Vooruitgang ontsnapt aan alle voogdij
Voor een recensent is niets moeilijker dan een bundel artikelen van diverse schrijvers te bespreken, ook wanneer ze over hetzelfde onderwerp gaan. Óf het wordt een soort inhoudsopgave, want elke bijdrage afzonderlijk bespreken zou te veel ruimte kosten: óf het wordt een eigen essay over het onderwerp, met hier en daar een verwijzing naar het boek.
Wat de bundel Conservatieve vooruitgang betreft, heeft de redactie van de vrijdagse boekenbijlage de oplossing gezocht in een interview dat Pieter van Os had met Thierry Baudet, die, met Michel Visser, redacteur was van dit onlangs bij Bert Bakker uitgegeven boek, dat twintig artikelen over (niet: van ) min of meer bekende conservatieve denkers (onder wie drie Nederlanders) bevat (Boeken, 9 april).
Zelf zal ik dit niet nog eens dunnetjes overdoen. Ik bepaal mij vooreerst tot de titel: Conservatieve voortuitgang. Op het eerste gezicht lijkt dit een innerlijke tegenspraak, maar dat is niet zo. De samenstellers zeggen het al in hun woord vooraf: „Ten onrechte wordt de conservatief soms beschouwd als iemand die tegen alle verandering is of terug wil in de tijd. Wie dit doet, verwart conservatief met ‘regressief’. Conservatief staat niet tegenover progressief, maar tegenover revolutionair” (links of rechts, voeg ik eraan toe).
Dit is juist. Vooruitgang is op zichzelf een neutraal begrip, waar je niet voor of tegen kunt zijn. Vooruitgang is, zeker in de westerse cultuur, inherent aan die cultuur (Karl Max zag in het kolonialisme zelfs vooruitgang). Een conservatief zoals Tocqueville beschouwt de vooruitgang als een gegeven, waar je niet tegen vechten kunt, maar dat je op z’n hoogst in goede banen kunt leiden. Zelf geen democraat, zag hij in de democratie een verschijnsel van de vooruitgang.
Democratie is dus een fase in de vooruitgang, in de evolutie – een fase die het tegenwoordig geslacht toevallig beleeft en over ’t algemeen graag wil behouden. Of dat lukt is de vraag, want van de vooruitgang kunnen zich ook machten meester maken die het minder goed met ons voorhebben. „Pogroms zijn zo oud als het christendom, maar zonder spoorwegen, telegraaf en gifgas zou er geen Holocaust zijn geweest”, schrijft de filosoof John Gray in zijn boek Straw Dogs: thoughts on humans en other animals.
De Holocaust als teken van vooruitgang? Gruwelijk gedachte! Maar de in zijn tijd door alle progressieven vereerde filosoof Jean-Paul Sartre dacht er ook zo over. In een interview met Le Nouvel Observateur zei hij in 1975 (vijf jaar voor zijn dood):
„…dacht u dat de farao’s niet graag vijftig miljoen vijanden hadden vermoord! Ze deden dat alleen niet omdat ze het niet konden. Het feit dat men dat vandaag wel kan, zou bijna een reden kunnen zijn voor optimisme, want het is een aanwijzing dat er op een bepaald niveau vooruitgang is.” Het hangt er dus van af of vooruitgang in ‘goede’ of ‘slechte’ handen komt.
Zo komen wij op de ethische vraag: maar is er dan helemaal geen vooruitgang in ’s mensen morele ontwikkeling? Ook hier blijft de conservatief sceptisch: als in de twintigste eeuw midden in Europa, in het ‘land der dichters en denkers’, miljoenen in de ban konden komen van een demon, die zes miljoen joden vermoordde, dan mag je op z’n minst een vraagteken zetten achter het geloof in de zedelijke vooruitgang. De verleidbaarheid van de mens is enorm.
