Mediapagina is weer van jullie

De inkt is op, de inspiratie is weg. Na één jaar lang twee keer in de maand columns schrijven over media is het gedaan. Ik klim nog een laatste keer in de pen. Aan vrienden vroeg ik waar ik mijn laatste column aan zou wijden, aan vrienden op het internet vroeg ik hetzelfde. Ik kreeg nul op het rekest en bedacht mij daarna dat het misschien wel leuk is om u te vertellen ik het ervaren heb, zo’n jaar bij NRC Handelsblad.

Op 15 februari 2011 om 15:00 uur betrad ik met knikkende knieën voor het eerst in mijn leven de redactie van NRC Handelsblad. Een dag later ontving ik de verlossende mail en een weekje later ontmoette ik Deniz, Rutger en Funs (toffe knullen!) en daarmee was NRC Jong geboren. Er werden foto’s gemaakt en niet veel later verscheen de eerste column in NRC Handelsblad. Die dag, ik weet het nog goed, reed ik op mijn fiets door Roosendaal op zoek naar de NRC. Bij de kassa checkte ik of ik er wel écht in stond met mijn column, mijn rode bloemenbloesje en iPad. Ja, ik stond erin. Wauw.

Hoe langer ik schreef voor de NRC, hoe meer er gereageerd werd. Niet alleen positief, maar ook negatief. Onder columns plaatsten mensen comments, maar ook kreeg ik mails. Mails als: “Hoi. Je foto is zóóóó lelijk, met die stomme iPad boven je hoofd is het echt niet om aan te zien. Ik ga je columns niet meer lezen! En, dat je het weet, deze mail gaat ook naar de hoofdredactie van NRC Handelsblad. Groet, Jan.”

Dat soort haterige, onnodige mails is geen reactie waard. Beste Jan: het is goed zo. De mediapagina is weer van jullie. Zonder mij, mijn bloemenbloesje en die stomme iPad. Dag hoor, ja, dag.

 

Protest en schijnvrijheid

Al maanden discussiëren mensen in de hele wereld over twee afkortingen: ACTA en SOPA. Het betreft geen nieuwe ziekte in de binnenlanden van Bolivia en ook geen briljante vondst in Wordfeud. De echte betekenissen zijn stukken minder lollig.

Het Anti-Counterfeiting Trade Agreement en de Stop Online Piracy Act zitten niet alleen slecht in elkaar, maar beknotten bovenal de vrijheid op internet van Henk, Ingrid en hun Amerikaanse boezemvriend Joe the Plumber. En wat doen verlichte, ‘vrije’ burgers als onze vrijheid beknot wordt door de Amerikaanse overheid? Dan trekken we ten strijde. Niet met treurige spandoeken op gure pleintjes, maar op Twitter en Facebook, met teksten die er niet om liegen.

Hulde.  Althans, zo dacht ik aanvankelijk. Inmiddels hebben de verwoede protesten bij mij twijfels opgeroepen. De protesten zijn namelijk een beetje hypocriet of op zijn minst selectief. De Amerikaanse regering heeft immers het aantasten van burgerlijke vrijheden tot kunst verheven. Wie in New York op een veerboot wil, mag nog net z’n onderbroek aanhouden en wie op het vliegveld niet eerbiedig genoeg naar de douane kijkt, mag terug achteraan in de rij. Hoezo vrijheid en westelijke waarden? En wat te denken van Facebook, dat zonder blikken of blozen onze gegevens doorverkoopt? Is hier dagelijks hevig protest tegen? Nee, blijkbaar hebben we deze onvrijheden geaccepteerd.

In mijn laatste column voor deze krant wil ik met heroïsche woorden een strijd voor echte vrijheid ontketenen. Witte Huis, Facebook, ACTA en SOPA? We lusten jullie rauw!

