Rechtsbijstandverzekeraars dekken conflicten met scholen ook niet, klachtencie’s geven geen bindende uitspraken. Kortom, ik hoop hiermee enigzins opgekomen te zijn voor die ogenschijnlijk passieve ouders.Overigens een uitstekend artikel van Chavannes, waar ik dubbel en dwars achter sta.

  7. G. Verhoef zegt:

    @SH Keukenmeester
    U weet niet half hoe enthousiast leerlingen (zelfs studenten op het HBO) zijn, als ze eindelijk hebben leren rekenen als ik het simpelweg uitleg en als ze wat kunnen oefenen.
    U mist enthousiasme, maar er zijn wel een paar honderd onderwijzers bereid om in eigen tijd op de vrije zaterdag naar een conferentie te gaan, vaak tegen de stroom op de eigen school in.
    U mist het enthousiasme, maar er zijn wel mensen die dergelijke zaken organiseren en draaiende houden buiten hun baan om.

    Ik kom alleen maar enthousiasme tegen.

    Maar er is nog een ander aspect. Met de realistische methode leren kinderen simpelweg niet rekenen. Het effect van die coaching en dat ge-msn met leeromgevingen is simpelweg NUL. Het zorgt voor leerlingen die buitengewoon onzeker zijn, die niet weten welke puzzel ze nu weer moeten oplossen als het in wezen gaat om eenvoudige sommetjes. Het is toch treurig als studenten op het HBO geen 1/2 en 2/3 kunnen optellen? Als ze niet weten wat de vergelijking van een rechte lijn is, alleen in staat zijn dat in een rekenmachine in te tikken, maar niet de relatie zien met een economisch model of een natuurkunde wet.

    En u, u mist het enthousiasme.

    Lees voor de aardigheid het prachtige artikel over basisschool Mosaic in Arnhem (ook in deze krant) eens. Een basisschool in een Vogelaarwijk met bijna alleen allochtone kinderen, die de citoscore haalt van scholen in een witte wijk. Daar doet men niet aan realistisch rekenen, daar hebben die “achterstandskinderen” zelfvertrouwen, geen ahcterstand meer en gaan er velen naar HAVO – VWO.

    Maar.. u mist het enthousiasme bij de mensen van de staartdeling.

    U zou eens beter moeten kijken.

  8. H.C. Tijms zegt:

    Het moge waar zijn dat ouders tot voor kort zich minder bewust waren van de verloedering van het reken- en taalonderwijs op de basisschool, de Stichting Goed Rekenonderwijs krijgt bijna dagelijks mails binnen van ouders die om advies en hulp vragen voor beter rekenonderwijs aan hun kinderen. Ons antwoord is: neem in de huidige situatie het rekenonderwijs van uw kind zelf ter hand indien mogelijk, het liefst in overleg met de school die ook maar met deze problematiek is opgezadeld door onderwijsideologen met hun verwerpelijke rekenmethoden en met hun machtige politieke achterban. Als goed overleg met de school niet mogelijk is, ga dan maar min of meer clandestien te werk: zet het belang van uw kind en diens toekomstmogelijkheden voorop. Het is natuurlijk schandelijk dat we anno 2008 dit advies moeten geven en we verwijzen moeten naar een door vrijwilligers opgezette en aan de stichting goed rekenonderwijs gelieerde website met degelijk en vernieuwend rekenmateriaal voor de basisschool en de pabo. Helaas is de situatie niet anders in een tijd waar je het van de politiek niet moet hebben en verandering van onderop moeten komen. Een verandering die gelukkig steeds sterkerwordt ingezet door hoger opgeleide ouders en waarvan naar wij hopen op niet al te lange termijn elk kind de vruchten zal kunnen plukken, ook allochtone kinderen en kinderen van minder mondige ouders.

