*

Opklaringen » De angst voor intelligent tegenspel :: nrc.nl

De angst voor intelligent tegenspel

In de Eerste en de Tweede Kamer werden deze week debatten gevoerd die model kunnen staan voor hoe het toegaat in het parlement. Over de Eerste Kamer lees en hoor je zelden, tenzij een ex-eredivisie politicus een Nacht van … optuigt. In de Senaat wordt regelmatig verstandig hardop nagedacht. Zo ook deze week over het kabinetsplan fiks te snoeien in de adviesraden.

In de Tweede Kamer werd, daarbij vergeleken, een tweede divisie-debat gevoerd over de ‘gratis schoolboeken’. Een warrig gemotiveerd voorstel, vaag gedefinieerde uitvoeringsmaatregelen, vragen over niet beschikbare adviezen, een staatssecretaris van Onderwijs die de juridische en macro-economische kanten niet overziet en zich vasthoudt aan haar meegebrachte formuleringen.

Resultaat van het schoolboekendebatje: de aarzelende PvdA-fractie houdt de sleutel in handen en of het ja of nee wordt, in beide gevallen weet niemand wat er terechtkomt van de opeens onvermijdelijke aanbestedingscarrousel, van de prijzen die uitgevers voor al die opgeleukte methodes kunnen blijven vragen. Gezien de hardnekkig vage antwoorden van de staatssecretaris weet geen enkele docent of op schoolniveau kan worden bepaald met welke boeken wordt gewerkt.

Alle deelnemers aan deze poging tot publieke besluitvorming deden hun best. Maar het was een voorbeeld van de blindvliegpolitiek waar de Tweede Kamer zich steeds vaker in beweegt. Het was zo’n debat dat het nut illustreerde van een degelijk, onpartijdig onderzoeksinstituut ten dienste van de Kamer. Dat had althans een aantal feiten vooraf kunnen ophelderen. Wat is er juridisch waar van die Europese aanbestedingsplicht, waarom zijn schoolboeken in andere Europese landen gemiddeld zo veel goedkoper, enzovoort?

De enige bleke ster die boven de zaal stond was, zoals zo vaak, het Coalitieakkoord. Dat zegt: schoolboeken worden gratis. Voor staatssecretaris Van Bijsterveldt is het een voorbeeld van de gezinspolitiek waar dit kabinet voor staat. Dat de Raad van State het inkomenspolitieke doel van de maatregel als ineffectief heeft bestempeld (de lagere inkomens kunnen extra schoolkosten al declareren; hogere inkomens hebben het niet nodig), liet haar koud. Gezinnen met schoolgaande kinderen verdienen een extra steuntje.

Het is zeer de vraag of die gezinnen daar veel aan hebben, puur economisch gezien. Als de staatssecretaris nog eens in het advies van de Raad van Economische Adviseurs (REA) over de Miljoenennota (25 september 2007) kijkt, zou zij misschien zien dat ook de gezinnen die zij een warm hart toedraagt meer gebaat zijn bij een gestage groei van de productiviteit dan van knutseldouceurtjes die er niet voor zorgen dat Nederlanders meer produceren, en daardoor meer te besteden krijgen.

Het schoolboekendebatje is dubbel ironisch omdat het onderwijs met weer een struikgewas aan bemoeierij wordt opgescheept terwijl het rapport van de commissie-Dijsselbloem nog warm is. Die door de Tweede Kamer zelf ingestelde commissie constateerde half februari dat de politiek de laatste twintig jaar te veel ideetjes over hoe je les moet geven aan scholen heeft opgelegd en zich te weinig heeft beperkt tot wat kinderen moeten leren.