Ruttie kleur buiten lijntjes

Maandag 20 februari, 19:30 uur, Nederland 3, één van de mooiste afleveringen van De Wereld Draait Door. “Dit is De Wereld Draait doorrrrrr”, en daarmee trapt Matthijs van Nieuwkerk af. De tafelheer is één van mijn twee lievelingstafelheren, zijn naam is Jan Mulder, hij geeft zo lekker ongegeneerd commentaar op alles. Zet daar tegenover Rutger Castricum als gast. Het contrast tussen ‘nieuw’ en ‘oud’ was fenomenaal.

Eerst wat geblablabla van “Ah, meneer Rottenberg, goedendag” en “Wie is hij? – Frénk van der Linden” over de Partij van de Arbeid. Daarna mocht Rutger Castricum zijn zegje doen over het boek dat hij heeft geschreven over Ibiza. Zijn clash met Rottenberg en van der Linden vond ik mooi. Ruttie (zo noem ik hem, voor het gemak) zoekt altijd grens op, gaat er af en toe iets overheen maar zit er meestal bovenop. De journalistiek die Rutger bedrijft vind ik prikkelend, vernieuwend, provocerend, plagend, hier en daar stekend en vooral amuserend. De oude hap à la Felix Rottenberg en Frénk van der Linden vindt het afzeiktelevisie, cabaret en spreekt over een heuse ‘fatsoenskloof’ (whatever that may be?!) terwijl Rutger het terecht een generatiekloof noemt. Zij snappen die manier van journalistiek (nog) niet of willen het niet snappen.

Aan de manier van journalistiek van PowNed moeten we nog even wennen. PowNed schopt tegen de gevestigde orde en schudt Nederland weer even wakker op de momenten dat het nodig is. Er is een mediarevolutie gaande, want ik ga anders met media om dan een Felix Rottenberg van deze wereld. Het hoeft niet netjes te zijn, buiten de lijntjes kleuren mag ook best. Het buiten de lijntjes durven kleuren is de kracht van de nieuwe soort journalistiek. En dat zijn we niet gewend na jaren brave Jeroen-Pauw-en-Paul-Witteman-journalistiek.

 

De begrafenis van het papieren boek

Daar zat ik dan, in Amsterdam, bij een avond over de toekomst van het papieren boek. Het kon nooit een lange avond worden, want zeg nou eerlijk; hoe lang kan een stapeltje dode boom nog mee?

Mannen met witte, lange baarden, vrouwen met brede paarse broeken, ze waren er. Een man stond op en sprak wijs uit dat hij het belangrijk vond dat volgende generaties op dezelfde wijze van papieren boeken moesten gaan genieten als hij. De pret, de geur, het doorgeven van het boek … Ik moet er niet aan denken. En achteraf bleek hij historicus.

Terwijl uitgeverijen zich afvragen hoe ze met de tijd mee moeten gaan en hoe ze de ontlezing moeten aanpakken, gebruiken 14-jarige kids de nieuwe iBook Author van Apple om hun wiskundeboeken over te nemen op hun iPad, want die gaat mee naar school. Hoezo sjouwen?

Uitgeverijen staan stil en lopen dus daardoor geld mis. Ik zou best willen betalen voor een Nederlands boek op m’n iPad, maar dat kán niet. Simpelweg omdat die er amper zijn.

In mijn hele leven kocht ik één echt analoog boek. Dat van James Worthy. Op Facebook las ik er goede verhalen over, op Twitter vond ik hem enorm grappig en volgens m’n vrienden was zijn boek precies zo leuk. Daarom kocht ik het.

Maar alle boeken digitaal? Dat kan niet, werd me verteld op diezelfde avond. Uitgeverijen maken een selectie en vervolgens zijn boekhandels nodig om die selectie mooi te presenteren. Onzin. In de nabije toekomst staan boeken net als apps in een store, koop je een boek aan de hand van een rating en gaat het huidige verdienmodel van uitgeverijen absoluut op de schop. Als de uitgeverijen hier niet snel op inspelen, zal er, net als in Amerika, een partij als Amazon opstaan die het wel doet.