  9. Bruins zegt:

    Maar die stelselwijziging, die de Kamer en de minister niet willen, moet er juist wel komen! In die zin dat wetten/stelsels, waarvan we nu inzien dat ze niet werken en vele onbedoelde neveneffecten hebben, drastisch moeten worden herzien.
    Want, de bovenschoolse directeuren, de bestuurders in het HBO en WO met hun bovenBalkenende – inkomens zullen hun positie niet zomaar weer afstaan. Als er geen druk of plicht daartoe is in het geheel niet.
    Ze luisteren wellicht even vriendelijk en geduldig naar BON – representanten, een verontrust Kamerlid of journalist en denken, ach, dit waait wel weer over. En blijven hun gang gaan met het verstrekken van duizenden diploma’s die nergens meer voor staan. En bestellen de volgende dag hun nieuwe lease-auto of denken waar en hoe ze hun vertrekpremie zullen besteden.
    Er moet dus wel degelijk ingrijpend iets veranderen en dat kan uiteindelijk alleen maar door en in de politiek.
    Dat voornemen en die wil is er beslist niet dus er gebeurt niets! De Verelendung zal eerst nog een paar decennia voort moeten schrijden aleer er echt iets gebeurt. Van de huidige minister valt niets te verwachten. Die maakt zich drukker om kranten dan om het onderwijs.

  10. r.f.peters zegt:

    Ja, ik was een van die onderwijzers die bij de onlangs gehouden rekenconferentie in Driebergen was. Geen seconde spijt gehad van de vrije zaterdag die ik daarvoor opgeofferd heb. Wat op deze rekenconferentie naar voren werd gebracht en dat gevoegd bij het enthousiasme en de vastberadenheid van de aanwezigen, geeft mij weer hoop voor de nabije toekomst. Concrete stappen werden aangedragen om het ontspoorde rekenonderwijs weer op de rails te zetten. Vergelijk dat eens met de uitspraak van staatssecretaris Sharon Dijksma dat het verplaatsen van de Citotoets naar eind schooljaar de kinderen meer tijd zal geven voor vaardigheden als taal en rekenen. De staatssecretaris lijkt niet te beseffen dat het om betere rekenmethoden gaat en niet zozeer om meer tijd. Ze geeft met haar uitspraak aan dat ze valse informatie krijgt over het verhogen van reken -en taalprestaties of dat ze niet weet hoe de onderwijscrisis te bestrijden.

  11. henk pfaltzgraff zegt:

    Inderdaad, Marc Chavannes, het crisisbesef ontbreekt. En inderdaad, G. Verhoef, met de realistische methode leren kinderen niet rekenen. Miljoenen euro’s worden uitgegeven aan de bestrijding van het analfabetisme (de ongeletterdheid). Voor het probleem van de ongecijferdheid is nog geen euro uitgetrokken. Een volledige generatie kinderen en volwassenen (zo ongeveer tussen de 10 en 25 jaar) heeft niet of slechts zeer gebrekkig leren rekenen. Het gaat dus om minstens 4 miljoen jonge Nederlanders die daardoor gehandicapt zijn in hun toekomstmogelijkheden. Wie de tafels niet beheerst loopt vast in het voortgezet onderwijs. Wie geen breuken kan bewerken krijgt grote problemen bij wiskunde en statistiek. Op alle basisscholen zijn sinds 2001 de ideeën van het ‘realistisch rekenen’ en ‘het nieuwe leren’ dwingend voorgeschreven. Op het voortgezet onderwijs worden de kinderen ondergedompeld in de ‘contextrijke’ wiskunde (‘wiskunde van het dagelijks leven’) en raken ze verslaafd aan de rekenmachine. Negentig procent van deze generatie is bij wiskundige of statistische activiteiten hulpeloos verloren zonder de aanwezigheid van een (grafische) rekenmachine of computer als reddingsboei. Tot voor kort waren alleen de wiskundeleraren hiervan op de hoogte. Sinds de Panama conferentie echter (in januari 2007), de commissies Dijsselbloem, Meijerink, vele publicaties in de media en nu zelfs ook blijkens een zeer recent rapport van de onderwijsinspectie begint de zorgelijkheid van de situatie ook tot de burger door te dringen. Nu de doecenten nog, op de basisscholen en de PABO’s.