Een paar weken later zit het kabinet de beleidsvrijheid van scholen alweer te beknotten omwille van weer een ideetje. Met open ogen. Miljoenen worden gereserveerd voor juridisch en ander advies voor als die aanbestedingen uitlopen op een hel. Scholen moeten mankracht vrijmaken voor dit circus. En zij mogen wel de vereisten maar niet de titel en auteur van de gewenste boeken opgeven. Alsof zij moeten zeggen: doe mij een Griek die een reisverslag heeft geschreven, maar Homerus mag niet worden genoemd. Dat zou tegen de Europese regels zijn. Kan niet echt waar zijn.

De Tweede Kamer, die de grootste moeite heeft hoofd- en bijzaken te ordenen, koos onlangs in volkomen stilte ervoor niet langer te worden geadviseerd door vijf topeconomen, die belangeloos en zonder dubbele agenda een paar keer per jaar een ingewikkeld vraagstuk in niet meer dan tien kantjes tegen het licht hielden. De REA, die scherpe adviezen schreef over begrotingsbeleid, de vastzittende woningmarkt, bureaucratisering en overregulering en over hoe moeilijk het is de overheid effectiever te maken – die raad bestaat sinds begin dit jaar niet meer.

De REA was een ideale raadgever van een Tweede Kamer die ernst maakt van zakelijk tegenspel. Anders dan de bekende adviesraden van de regering, adviseerde de REA zonder ambtelijke ondersteuning van enige omvang. Vijf slimme economen en een secretaris. Die uit enthousiasme voor de publieke zaak drie jaar geleden aan het werk togen. Op verzoek van de Tweede Kamer. Drie leden kregen er een ruime meerderheid voor warm: De Nerée (CDA), Crone (PvdA) en Bakker (D66). Het zou misschien een aanzet zijn tot zoiets als het Congressional Budget Office, de immens competente eigen denktank van het Amerikaanse Congres.

Maar na de verkiezingen was het tij gekeerd. De nieuwe coalitie produceerde als een geconstipeerde ziener het moeizame regeerakkoord dat ook na honderd dagen burgerbezoek nog steeds niemand helder voor ogen staat. Een ding werd wel duidelijk: CDA, PvdA en ChristenUnie waren niet meer gediend van allerlei soms tegendraads advies. Kritiek op Zalms pro-cyclisch begrotingsbeleid, nee dank u. Hypotheekrenteaftrek, verboden onderwerp!

Minister Ter Horst kreeg dinsdag van de Eerste Kamer flinke tegenwind bij het regeringsplan de adviesraden op allerlei terreinen samen te voegen of sterk te beknotten. Op voorstel van haar helder Nederlands sprekende partijgenoot Putters nam de Senaat een motie aan die de minister duidelijke richtlijnen gaf voor het huiswerk dat zij gaat overdoen.

In de Tweede Kamer was het vorig najaar ook een sociaal-democraat, Paul Tang, die een sleutelrol speelde. In zijn geval met het kabinet mee. Na het vertrek van Ferd Crone naar Leeuwarden was de PvdA-fractie niet meer gediend van onafhankelijk economisch advies. Een nieuwe meerderheid zag het nut niet van een politiek onafhankelijke raadgever. Zonder duidelijke steun bij de opdrachtgever hielden de drukbezette economen in de REA het voor gezien. Geen teken van kracht van de coalitie. Bijzonder stom van de Kamer.


Dit bericht heeft 6 reacties op “De angst voor intelligent tegenspel”

