Michele is 44 jaar, zwart, net iets te dik, ze heeft drie kinderen, de vaders zijn uit zicht. ze woont in Far Rockaway, aan het einde van een metrolijn, achter vliegveld JFK. En Michele kan elk moment op straat gezet worden.
Vandaag in de krant: de praktijk achter de abstracte financiële kredietcrisis.
Hier het stuk van de voorpagina, hier het vervolg.
En dan, voor de liefhebbers, hier het journalistieke kijkje in de keuken. Want hoe vind je nou zo iemand, die bijna op straat staat, deels door eigen inschattingsfouten, deels als het gevolg van agressieve verkooptechnieken?
Moeilijk kan dat niet zijn, zou je denken, als er in heel Amerika twee miljoen mensen uit hun huis gezet dreigen te worden. Ja en nee. Ik heb hier eerder mee te maken gehad. In maart begon de hypotheekcrisis op te spelen en toen wilde ik graag al iemand portretteren. Maar ja: hoe graag zou jij in de krant, inclusief foto, over je eigen financiële problemen willen vertellen?
Ik begon toen buiten de stad te zoeken. New York is namelijk geen stad voor kopers, het aantal mensen dat huurt is veel groter. En áls je hier al kunt kopen (gemiddelde huizenprijs ligt boven het miljoen), dan hoef je vaak geen genoegen te nemen met een risicovolle subprime-hypotheek.
Ik begreep toen dat er met name in Californië veel mensen in de problemen zijn, dus begon in Los Angeles. Belde naar iemand die ik eens geïnterviewd heb daar, over creditcards in achterstandswijken. Hij verwees me door. En toen werd ik weer verder gestuurd. Van een kastje. Naar een muur.
Uiteindelijk kwam ik – telefonisch – weer terecht in New York. Een dichter/activist/journalist wiens naam ik al eerder gehoord had zou me kunnen helpen. Belde hem. Voicemail. Nog een keer. Uiteindelijk, ik was toen al een halve dag lang het land aan het afbellen, mailde hij me een naam. Hij was door ene meneer Dickerson in Gary, Indiana (moordhoofdstad van het land) gebeld, maar had hem nooit gesproken. Op zijn voicemail had deze man die op zoek was naar hulp wel een telefoonnummer achtergelaten.
Ik belde de man. Ik kon geen hulp bieden, maar wilde wel graag zijn verhaal horen. Hij wilde het graag kwijt. Het was toen vrijdagmiddag in New York en dan wordt in Nederland de zaterdagkrant gemaakt. De redactie en ik hadden een plan: als ik snel naar Indiana zou vliegen, de man zou interviewen, het stuk zou schrijven, dan hadden we het de volgende ochtend mooi in de krant. Zo zou het gaan.
Dat wil zeggen: als er geen storm boven New York had gehangen en de vliegvelden niet dicht zouden zijn gegaan. Ik excuseerde me bij de man, meneer Dickerson, vroeg of het ook telefonisch kon. Nou goed dan. Dit was het resultaat.
En deze dame, van vandaag, Michele? (Inderdaad, één ‘l’, maar je spreekt het toch uit als Michelle met twee.) Dat liep een stuk eenvoudiger. Ik deel een kantoor met een aantal Europese correspondenten. Een aantal van ons is nu bezig met dit verhaal en ik gaf een Belgische collega de gegevens van deze meneer Dickerson in Indiana door. Inmiddels had ze zelf ook iemand gevonden, via een advocaat die voor een hulporganisatie werkt, nota bene in New York.
Michele liet zich graag interviewen door de Belgische. Die op haar beurt vroeg of een Nederlandse kantoorgenoot van haar ook eens zou mogen bellen voor een afspraak…?
Ik had het net met de Belgische (Waalse) nog even over Michele. Waarom ze twee keer geïnterviewd had willen worden? De Waalse wist het wel. „Het zijn Amerikanen, joh. Die geloven er in dat er nu iemand ergens een cheque voor ze uitschrijft en dat alle zorgen ineens voorbij zijn.”