De nadelen van herziening
‘Cold cases’ worden ze genoemd: misdrijven waarin het opsporingsonderzoek doodloopt en ‘op de plank moet worden gelegd’. Voor nabestaanden is dat erg frustrerend, maar ook voor rechercheurs die zich een slag in de rondte hebben gewerkt, voor justitie, voor de geschokte samenleving als geheel. Maar nu blijken enkele van deze koude zaken alsnog van de plank te kunnen worden gehaald, met name met behulp van nieuwe DNA-technieken.
Er is echter een grens: verjaring. Voor moord was de wettelijke termijn 18 jaar. Maar die grens is opgeheven door een initiatiefwet van het Kamerlid Dittrich (D66) die 1 januari vorig jaar in werking trad. Daardoor kan in moordzaken het onderzoek altijd worden heropend.
Er blijft nog een laatste grens: vrijspraak. Sommige onderzoeken leveren weliswaar een verdachte op, maar deze ontspringt de dans, omdat de rechter het bewijsmateriaal onvoldoende acht. Alle genoemde frustraties zijn ook hier aanwezig. Maar vrijspraak is definitief.
Het Openbaar Ministerie (OM) is nu een offensief begonnen om deze laatste barrière te doorbreken. Hoofdofficier van Justitie Korvinus uit Rotterdam (deze krant van 27 juni) en de hoogste procureur-generaal Brouwer (Opiniepagina van 18 juli) bepleiten een wettelijke mogelijkheid om vrijspraken open te breken.
Het verschil met verjaring is dat een vrijspraak een uitspraak is van de rechter, die – zonodig na hoger beroep en cassatie – het laatste woord heeft. Ne bis in idem (geen tweede proces voor hetzelfde) geldt als een grondrecht. De Hoge Raad kan in bijzondere gevallen heropening van een einduitspraak gelasten – de zogeheten herziening – maar niet ‘ten nadele’. Een nieuwe berechting is dus wel mogelijk als het gaat om iemand die wegens nieuw bewijs mogelijk ten onrechte is veroordeeld (Schiedamse parkmoord, Deventer moordzaak), maar niet van iemand die mogelijk ten onrechte is vrijgesproken.
Dat zegt ons Wetboek van strafrecht sinds 1886. De doorslag gaven destijds vooral praktische bezwaren van heropening van een afgehandelde strafzaak, met name de veroudering van bewijsmateriaal. Maar ook toen was het mogelijk dat een verdachte die was vrijgesproken, later toch met een bekentenis kwam zonder dat daaraan iets viel te doen. Desondanks vond de wetgever dat iemand die een heel proces heeft moeten doorstaan, niet nogmaals aan een ingrijpend onderzoek behoort te worden blootgesteld.
In 1938 besprak de Nederlandse Juristenvereniging (NJV) of ‘het rechtsbewustzijn’ niet toch ‘herziening ten nadele’ vereist, noteerde de huidige raadsheer van de Hoge Raad J. de Hullu in zijn proefschrift over beroepsmogelijkheden in strafzaken. Rechtsbewustzijn was toen een minder neutrale term dan nu. In nazi-Duitsland gold de theorie dat het Gesundenes Volksempfinden voorrang had boven de geldende wetten. De NJV wilde in 1938 in elk geval niet aan herziening ten nadele.
Waarop berust dat verschil met herziening ten voordele eigenlijk, zeker na afschaffing van de verjaring voor moord? Er is een principieel verschil tussen het heropenen van een verjaard onderzoek en het openbreken van een rechterlijke einduitspraak. Bij dit laatste is de rechtszekerheid veel meer in het geding. Nog afgezien van de maatschappelijke verwerking, ook van zware misdrijven, met het verstrijken der jaren en de moeilijkheid na heropening tot een afgewogen oordeel te komen.
Het Europees verdrag voor de mensenrechten zegt in een protocol dat vrijspraken heropend kunnen worden. Nederland heeft dit niet geratificeerd. „Het staat open voor misbruik”, waarschuwen P. van Dijk en G. van Hoof in een handboek. Procureur-generaal Brouwer verzekert dat het hem alleen gaat om uitzonderlijke zaken, maar breidt dat en passant uit tot „bewuste misleiding” van de rechter (falsa), een nogal rekbaar begrip dat niet direct duidt op de beloofde terughoudendheid. Vormt de mogelijkheid van herkansing trouwens niet een premie op gemakzucht van de aanklager in een proces? De stellingname van Brouwer past bij het „diepgeworteld wantrouwen tegen een vrijspraak”, dat de Amsterdamse hoogleraar Stolwijk signaleerde in zijn afscheidscollege. Dat wantrouwen is niet verdiend. Nederlandse rechters spreken toch al weinig vrij.
Zelfs DNA is niet zo’n sterk argument. De inzet van DNA moet ‘cold cases’ voorkomen en dus is er steeds minder reden hem toe te passen op het verleden. Terugwerkende kracht is juridisch toch al verdacht. Uiteindelijk berust afwijzing van herziening ten nadele op een principiële keus, namelijk „dat de veroordeling van een onschuldige in veel groter mate onjuist is dan de vrijspraak van een schuldige”. Deze waarschuwing stamt uit 1925 en is dus bestand gebleken tegen turbulente tijden.