  1. H. F. R. Schöyer zegt:

    Laat ik beginnen te zeggen dat ik het met de strekking van “De angst voor intelligent tegenspel” geheel eens ben. Het probleem zit vooral bij leden van de Tweede Kamer; in mindere mate bij leden van de Eerste Kamer omdat dat geen voltijd baan is en omdat deze mensen veel meer door hun gewone werk ‘in het dagelijks leven staan’. Voor Eerste Kamerleden geldt waarschijnlijk in wat mindere mate dan voor ministers, staatssecretarissen en Tweede Kamerleden de definitie van een politicus: ,,Een politicus is iemand die in zijn normale baan is mislukt; deze mislukkeling probeert nu een land te besturen”. Wie onze Tweede Kamerleden en regeringsploeg beschouwt, ziet de globale juistheid van deze definitie snel in; wellicht iets gechargeerd; wellicht is er een enkele uitzondering die de regel bevestigt, maar in zijn algemeenheid juist.
    Omdat deze mensen mislukt zijn in wat ze wilden gaan doen, en omdat het menselijk is dat nooit of te nimmer toe te geven, integendeel, bemoeien zij zich met het kleinste detail absoluut niet gehinderd door enige kennis van zaken.
    De onderwijsverloedering, die in de jaren zestig met Cals begon is daar een sprekend voorbeeld van. Het is ook tekenend dat nadat Dijsselbloem cs. zinnige aanbevelingen hadden gedaan: alleen zeggen met wat men wil maar niet hoe vergat de kamer deze raad meteen en ging de absurd hoge kosten van schoolboeken aanpakken door met een naar nu blijkt, vrijwel onmogelijk uit te voeren ‘hoe’ beleid voor te schrijven.

    Juist omdat onze politici (zie definitie) per definitie incompetent zijn, zijn ze niet gediend van een REA. Ongevraagd advies is zelden welkom, en zeker niet bij deze regering en de huidige tweede kamer. Het is opvallend hoeveel Kamerleden personen blijken te zijn die inderdaad ofwel nooit iets zinnigs hebben bereikt in hun werk, en daar zeker geen genoegen en voldoening in vonden, dan wel ‘op een dood spoor’ waren beland. Vooral oudere wetenschappers overkomt zoiets; ze verlaten dan universiteit of onderzoeksinstituut om op middelbare leeftijd een nieuwe uitdaging te vinden. Komen ze in een afgeleide van hun vakgebied terecht, zoals een fysicus in de techniek, dan kan dat heel goed gaan. Komen ze in leiding of sturing gevende posities dan draait zoiets meestal op een ramp uit. Ze praten voor hun beurt zonder over de consequenties te hebben nagedacht (gloeilampen verbieden) of houden in het geheel geen rekening met andere aspecten dan die ze uit hun oude vakgebied kenden.

    Het ongelukkige is, dat zonder een ‘revolutionaire’ opschudding dit niet zal verbeteren. De reden dat Fortuyn zoveel stemmen trok, was o.a. omdat hij de onvrede over het slechte functioneren van de politiek zo perfect onder woorden wist te brengen. Ook als Fortuyn was blijven leven had hij het probleem niet kunnen oplossen. Hij zou zelf deel van het probleem zijn geworden.

    Een oplossing voor het probleem ken ik niet; mogelijk zou een drastische beperking van de totale periode waarin iemand politieke functies en ambten kan vervullen in dit land, uitkomst bieden. Zoals het nu gaat, gaat het absoluut een keer heel erg mis.

  2. Dr. R.N.P. Berkovits, Rotterdam zegt:

    De bijdrages van heer Chavannes lees ik vrijwel altijd met grote instemming. Zijn mening in bovenstaande klokkenluidersbijdrage aan onze slijpsteen voor de geest deel ik in alle opzichten. Mijn eigen ervaringen in het (hoger) medisch onderwijs aan co-assistenten gaf jarenlang een droevig beeld van de kwaliteit daarvan. Dit aan het eind van een traject, dat droevig begon door oorzaken als door de heer Chavannes benoemd. Het bezoek aan een eerste-lijns medicus is naar mijn mening daardoor momenteel een loterij geworden.
    Klokkenluiders moeten zich gesterkt voelen door de overweging, dat de gestage drup ook de hardste steen holt, wellicht ook een slijpsteen?