  12. A.L. van den Berg zegt:

    Een tegengeluid uit de wiskundE-brief:

    TIMSS; reken-/wiskundeonderwijs internationaal vergeleken

    Het onlangs verschenen TIMSS-rapport over de resultaten van 6e groepers (9-10 jarigen) op het gebied van rekenen/wiskunde biedt een schat aan gegevens. Welke benadrukt worden en in welke bewoordingen is mede afhankelijk van actuele discussies. In dat licht is het logisch dat de meeste aandacht uitging naar de achteruitgang van de Nederlandse scores in de afgelopen 12 jaar: van 549 in 1995 via 540 in 2003 naar 535 in 2007. Bij het beoordelen hiervan is het goed om te weten dat het gaat om genormeerde scores, waarbij het internationaal gemiddelde op 500 is gesteld, en de standaardafwijking op 100. Een score van 540 komt dus overeen met een z-score van 0,4.
    De groep landen die meedoet aan het onderzoek is niet constant. Bijna de helft van de deelnemers in 2007 deed in 2003 niet mee, en een aantal deelnemers uit 2003 (zoals Vlaanderen) ontbreekt in 2007. Het is daarom misschien goed ook te kijken naar de ontwikkeling van het percentage goede antwoorden. Ook daar is is een daling te zien – van 71% in 1995 via 62% in 2003 naar 59% in 2007. (Daar moet bij worden aangetekend dat door de samenstelling van de steekproef de resultaten van 1995 mogelijk wat geflatteerd waren).

    De internationale top wordt in 2007 gevormd door Hong Kong en Singapore, gevolgd door Taiwan en Japan. Daarna volgt een groep van 5 landen (Kazachstan, Rusland, Engeland, Letland en Nederland) waarvan de z-scores niet significant verschillen. Anders gezegd: Nederland scoort van de westerse landen samen met Engeland het hoogst. Overigens is het goed te bedenken dat ongeveer een derde van de test niet over rekenen gaat, maar over meetkundige onderwerpen. Nederland scoort hierop relatief laag – vermoedelijk samenhangend met het gegeven dat deze onderwerpen meestal later aan de orde komen. Daar staat tegenover dat “we” traditioneel hoog scoren bij (zeer eenvoudige) statistiek (“data display”).

    Drie punten die typerend voor Nederland lijken te zijn:

    * De vrij kleine spreiding in de resultaten. Dat betekent dat als je de “onderkant” bekijkt (bijvoorbeeld de 10% slechtst scorende leerlingen) ons land internationaal bij de absolute top behoort, maar de scores aan de bovenkant niet bijzonder goed zijn.
    * De hoeveelheid tijd die besteed wordt aan zelfstandig werken op school (ca. 40%) is veel groter dan in de meeste andere landen.
    * Huiswerk wordt in Nederland aan deze groep kinderen nauwelijks gegeven. De scores van de kinderen die wel huiswerk krijgen liggen lager, een aanwijzing dat het gaat om extra ondersteuning van zwakke rekenaars.

    Tenslotte een resultaat dat op dit moment wat minder in de belangstelling staat – verschillen tussen jongens en meisjes. Opmerkelijk is dat er drie (ongeveer even grote) groepen landen zijn:

    * landen zonder significant verschil (bijv. Engeland, Japan, Taiwan),
    * landen waar de meisjes duidelijk beter scoren (o.a. Jemen, Qatar en Tunesië),
    * landen waar de jongens duidelijk beter scoren (o.a. Italië, Duitsland en Nederland).

    Het verschil tussen jongens en meisjes (b)lijkt de laatste jaren in Nederland te zijn toegenomen.

    De internationale rapporten zijn te bekijken via http://timss.bc.edu.

    gk

    Ik ben zo vrij een stukje uit deze brief aan te halen, omdat het een andere interpretatie van het rapport is dan de uwe.

  13. arjen de vries zegt:

    Beste Marc Chavannes

    Het is te hopen, dat de staatssecretaris jouw Opklaringen leest. R.F Peters slaat de spijker op de kop. Het zijn allemaal lapmiddelen waarmee men de problemen te lijf gaat.
    Dat kost veel geld en help maar een heel klein beetje.
    Plasterk, Dijksma, wakker worden!