Friezen op Twitter

Vandaag is het precies een week geleden dat Wiebe Wieling en zijn nu al legendarische ijsmeester Jan Oostenburg ons uit onze nationale droom hielpen. Die zestiende Elfstedentocht komt er, maar nu even niet. Inmiddels is het kwik gestegen en zijn de emoties afgenomen. Tijd voor een rustige evaluatie! En vraag het mijn leraren: voor rustige evaluaties moet u bij mij zijn.

Al sinds het midden van de vorige eeuw staan ijs, oudere Friese mannen in onflatteuze regenjassen, en kluunpassages garant voor massahysterie. Vroeger bleef die beperkt tot krantenkoppen en Polygoon-journaals met wijze-mannen-stemmen die euforisch ‘bewegende beelden’ uit het Noorden aankondigden.

Dat is verleden tijd. Toen her en der nog rayonhoofden druk doende waren met door het ijs zakken, kwamen de eerste Twitteraccounts als paddenstoelen uit het ijs. Friese schaatsfanaten ontpopten zich als onderzoeksjournalisten die binnen een paar uur duizenden volgers wisten te verzamelen. Er kwamen berichten over ijsdiktes op de route, foto’s en interviews met Wieling en consorten.

Persoonlijk vond ik het geweldig. Het was het zoveelste bewijs dat klassieke media niet langer het alleenrecht hebben op goede nieuwsservice. De Twitteraccounts verzorgden op gezette tijden informatie over de ijsdikten, speculaties rond de tocht en daarnaast prachtige plaatjes van het winterlandschap in het mooie Fryslân.

Wie denkt dat Twitter alleen gebruikt werd door Elfstedentochthysterici, die niet konden wachten op de krant of op de persconferentie, heeft het mis. Zelfs de oerdegelijke Koninklijke Vereniging De Friesche Elf Steden had een account. Zo ziet u maar weer: zelfs de meest nuchtere Fries ziet de kansen van en op sociale media.

 

Leerlingen zijn kwaadaardige wezens!!!!!!!!

Sinds ik op de middelbare school zit, werk ik met een laptop omdat  met de hand  schrijven  mij  veel moeite kost.  Aantekeningen, opdrachten, toetsen, iedere docent wist er van en het was geen enkel probleem.  Totdat men opeens besloot dat er  een ‘laptopprotocol’ moest komen.

Dat laptopprotocol is  samen te vatten als: leerlingen zijn altijd kwaadaardig en we moeten hen beschermen van alles, want ze zullen er alleen misbruik van maken. Zo werd bedacht dat er altijd een leraar moet meelopen als ik ga uitprinten in de mediatheek, want stel dat ik toch antwoorden ging veranderen (onmogelijk, er zitten mensen te controleren wat ik doe) of dat ik de toets na het printen bewaarde en er misbruik van ging maken (bij herkansingen worden  altijd nieuwe toetsen gemaakt, dus dan heb ik vrij weinig aan een toets zonder vragen).

Logisch dat de school fraude wil tegengaan, maar aangezien het praktisch onmogelijk is om te frauderen vind ik het eerder een aanslag op mijn vrijheid. Wat levert het op als ik vijftig minuten moet wachten tot iedere leerling klaar is om dan vervolgens een docent bij me te hebben die toch niet oplet? Wie zegt dat ik het personeel van de mediatheek niet omkoop?

Ik vind dat er een goed en werkend nationaal protocol moet worden opgesteld wat wél ergens toe doet. Dat zou ook wenselijk zijn voor mijn wekelijkse frustraties.

 

Mart Smeets, ik hou van je

Daar zat-ie dan, mijn norse televisieheld met een ander brilletje dan normaal. Mart Smeets werd zondag in een tv-interview het  hemd van het lijf gevraagd door Rick Nieman. In Kwestie van Kiezen liet De Mart weten dat hij het zich zou kunnen voorstellen dat we hem wel eens willen uitzetten.