  3. Drs. J.W.T. van Doormaal zegt:

    De probleemstelling van de heer Chavannes is terecht.
    Maar iedereen is wat voorzichtig bij het leveren van kritiek op de parlementaire democratie. Dat is goed en ook terecht.
    Toch moet dat soms wel gebeuren. De voorbeelden zijn overvloedig.
    Voorbeeld: het bemiddelingsresultaat van Doekle Terpstra over de politie cao wordt in de Tweede Kamer besproken, nog voordat alle bonden zich hebben uitgesproken. Terpstra heeft zich over de radio wel haast onparlementair uitgelaten: was er nu niemand die bij het bepalen van de agenda door had dat de Tweede Kamer daar niet over te spreken had?
    Nog een voorbeeld: de heffing op de vermogens van de woningcorporaties. Wouter Bos zegt in de Volkskrant dat dit in het programma van zijn partij is afgesproken. Maar is de kern niet dat de prachtwijken tot stand komen en dat de lokale actoren worden aangespoord om te doen wat daarvoor nodig is? Als die vraag was gesteld, zou toch heel anders zijn gehandeld in het overleg met de corporaties?
    Nog een voorbeeld: de veiligheid van de luchtvaart zou kunnen worden gediend met een verplichte invoering van een transponder. De vorige staatssecretaris vond dat de harmonie met andere landen bewaard moest worden. Maar een algehele invoering dreigt op korte termijn, in afwijking van het beleid in Duitsland en Frankrijk.

    De voorbeelden hebben gemeen dat er te weinig slim wordt nagedacht door de politieke leiding, waardoor een verknoping ontstaat tussen politieke specialisten, instituties en departementen, met de media-aandacht als doping.
    Volgens het 4-R model van Schnabel moet de politiek richting geven, ruimte laten aan uitvoering, resultaat boeken en rekenschap geven. Het is een simpel model, maar er wordt te veel tegen gezondigd.
    Misschien is het niet de angst voor intelligent tegenspel, maar de angst voor stilte, voor denkpauzes die het parlement teistert.
    Wie dit niet gelooft, leze de criteria die de commissie Dijsselbloem heeft geformuleerd voor verantwoorde beleidsvorming. De Kamer weet het wel.

  4. C. den Hoedt zegt:

    Wij hadden in onze vergaderzaal twee prachtig gecalligrafeerde spreuken hangen. De ene luidde: ,,O Heer,geef dat ik mijn mond dicht houd als ik niets te zeggen heb” ( Door mij uit het origineel Engels vertaald). De andere: ,,Vele raadgevers leiden tot een goede zaak”. Somwijle een vermoeiende zaak omdat sommigen met hun rug naar de eerst vermelde tekst zaten. Wat niet wilde zeggen dat het geheel van de bespreking van een onderwerp verloren tijd was.
    Er wordt weinig over gezegd, maar eigenlijk leven we veel meer in een lobbycratie dan een democratie. Wanneer wij individueel onze stem hebben uitgebracht zijn we niet meer interessant. Niet dat lobbygroepen altijd succes hebben, wanneer ze met velen zijn worden zij in ieder geval beleefd aangehoord.
    Voor discussie ben je geschikt, afhankelijk van het maatschappelijk gewicht dat je geacht wordt met je mee te dragen.
    Nu is het een onmiskenbaar feit dat in ons land vele malen meer intelligentie, deskundigheid, praktijk- en levenservaring aanwezig is dan de 150 dames en heren, zelfs wanneer zij hun gestaalde partijkaders bijeenschrapen in stelling kunnen brengen bij hun door ons betaalde werk. Dat kan ook niet anders, gelet op getal en diversiteit, in de Nederlandse maatschappij aanwezig.
    Juist nu, met al onze technische middelen en de hoge ontwikkelingsgraad van de bevolking zijn er enorme kansen om hiervan in het landsbestuur te profiteren.
    En een levendige democratie gebaseerd op brede discussie tussen velen over zaken van belang te kunnen bewerkstelligen.
    Wat daarvoor nodig zijn zijn politici die de kans gehad hebben zich te ontwikkelen tot een uitgewogen,volwassen persoonlijkheid, die een mening heeft en die de moed heeft die met ons te delen en in discussie te brengen. Of zo’n evenwichtige persoonlijkheid heeft dat die de moed heeft te zeggen dat zij/hij het niet allemaal weet en de vraag stelt om hulp van buiten het Binnenhof.

