Een zeldzame rotstreek, maar vooral zeldzaam
Het zit de buren niet lekker, de opzichtige wijze waarop de Duitse regering haar zin doordrukte bij de overname van Opel/Vauxhall. Vier Duitse fabrieken blijven open, terwijl Opel Antwerpen, dat beter rendeert dan de fabriek in het Duitse Bochum, zou moeten sluiten. Ook een Britse vestiging van Vauxhall wacht wellicht dat lot. De positie van de Opelvestiging in het Spaanse Zaragoza is onzeker. Maar wie van de buren kan op tegen de wil van Berlijn? Is dit een voorbode van meer Duits economisch nationalisme?
Iedereen weet dat de 4,5 miljard euro garantieleningen die Berlijn zo kort voor de Bondsdagverkiezingen bood aan Magna, het consortium dat Opel/Vauxhall uit de failliete boedel van General Motors overnam, bestemd zijn om Duitse banen te redden. De werknemers in Antwerpen (2.600 man) of Zaragoza (7.000) hebben ongetwijfeld hart voor automobielen, maar gaan op 27 september niet naar de Duitse stembus.
De Vlaamse regering, die het lelijkst in de kou was gezet, wendde zich om het onheil af te wenden tot Europa. De Belgische minister van Buitenlandse Zaken Yves Leterme nam de zaak op met de 27 ministers voor Buitenlandse Handel. Vlaams premier Kris Peeters bezocht afgelopen woensdag eurocommissaris Neelie Kroes; zij beloofde hem ‘zeer zorgvuldig’ te zullen onderzoeken of de Europese regels voor staatssteun in deze deal zijn geschonden. Dat wordt amechtig afwachten voor de Belgen.
Een dag later kwam de Britse minister voor Handel Peter Mandelson harder uit de hoek: hij waarschuwde voor een ‘subsidieoorlog’ tussen nationale overheden om banen – en wanneer Engelsen tegen Duitsers over war beginnen is het altijd even opletten. Ook Mandelson vreest dat Magna de 10.500 geplande ontslagen niet op bedrijfseconomische gronden zal toedelen, zoals de Europese regels eisen, maar op basis van politieke deals en de geboden staatssteun. Londen trekt dan zeker aan het kortste eind, want de staatskas is er nog leger dan elders.
Geen fraaie actie van de Duitsers, maar misbruiken ze hiermee hun positie van Europa’s economische grootmacht? Ja, maar vergeleken bij de spookbeelden die twintig jaar geleden opdoemden valt het allemaal wel mee. De val van de Berlijnse Muur in 1989 bracht, bij alle publieke vreugde, ook paniek bij West-Europese regeringsleiders. In Parijs, Londen, Rome of Den Haag beschouwde men de Duitse deling, officieel altijd betreurd, toch ook als een aangenaam natuurverschijnsel. Men zat er niet te wachten op de herrijzenis van een machtige en rijke natiestaat met tachtig miljoen inwoners middenin het continent.
De documenten van het Britse Foreign Office over deze periode die eerder deze maand vrijkwamen, voegen (althans voor zover uit persverslagen op te maken) weinig toe aan wat uit memoires en publieke daden al bekend was: het schrille ‘nee’ van premier Thatcher en het dubbelspel van de Franse president Mitterrand. Terwijl die eerste de voortvliedende gebeurtenissen vergeefs trachtte te stoppen, besefte de tweede spoedig dat dit onmogelijk was en dat in de beweging ook iets viel te winnen. Met name zocht Parijs medezeggenschap over het monetaire beleid, dat feitelijk voor heel West-Europa door de Bundesbank werd gemaakt. Precies een maand na de Mauerfall, op de Europese top van 8-9 december, kwam de stilzwijgende historische Frans-Duitse uitruil tot stand: de Duitsers een verenigde en soevereine staat, de Fransen een Europese munt.
Uiteraard zou de Duitse vereniging er ook zonder Franse (of Britse) instemming wel zijn gekomen; beslissend waren de zwakte van de Sovjet-Unie en de voortdurende steun van de Amerikaanse president Bush sr. Het feit echter dat Kohl de zaak niet eenzijdig wilde forceren, maar bereid was de sterke D-mark op te geven ten gunste van een nog niet bestaande Europese munt, toont wat een groot belang hij hechtte aan goede relaties met de buren. „Wij hebben vrienden nodig”, legde de bondskanselier uit aan president Bush. Hij wist hoeveel schade de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog zijn land kon berokkenen en koos voor zelfbinding aan de Europese mast.
Geen Duits politicus verwoordde deze politieke afweging eerlijker dan Kohls voorganger Helmut Schmidt eens deed. Het was november 1978, ten tijde van de oprichting van een voorloper van de Europese muntunie. De locatie was de Bundesbank in Frankfurt. Voor het eerst was een bondskanselier aanwezig bij de beraadslagingen. In een lange, gepassioneerde toespraak tot de bankiers zette Schmidt uiteen waarom hij een Europees monetaire stelsel in het landsbelang achtte. „Wij zijn kwetsbaar op twee fronten, tot diep in de volgende eeuw. Ten eerste vanwege Berlijn en de verdeeldheid van onze natie. (…) Ten tweede zijn we kwetsbaar vanwege Auschwitz. Des te succesvoller we zijn in de domeinen van buitenlandse, economische, sociale of defensiepolitiek, des te langer het zal duren voor Auschwitz uit het collectieve geheugen zal zijn verdwenen.”
Het was dus zaak de Duitse kracht tot een Europese kracht te maken. (Het fragment uit deze geheime speech is een van de parels in het dit jaar verschenen boek The euro. The politics of the new global currency van bankier David Marsh.)
In de feestelijke maand november 1989 is de ene door Schmidt ontwaarde Duitse kwetsbaarheid, die van Berlijn, verdwenen. Prompt stond de andere sterker in het licht. Vandaar wellicht dat, ook nu Duitsland de grootste en in veel opzichten machtigste lidstaat van de Europese Unie is geworden, het terughoudend is om deze macht opzichtig te doen gelden ten opzichte van zijn partners. Af en toe een Opelachtige rotstreek, maar de zelfbindende herinnering aan Auschwitz blijft.



woensdag 23 september 2009, 15:23 uur
Geachte heer van Middelaar,
Ik wil u complimenteren met uw heldere en goed onderbouwde stuk over de Duitse economie en geschiedenis. Graag meer hierover !
Met vriendelijke groet
Wouter Schuster
zondag 27 september 2009, 17:07 uur
een leerzaam en helder artikel.
Schmidt kan ook in het origineel gelezen worden alwaar hij in soortgelijke bewoordingen op het verleden en de daaruit te trekken lessen ingaat.
zie “Ausser Dienst” Siedler Verlag 2008.
p. arlman