‘Aan ons den arbeid’ en de dingen die voorbij gaan
Idfa is niet alleen een publieksfestival en een ontmoetingsplaats voor documentairemakers, maar ook een filmschool. In de Documentaire Workshop krijgt talent de kans een docmentaireplan te ontwikkelen. In 2004 deed Jeroen van Bergeijk mee aan de workshop en dit jaar wordt zijn debuutfilm vertoond op het festival: Aan ons den arbeid, een mooi, melancholiek portret van de eerste generatie Marrokaanse gastarbeiders in Nederland.
Het onderwerp heeft ook een persoonlijk tintje. De Marrokanen in Van Bergeijks film kwamen in dienst van de beschuitfabriek Hooijmeijer, waar de vader van de regisseur een van de directeuren was.
Van oudsher was Hooijmijer een gereformeerd familiebedrijf. ,,Aan ons den arbeid, van God den zegen,” zo luidt een spreuk op de muur van de beschuitfabriek.
Nederlanders waren in de jaren zestig moeilijk te vinden voor het zware en laagbetaalde werk in de fabriek. De Marrokanen waren harde werkers, sliepen in een pension dicht bij de fabriek, waar de voorman ze indien nodig gemakkelijk uit hun bed kon lichten voor overwerk. Dagen van 16 uur waren geen uitzondering.
Toch was Nederland toen een prettiger land om in te wonen dan nu. ,,Nu kijken Nederlanders naar onze kinderen alsof ze allemaal terroristen zijn”, zegt een van de Marrokaanse werknemers.
De mannen gaan terug naar hun oude werkplek, inmiddels een bouwval die op de nominatie staat voor de sloop. Die vervallen lokatie geeft de film veel sfeer. Van Bergeijk had het goede idee om de mannen de handelingen te laten nabootsen die ze moesten verrichten aan de machines. Inmiddels zijn al die taken geautomatiseerd in modernere fabrieken, zo laten de laatste beelden van de film zien.
Van integratie had nog niemand gehoord, vertelt de vader van de regisseur. Lessen Nederlandse taal waren er niet. Improvisorisch werd een gebedsruimte ingericht naast de douches van de fabriek. Maar na acht weken zomervakantie in hun vaderland, namen de Marrokanen een verzilverde theepot mee voor hun Nederlandse collega’s. ,,Maar ik wist niet wat ik ermee aan moest”, vertelt een voorman. ,,We hadden al een theepot van aardewerk.”
Toch vervalt de film niet in nostalgie naar een onschuldiger Nederland, toen over islam en allochtonen minder verkrampt werd gedaan. De film laat ook zien dat het met de veiligheidsvoorschriften niet al te nauw werd genomen. Een van de mannen beschrijft hoe hij een vinger verloor in de deegmachine. Niet iedereen was geestelijk opgewassen tegen het isolement van werken in het buitenland.
Op den duur begon het ziekteverzuim toe te nemen, naarmate de Marrokkanen meer waren ‘ver-Nederlandst’. Maar zo bont als de autochtone, fanatieke Feyenoordaanhangers in de beschuitfabriek maakten ze het niet. ,,Die kwamen op maandag alleen werken als Feyenoord gelijk had gespeeld. Als Feyenoord had verloren waren ze ziek en als Feyenoord had gewonnen waren ze dronken.”



dinsdag 4 december 2007, 12:03 uur
[...] de Bruin blogt over ‘Aan ons den arbeid’ op de site van NRC Handelsblad. Het AD heeft twee [...]