    Nu is het echter zo dat we niet op den Haag hoeven te wachten: Toen in 1953 de dijken het niet hielden bleven we ook niet wachten op wat den Haag allemaal in het geweer zou brengen om de Zeeuwen uit de nood te helpen. Overal vandaan kwamen de burgers met hun bootjes om te redden wat er nog te redden viel.
    Toen we een paar jaar geleden overvallen werden door hevige sneeuwval, kwamen de mensen met warme koffie en broodjes naar de snelweg waar de automobilisten vast zaten: Ze zouden wel wat kunnen gebruiken.
    Wie zich nog iets van de geschiedenis van ons land en volk herinnert weet dat wij nog nooit iets kadeau gekregen hebben. De zaken moesten worden afgedwongen door van zichzelf overtuigde burgers.
    Dat geld ook nu: Klagen en beklagen helpt niet. Je moet er zelf wat aan doen! Maar als ik nog terug denk aan de dagen dat we de NRC rustig overlieten in de handen van financiële avonturiers in plaats van onze spaarcenten bijeen te grabbelen om dit monument in degelijke Nederlandse handen te houden, ben ik bang dat we niet veel verder zullen komen.

  5. Caroline de Jong-Boon zegt:

    Het lijkt een vreselijk idee dat leraren/scholen=vaklieden niet zouden kunnen kiezen welke schoolboeken=gereedschap zij mogen gebruiken. Zijn er geen andere oplossingen mogelijk om ouders te ontlasten? Een maximum prijs opleggen?

    Waarom zijn schoolboeken in andere landen gemiddeld zoveel goedkoper? Een belangrijke oorzaak is de veranderde rol van schoolboeken in Nederland. Bij het ouderwetse klassikale lesgeven gaf de leraar een dictaat en diende het schoolboek als naslagwerk. Vijftien jaar geleden waren de boeken nog vrij dun en weinig kleurrijk. Sinds de invoering van de Tweede Fase is het de bedoeling dat leerlingen meer zelfstandig werken. Uitgevers hebben daarop gereageerd door informatie uit te breiden, boeken aantrekkelijker te maken en meer opdrachten op te nemen.

    Doordat leraren in Nederland relatief veel uren voor de klas staan is er ook minder tijd dan elders om eigen lesmateriaal te ontwikkelen. Maar er is hoop: met de voortschrijdende technologie wordt het mogelijk meer (gratis) materiaal via het internet aan te bieden, dat de leraar aan zijn behoefte kan aanpassen. Wat ook kostenbesparing kan opleveren.

  6. S.F.Hoekstra , Boxtel zegt:

    Dank u wel meneer Chavannes, u hebt de eer van NRC/H gered door de ernst van de opheffing van de economen adviesgroep REA te beschrijven.
    Vele jaren geleden verliet Piet de Visser P v/d A de Kamer en in de krant voorspelde hij / of waarschuwde hij voor daling van het intellectuele niveau van de Kamerleden. Sindsdien voor mij een ‘aardige bril’om werkzaamheden van de Kamer te be-kijken/luisteren.
    Toen de krant meldde over de oprichting van REA dacht ik meteen ‘zouden er wel technisch goede vragen over economie door de Kamerleden gesteld kunnen worden?’
    In de krant verscheen vervolgens een berichtje over de opheffing van REA wegens gebrek aan vragen. Ik had verwacht dat de Redactie een lang Commentaar zou wijden aan deze m.i. ‘bom’ onder de economische debatten van de Kamer. Kamerleden woordvoerders economie zouden hun ‘onafhankelijkheid’ in het vervolg immers verliezen en hun bijdragen zouden gevoed/geschreven worden door economen op krantenredacties.

Reageren op dit bericht is niet meer mogelijk.