Mart liet een kant van zichzelf zien die ik nooit eerder zag. Ik zag een filosofische Mart die eerlijk was over zijn leven en werk. Hij blikte samen met Rick Nieman terug op de tijd dat hij koste wat kost knokte tegen de bobo’s, de autoriteiten, de (net)bazen. Een gevalletje ruwe bolster, blanke pit.

Mart Smeets is de oppergod van de televisie. Hij heeft een kopgroep aan fans en een peloton Mart Smeets-haters. Veel landgenoten vinden hem maar een bozige brompot en naar Marts zeggen wordt dit versterkt door zijn columns.

Laat ik nu eens lekker het tegenovergestelde doen. Ik, als jongere ben fan van Mart. Of ik me hiervoor moet schamen? Nee. Mart is uniek, ik vind dat we zo’n journalistiek meesterwerk op handen moeten dragen. Zijn manier van verslag geven is mooi, uniek, geweldig en diepgaand zelfs. De finesse waarmee hij speelt met woorden en beelden vind ik bewonderenswaardig.

Eerder heb ik mij afgevraagd of Mart op televisie wel zichzelf is, maar na dit tv-interview ben ik er van overtuigd dat Mart is wie hij is. What you see is what you get. En later als we allemaal groot en oud zijn, zullen we het hebben over De Mart en zijn werk in de media. Zo van: wat een voorbeeld was hij en wat was-ie goed hè.

Mag ik het zeggen? Ja, ik mag het zeggen: zo’n Mart Smeets moeten we koesteren. I love you De Mart, I do!

 

Technoseksueel

Wikipedia is niet alleen een bron van kennis, maar ook een ongelooflijk leuk tijdverdrijf voor verloren uurtjes. Ik kan het iedereen aanraden om op een lome zondagmiddag een willekeurige Wikipediapagina te bezoeken. Eenmaal aangekomen op een pagina over de scheepsarts van de Titanic, de Rode Zee of een bepaald soort vleermuis is het de kunst door te gaan klikken op de verwijzingen die in zo’n artikel staan.

Dit levert een soort knapzakachtige speurtocht door de krochten van een digitale encyclopedie op, waarvan het einde net zo onduidelijk is als de reden om de tocht te beginnen. Het brengt je kennis die niet alleen ongevraagd maar ook nog eens heel raar is. Zo toetste ik afgelopen vrijdag het woord ‘metro’ in. Behalve de krant en het vervoersmiddel doemde ook het woord ‘metroseksualiteit’ op. Het eerste wat ik dacht was: Matthijs van Nieuwkerk. Zowel een vreemde – misschien wel verontrustende – als juiste associatie. Ik bleek namelijk gelijk te hebben: Matthijs van Nieuwkerk wordt door vrouwen getypeerd als een man die emotie toont, zich goed verzorgt en van mooie kleren houdt. Dat is precies de definitie van metroseksualiteit. Tot zover dus niks aan de hand.

Gefascineerd door alle varianten op ‘normale’ seksulaiteiten als hetero – en homoseksualiteit kwam ik terecht op een pagina over ‘technoseksualiteit’. Ook hier was mijn eerst gedachte vrij zorgwekkend: ik dacht aan een duidelijke seksuele voorkeur voor Bill Gates of Aziatische ICT-nerds met brilletjes. Gelukkig bleek ik dit keer wel ongelijk te hebben.

Technoseksualitieit is namelijk hip en benijdenswaardig! Een technoseksueel is een nader gespecificeerde metroseksueel, die ook nog eens aandacht aan zijn gadgets besteed. Dus niet alleen dure schoenen en mooie kleren, maar ook een mooie telefoon en een dure iPod. Tip voor alle nerds: noem jezelf voortaan technoseksueel. Die mooie kleren, die komen later wel.

