Wie geeft nog om privacy?
,,Mensen worden voortdurend gefilmd, alles wat ze doen en laten op internet wordt vastgelegd – en het interesseert ze niets!” Dit verzucht prof. Paul F. van der Heijden (universitair topbestuurder, SER-lid) in een interview met het Bulletin van het Nederlands juristencomité voor de mensenrechten (NJCM) waarvan hij eens voorzitter was. De Nederlandse burger laat met andere woorden zijn recht op privacy behoorlijk sloffen. Toch heeft dat recht een grondwettelijke status en is er een speciale Wet bescherming persoonsgegevens (WBP).
De handhaving van deze wet schiet dagelijks tekort, signaleert voorzitter Jacob Kohnstamm van het College bescherming persoonsgegevens (CBP) dat belast is met toezicht en advisering. In deze krant (12 mei 2007) bepleitte hij daarom strengere sancties op overtredingen.
Zo vreemd is de gedachte niet. De telecomtoezichthouder OPTA kan voor ongewenst elektronisch berichtenverkeer (spam) een bestuurlijke boete opleggen tot 450.000 euro. Het maximum van het CBP bedraagt 4.500 euro. In het blad Overheid Innovatief zegt de nieuwe columnist Victor de Pous met reden dat zo’n verschil het recht op privacybescherming „marginaliseert”.
De onderzoekers Laurens Mommers en Gerrit-Jan Zwenne zetten echter vraagtekens bij strengere sancties. Zij hebben meegewerkt aan het eerste deel van een grote evaluatie van de privacywet, die uit 2000 stamt. Het handhavingsprobleem zit volgens hen in de wet zelf. Deze is „te ambitieus” en „voor een normaal mens onbegrijpelijk”. „Zwaardere sancties op overtreding van onbegrijpelijke regels zijn vanzelfsprekend geen oplossing.”
Het probleem van de WBP is dat het een ‘omnibuswet’ is, een algemene wet voor de enorme verscheidenheid aan situaties waarin persoonsgegevens worden verwerkt. Dat leidt al gauw tot abstracte regels en ingewikkelde afwegingen. De wetgever zocht de oplossing in co-regulering: de diverse sectoren moeten op basis van de wet zelf toegesneden privacycodes uitwerken. Dat is onvoldoende van de grond gekomen. Privacy heeft zoals dat heet ook geen ‘institutionele aandeelhouders’ die zich er uit eigen beweging sterk voor maken. Kohnstamm klaagt dat de toezichthouder ook nog eens door de overheid die hem instelde financieel wordt afgeknepen.
De van alle kanten bewaakte, geregistreerde en doorgelichte (‘glazen’) burger laat zich intussen graag sussen door de valse geruststelling ‘wie niets te verbergen heeft, hoeft niets te vrezen’. Kohnstamm probeerde eens een kwinkslag: „Wat heb jij dan een saai leven.”
Het gaat om meer dan een grapje, leert het promotieonderzoek van Edwin McGillavry uit 2004 over medewerking door het bedrijfsleven aan politieonderzoeken. Ook ongegronde vragen over een persoon kunnen diens goede naam ernstig besmetten.
Het gebrek aan interesse van de burger lijkt vaak het gevolg van een versluieringstaktiek van de systeemontwikkelaars. Het Rathenau-instituut deed onderzoek onder de eerste gebruikers van de nieuwe chippas voor het openbaar vervoer van wie een positief onthaal van nieuwe technologie mag worden verwacht. Toch reageerde menigeen onaangenaam verrast toen werd verteld dat gebruik van de kaart gedetailleerd inzicht geeft in hun reisgedrag. Bijvoorbeeld aan de politie. Deze keerzijde was kennelijk wat onderbelicht gelaten.
Je moet intussen wél durven om de privacywet ‘te ambitieus’ te noemen. Kan dat ooit gelden voor de burgerlijke vrijheden? De werkelijke ambities zijn trouwens eerder erop gericht om de persoonlijke levenssfeer verder uit te vlakken. Met een knipoog naar de Middeleeuwen bepleiten de hoofdcommissarissen van politie „virtuele slotgrachten”, ringen van computercontroles rond knooppunten van het maatschappelijk leven. Alles wat er in- en uitgaat wordt gecontroleerd. In het Tijdschrift voor de Politie signaleerden onderzoekers het risico dat de politie te gretig gebruikmaakt van dit nieuwe instrument. Maar ze zeiden eerlijk: „Een discussie over de normatieve inbedding is gedoemd te mislukken”. Als er iets te ambitieus mag heten dan is het dit streven van de politie om overal een vinger in de pap te hebben.
Er is nóg een elektronisch speeltje, ditmaal voor álle ambtenaren, in aantocht: het burgerservicenummer (BSN). Zeg maar: een elektronische identiteit voor iedere burger. Daarmee kunnen de meest uiteenlopende persoonlijke details automatisch worden vergeleken en gecontroleerd. Zo’n algemeen nummer kan door de overheid worden gebruikt om de vrijheid van de burger „te beknotten”, zeggen deskundigen van Het Expertise Centrum (HEC), ,,maar net zo goed om het handelen van diezelfde overheid transparant te maken voor de burgers.” Zou het werkelijk? De Raad van State was niet onder de indruk en merkte op dat vooral overheden en bedrijven profijt trekken van het algemene persoonsnummer. „De positie van de burger komt in het wetsvoorstel, anders dan object, niet aan de orde”.
Een vitale democratie wordt niet gevormd door ‘objecten’.