  14. Jan van de Craats zegt:

    Ik zie geen `andere interpretatie’: ook de WiskundE-brief signaleert de gestage achteruitgang van de Nederlandse prestaties, zelfs op twee manieren. Er is verder onder de topgroep een cluster van negen landen met dicht bij elkaar liggende scores (523-549) waar Nederland (score 535) deel van uitmaakt, samen met o.a. Engeland, Duitsland, de Verenigde Staten en Denemarken. De verdeling is heel scheef: de top-vier hebben scores van 568 (Japan) tot 607 (Hong Kong), acht landen scoren daarentegen veel minder dan 400 (laagste score: Jemen, met 224), zie p. 34 van het TIMSS-rapport. Overigens, het door Chavannes gegeven voorbeeld van de aftreksom die voor onze leerlingen van groep 6 te moeilijk is, staat op pagina 87 van het TIMSS-rapport.

  15. S. van der Lee zegt:

    Ik ben één van de ouders waar professor Tijms naar refereert. Na jarenlang eindeloze gesprekken op school gevoerd te hebben over de rekenproblemen van mijn dochter, knapte er iets in me toen de lerares een opmerking maakte over het niveau van mijn dochter. Haar plafond was zo gezegd bereikt. Rekenkundig inzicht ontbrak en ze moest overal bij geholpen worden. Lastig, inderdaad, als je de rest van de klas ook van uitleg moet voorzien en je beperkt bent in de middelen. Mijn dochter werkte op adaptief niveau vanaf groep vijf en had destijds een achterstand van anderhalf jaar. In groep acht bleek waar adaptief in haar geval voor stond, namelijk verslechtering in plaats van verbetering. De achterstand was inmiddels meer dan drie jaar geworden. Het besluit om mijn dochter van school te laten veranderen en haar een klas terug te zetten heeft veel veranderd in de situatie. Naast de problematiek van het rekenen, had mijn dochter totaal geen zelfvertrouwen meer, wat op de nieuwe school direct werd opgemerkt. Ze kende geen succes op rekengebied. Inmiddels maakt mijn dochter breuken, waar ze volgens sommigen niet toe in staat zou zijn. Zelfs staartdelingen durft ze te maken, maar dan wel op de ouderwetse manier, die ikzelf, na vele jaren niet gebruikt te hebben, nog steeds kan toepassen. Helaas is zelfvertrouwen iets wat je heel snel kan afbreken, maar niet zomaar weer kan opbouwen. Scholen, leraren, onderwijsinstanties, één verzoek, als plan A niet werkt, stap over naar plan B. Waar velen niet bij stilstaan is de gevoelens van de kinderen die niet meekomen met de aangeboden rekenmethode. Ze verdrinken in de chaotische leermethode, en niemand bied adequaat hulp op korte termijn. De problemen worden gezien, maar niemand denkt in oplossingen voor de problemen. Het plafond is slechts een verbeelding, maar geeft duidelijk aan dat er geen enkele hoop op verbetering is of komt. Als leraren (niet allemaal) al geen hoop meer hebben, hoe moet een kind dan ooit vertrouwen in zichzelf krijgen. Wat doet het rekenprobleem met het gevoel van eigenwaarde bij die kinderen? Die vraag moet men zich gaan stellen. Als je dat gevoel voorop stelt, dan werd er geen eindeloze discussie meer gevoerd, maar was het tijd om actie te nemen en de daad bij het woord te voegen.

    Dankzij de Stichting Goed Rekenonderwijs is er weer hoop op verbetering van het onderwijs. Door de nieuwe rekenmethode waar de stichting aan werkt zal hopelijk de eerste stap gezet worden in de goede richting.

  16. Jan France zegt:

    Wat maakt het uit hoe je een doel bereikt, als je het maar bereikt. En de methode voor kind “a” hoeft niet dezelfde te zijn voor kind “b”. Dus weg met de VOORGESCHREVEN methodes en gebruik die die per kind bruikbaar zijn.
    Het lijkt mij beter om voor alle lagere, middelbare- en hogere scholen te bepalen wat je aan het eind van de opleiding moet weten en kunnen( door het MvO) en die met een voor iedereen gelijk examen te controleren.De methode tot het bereiken van die doelen wordt daarin vrijgelaten. De PABO’s moeten toch wel in staat zijn meerdere lesmethodes over te brengen aan hun leerlingen. De “niets moet alles mag” generatie van de 70er en 80 er jaren moet nu toch eindelijk eens inzien dat hun verplichte methodes( hoe zo niets moet)gefaald hebben. Maar ja wie erkent in Nederland nog zijn ongelijk ??
    Scholen die herhaaldelijk falen in het bereiken van een goed eindresultaat moeten hun methodes veranderen dan wel gesloten worden.