John Gray beschouwt dan ook (in een recent interview met Der Spiegel) het idee van de vooruitgang in de geschiedenis als een seculaire versie van het geloof in de voorziening. Dan heeft hijzelf nog een voorkeur voor „het echte religieuze geloof”, dat tenminste als „nuttige dam tegen de menselijke hybris” kan dienen.
Intussen raast de vooruitgang door. De huidige crisis, met haar nog onbekende politieke gevolgen, is er een symptoom van. „Fundamentele ontwikkelingen, vooral gerelateerd aan de informatietechnologie, hebben ons uit ons evenwicht gebracht. De samenleving ondervindt dit als unheimisch – een woord dat in geen Duits woordenboek te vinden is –, omdat deze nieuwe werkelijkheid nog geen basis heeft in een aangepaste maatschappelijke ordening”, schrijft Arnoud Boot, hoogleraar Corporate Finance en financiële markten aan de Universiteit van Amsterdam, in Spui, magazine voor de alumni van die universiteit.
De vooruitgang gaat snel, ja steeds sneller. Individu en samenleving kunnen die versnelling niet meer bijbenen. Wat twee eeuwen lang als een bevrijdende ontwikkeling werd gezien, dreigt een onbeheersbaar verschijnsel te worden. Dat is, naar ik heb begrepen uit een bespreking in Le Monde, een van de conclusies van Beschleunigung: die Veränderung der Zeitstrukturen in der Moderne van de socioloog-filosoof Hartmut Rosa.
Kan die ontwikkeling nog geremd worden? Rosa schetst vier scenario’s, waarvan hij het zwartste als het waarschijnlijkste beschouwt: „een razende ren naar de afgrond”, die op z’n hoogst dictaturen nog kunnen stoppen. Maar kunnen zij het (gesteld dat ze het zouden willen)? Het lijkt er veeleer op dat de vooruitgang ontsnapt aan alle voogdij, een eigen, immanente dynamiek heeft gekregen. Die ich rief, die Geister, Werd’ ich nun nichts los.
Toegegeven, een weinig optimistisch scenario. Het is prettiger zich te vermeien in het vooruitzicht van een steeds rooskleuriger toekomst, in de lendemains qui chantent van de Franse communisten. Maar wie heeft ooit beweerd dat het conservatieve wereldbeeld optimistisch is? Pessimisme heeft in elk geval dit voordeel: de pessimist kan niet ontgoocheld raken. Het kan alleen nog maar meevallen.



donderdag 22 april 2010, 18:21 uur
unheimisch – een woord dat in geen Duits woordenboek te vinden is? Kijk dan in “Kramers’Woordenboek Duits”, vijfentwintigste druk, 1969. Op bladzijde 622 staat het, tussen “unheilvoll”en “unheimlich”, en erachter staat: “niet inheems, vreemd, ongezellig.”
vrijdag 23 april 2010, 7:25 uur
Uw artikel van 22 april vermeldt in de “lendemains qui chantent” hun communistische achtergrond.
Ik heb in Auschwitz, in 1991, gelezen door N.N. geschreven op een muur of deur : “j’attends les lendemains qui chantent”.
Zou dit dezelfde bron zijn?
J.Weitjens
Tilburg
zaterdag 24 april 2010, 11:04 uur
Geachte J.L. Heldring,
Kijken we naar de evolutie, dan zien we organismen ontsnappen aan mutaties en al een half miljard jaar in een staat van reactienorm leven tot op de dag van vandaag. Selectiedruk was niet aanwezig om te muteren. De mensheid moet naar een staat van reactienorm. Maar de druk wordt alleen maar groter. Selectieruimte kan uitkomst bieden, en in de turbulentie van culturele stochastische processen zijn er ook lichtpuntjes. Zoals de vijfde revolutie: De baanbrekende stroomversnelling in de hersenwetenschap. Als wij onze beweegredenen wat scherper in het licht krijgen, dan kunnen we een begin maken met de beheersing van de zinnen. Een stap in de richting van de reactienorm waarin ons fenotype overeenkomt met de habitat. Om dit proces progressief te noemen, revolutionair of conservatief, elk van deze kwalificaties past samen op deze ontwikkeling. Zie ook: http://www.cognitieve-evolutie.nl
Vriendelijke groet, Jan Krikke
maandag 26 april 2010, 14:45 uur
In deze wederom zeer boeiende column wordt het woord ‘vooruitgang’ op een verwarrende manier gebruikt. Soms wordt naar mijn mening ‘voortgang’ bedoeld, dat wat gebeurt.