Hipsters zijn mainstream



“Ik ben te hipster voor dat fuifje, daar komen oeters!” zomaar een zin uit mijn vriendenkring. De vertaling: Ik ben te alternatief voor dat feestje, daar komen mensen die te gewoon zijn en UGGS dragen en Nickelson jassen”.

Wie is het tegenwoordig niet; hipster. Een hipster is iemand die niet meedoet aan trends en zich niet aanpast aan de rest. De alternatieve. Ze drinken alleen Starbucks koffie, dragen rieten hoeden, zelfs in de winter, brillen met een groot montuur, skinny jeans opgerold tot de enkels met daar onder skate-schoenen; ook al skaten ze niet. Een hipster loopt voor op de samenleving en weet dingen al voor dat de massa er kennis mee maakt. Ze zijn de nieuwe hippies.

Tenminste, dat vinden ze zelf. Tegenwoordig is namelijk álles hipster. “Kijk naar mijn stickers op m’n laptop, zo hipster!” of een bloemetje tekenen op je OV-Chipkaart? Hipster! De hipster is mainstream. Het alternatieve is er vanaf, want iedereen is het of doet het.

Ik heb niets tegen hipsters, mijn beste vrienden zijn hipsters, echt! Maar het begint vermoeiend te worden. Zo gaan hipsters alleen naar feestjes waar andere hipsters komen: hipsterfuifjes, want feestjes klinkt te overrated.

Op Hipsterfuifjes draait men dubstep, dat is ook hipster. Er komen meisjes die blowen, wat op zich al een doodzonde is, maar nog erger: ze hebben tunnels. Tunnels zijn eigenlijk niet meer dan een enorm gat ín de oorlel. Vaak filosofeer ik over die dingen, over hoe dat er over een paar jaar zal uitzien als het helemaal niet meer hip is. Daar loop je dan, met een uitgerekte oorlel. “Hé, jij hebt een uitgerekte oorlel, was je tien jaar geleden ook een hipster?!”

Wat ooit begon als buiten de hokjes denken, is zelf een hokje geworden.

Pesten 2.0, dat moeten we niet willen

Op de basisschool wordt ons de basiskennis aangeleerd die van pas komt in de rest van het leven. Een stukje geschiedenis, een beetje natuur, rekenen en aardrijkskunde maar vooral veel taal.

Maar niet alles wordt er geleerd: de betekenis van het werkwoord ‘bashen’ heb ik namelijk zelf moeten achterhalen. Na wat gegoogle kwam ik erachter dat het in Brits-Engels masturberen betekent en in het Amerikaans-Engels mondeling aanvallen of afzeiken.

Ik doel op de tweede betekenis: afzeiken. Het lijkt alsof dat op internet de gewoonste zaak van de wereld is. Op Twitter volgde ik een aantal mensen die daar superieur in zijn en uit het niets mensen gaan bashen. Vaak pikken ze gewoon iemand uit en wordt de persoon in kwestie publiekelijk voor paal gezet. Die persoon is zich vaak van geen kwaad bewust, maar wordt uitgemaakt voor alles en nog wat. Het wordt vaak nog erger wanneer de persoon reageer op de basher want ‘hoe durft hij te reageren?!’. Ik vind dat nog al wat…

Waarom doen mensen dat? Wat bezielt ze? Waar zijn de normen en waarden op het internet gebleven? Ook op het internet behoor je die te hebben. Het is veel te makkelijk om vanuit je luie stoel iemand te gaan afzeiken of kleineren. Ik kan met honderd procent zekerheid stellen dat de basher nooit in iemands gezicht zal bashen. Dat doe je gewoon niet. En op internet ook niet! Zo’n internetwereld moeten we niet willen.

Op de basisschool heb ik niet geleerd wat bashen is, maar wat ik wél heb geleerd is dat je niet mag pesten. Bashen is pesten 2.0 en voor die hype pas ik.