  17. Willem Lanting zegt:

    De analyse Marc Chavannes onderschrijf ik volledig. Aan de vruchten herkent men de onderwijsboom en dat is aantoonbaar niet best. Zelf geef ik wiskunde-onderwijs in PreMSc-schakeljaren aan een faculteit economics & business. Mijn ervaring is dat het start-niveau van wiskunde in de afgelopen 8 jaar is gedaald. Het is een hele klus om studenten op een VWO-wiskunde eindniveau te brengen, wat vroeger het start-niveau was. Deze tijd gaat dus af van de feitelijke studie. De vraag is dus niet of er wat mis is, maar hoe we het onderwijspuin moeten ruimen en hoe een nieuwe start te maken. Dat zal lastig worden wanneer ‘Den Haag en omstreken’ nog nauwelijks erkent dat er een groeiend probleem is, laat staan hieraan wil werken. Mijns inziens zijn er problemen op alle onderwijsniveau’s, maar laat ik mij tot twee beperken: 1. Het structuurniveau: In de 90-er jaren onder Kok is het privatiseren en verzelfstandigen van overheidsorganen tot een geloof verheven en rücksichtlos ingevoerd. Zo ook bij talloze onderwijsinstellingen. Volksvertegenwoordiging, ministeries, talloze adviesorganen gingen vrolijk mee met de hype, hierbij waarschuwende signalen van mensen uit de echte onderwijswereld negerend. Het resulaat is nu bekend: mega-onderwijsinstituten, waar Den Haag geen greep meer op heeft. De arme Plasterk staat tamelijk machteloos. 2. Het tweede probleem is de inhoud van het onderwijs: Wat moet geleerd/getraind worden en op welk niveau? Dit zijn dus de genoemde vruchten, die gemeten kunnen worden en nu dus niet meer zo goed smaken. Vele pedagogen, didactici en onderwijskundigen hebben zich hierop de laatste jaren gesubsidieerd kunnen uitleven, al of niet in institutioneel verband. Het begint te lijken op de torenbouw van Babel met een chaos aan ‘talen’ en methoden. Begrijpen ze elkaar nog wel? We weten hoe dat toen afgelopen is daar in Babel, dus enige stroomlijning en herijking in methoden en niveau lijkt me zeer nodig en zeer urgent! Bijkomend puntje is nog dat docenten die het oude niveau hadden, schaars worden. De kritische massa aan onderwijspotentieel dreigt te klein te worden! Ik wens minister Plasterk (met gebonden handen) en medebestuurders heel veel sterkte en wijsheid om in deze kluwen op de juiste tijd aan het juiste touwtje te trekken!

  18. B.Mullink zegt:

    Ik wil even reageren op de zinssnede: Docenten in het voortgezet onderwijs stellen vast dat ook kinderen met een mooie Cito-score niet goed met breuken kunnen werken.
    In de vele artikelen over de voors en tegens van het rekenonderwijs met de realistische methode lees ik nergens wat het effect is van het werken met week-en dagtaken op het rekenonderwijs. Op vele scholen mogen de kinderen zelf weten met welk vak ze beginnen en als alles af is dan mogen ze zelf iets kiezen. Vroeger rekenden de kinderen drie kwartier. Heel lang geleden tekenden de kinderen veel als ze klaar waren, maar in de periode daarna kregen de snelle kinderen verdiepingswerk met methodes als Elftal, Vooruit, Stenverts rekenbloks of werk uit de Kopieermappen. Iedereen rekende drie kwartier.
    Nu zijn goede rekenaars in 1 kwartier klaar, daarna doen ze hun spellingswerk of aardrijkskundetaak. Als alles klaar is van de dagtaak maken ze uit vrije wil een werkstuk of wat er maar staat op hun weekplanner als keuzewerk. Zelden rekenen goede rekenaars nog drie kwartier.

  19. G, Verhoef zegt:

    @B. Mullink.
    Uw opmerking is terecht. Bij onderwijssystemen waarbij kinderen zelfstandig hun werk moeten plannen, bestaat het risico dat u beschrijft. Daar staat in theorie tegenover dat er bij klassikale lessen voor iedereen hetzelfde tempo wordt aangehouden en dat dat, vanuit de positie van de individuele leerling, ook inefficiënt kan zijn. Dat laatste risico wordt door onderwijsvernieuwers altijd aangegrepen om onderwijs op maat te bepleiten, gestuurd door de leerling en alleen gecoacht door de docent. Persoonlijk ben ik voorstander van klassikaal onderwijs aan redelijk homogene groepen omdat andere vormen niet alleen veel eisen van de leerling, maar ook van de docent. Het is simpelweg te ingewikkeld om 30 individuele leerlingen te helpen. Op groepsniveau kan dat veel makkelijker en efficiënter. Zo blijft er per leerling in een groep toch meer aandacht dan bij ‘onderwijs op maat’. Ook binnen een klassikale onderwijs aanpak kunnen naturlijk verschillen tussen kinderen worden gewaardeerd, denk alleen al aan de beproefde ‘weer’ en ‘meer’ delen van de schoolmethodes. Herhaling en verdieping dus.
    Toch hebben de onderwijskundigen die de individuele aanpak propageren al dik 20 jaar de wind mee. Het past in een geïndividualiseerde maatschappij, waar kinderen als volwassenen worden behandeld en waarbij individuele zelfontplooiing het hoogste goed is. In die zin sluit het realistisch rekenen daar naadloos op aan. De eigen rekenleerweg van het kind, de eigen methode om sommen op te lossen wordt centraal gesteld.

    De laatste jaren is ‘het nieuw leren’ nogal in het nieuws. Dat is een extreme variant die uitgaat van dezelfde uitgangspunten: leren vanuit het individuele kind dat zijn eigen leerdoelen en leermethodes bepaalt. De theoretische achtergrond daarvan heet ‘sociaal constructivisme’. Voeg dat alles samen met het new age relativisme over kennis (iedereen construeert zijn eigen subjectieve kennis en al die subjectieve kennis is allemaal even gelijkwaardig) en het gelijkheidsdenken wat diep in Nederland verankerd is en er ontstaat een dodelijk onderwijsbrouwsel.
    Is het niet waanzinnig dat de hoogste bestuurder van het Nederlandse Voortgezet Onderwijs, Sjoerd Slagter van de VO-raad, de volgende uitspraken kan doen, zonder per direct ontslagen te worden?

    citaten van Sjoerd Slagter:

    Geef de Net-generatie de ruimte om grenzeloos te dromen over hoe ze wil leren wie ze wil zijn.
    De Net-generatie bepaalt zelf wat feiten zijn, maakt haar eigen kennis en geeft daar zelf betekenis aan.
    Ik geef geen stuiver meer voor de geijkte, rationele kennistraditie. We moeten maar eens inzien dat kennis tegenwoordig altijd subjectief is, want de samenleving is immers polyvalent en vloeibaar.
    In de snel van kleur verschietende zee die onze postmoderne tijd is, kan de traditionele leraar met zijn eurocentrische, westerse ideeën niet meer de stuurman zijn op het wankele bootje van de leerling.
    De leraar is tegenwoordig een kennismakelaar die bemiddelt tussen de leerling en het reservoir aan kennisopties.

    Voor meer citaten van Slagter en anderen, zie de weblog van jl op het forum van Beter Onderwijs Nederland: http://beteronderwijsnederland.net/node/4571

    Deze man verklaart hiermee de oorlog aan kennis en daarmee aan het onderwijs, hij gelooft er kennelijk niet in. Maar inmiddels is hij wel de baas van datzelfde onderwijs. Hij doet dit alles in een land dat het begrip kenniseconomie hoog heeft en met behulp van belastinggeld. Met zulke vrienden heb je als land geen vijanden meer nodig. Veel gekker kan het toch neet worden, denk ik dan.

Reageren op dit bericht is niet meer mogelijk.