Het aangehaalde interview met John Gray in Der Spiegel maakt dat onderscheid wel. ‘Wat nou geen vooruitgang’, vraagt Der Spiegel, ‘en bijvoorbeeld de afschaffing van de slavernij dan’. ‘Ja maar’, antwoordt Gray, ‘dat kan in een oogwenk weer teruggedraaid worden’.
Het citaat geeft een aantal zaken aan. Je moet aangeven wat je vooruitgang vindt en waarom. Niet alles wat gebeurt is vooruitgang. Gray en Der Spiegel beschouwen beiden de afschaffing van de slavernij als vooruitgang. Maar Gray wijst er -terecht- op dat die teruggedraaid kan worden. Die gebeurtenis zou dan wel voortgang, maar achteruitgang zijn. Zoals bijvoorbeeld ook het toelaten van martelingen door de regering Bush. Vooruitgang en voortgang zijn dus niet in Hegeliaanse zin met elkaar verbonden.
Vooruitgang is ook bijna altijd een meerlagig begrip. Je kunt bijv. individualisering als vooruitgang beschouwen, en de afname van solidariteit die daar (wellicht tijdelijk) uit voortvloeit, als achteruitgang. Ik vind het daarom absurd om, als je ontwikkeling van de techniek als vooruitgang beschouwt, daarmee ook het gebruik daarvan in de holocaust als vooruitgang moet beschouwen.
Essentieel en onontkoombaar is dus een discussie over wat je vooruitgang vindt en waarom. Een concreet en actueel voorbeeld: ik vind een bescheiden inkomensongelijkheid een vooruitgang (dat kan ik ook beargumenteren, maar dat voert te ver in het kader van deze reactie). Ik vind daarom de toenemende inkomensongelijkheid sinds de jaren tachtig een achteruitgang, die de politiek nodig moet corrigeren, ook al levert dat in bezuinigingstermen wellicht nauwelijks iets op.
Zonder zulke concrete discussies blijft een beschouwing over ‘vooruitgang’ te abstract.
Chris Peeters
donderdag 24 juni 2010, 12:34 uur
Op weg naar een lezing van John Gray in de Brusselse Muntschouwburg, op zondagochtend 20 juni jl., passeerde ik het hoofdkwartier van de PS – de Franstalige Parti Socialiste in Belgie – die geleid wordt door de naar verwachting binnenkort tot premier uit te roepen Elio di Rupo.Op het spiegelende glas van dit spuuglelijke modernistische gebouw aan de Keizer Karellaan, is over diverse strekkende ramen in koeienletters de triomfantelijke verkiezingsslogan geplakt van de partij: “Le SP – 125 ans deja le createur du Progrès.” Men kan in de lucht rondom dit gebouw – bij wijze van spreken – het Klein Orkest zijn balladen horen zingen. “Er is in die tijd veel bereikt…” Zeker, maar waren de mensen perse ongelukkiger toen ze nog als jagers-verzamelaars over de toendra’s struinden. Of beter gevraagd: zijn alle mensen nu perse gelukkiger?
Waar John Gray bezwaar tegen heeft, zo vertelde hij zondag in antwoord op een vraag hierover van een jonge filosofiestudent, is de finalistische interpretatie van het begrip vooruitgang. Alsof er een hoger plan of einddoel zou bestaan dat speciaal voor de mens en zijn geschiedenis is uitgedacht. Een matrijs waartegen alle ontwikkelingen en bewegingen in absolute zin zouden kunnen worden afgemeten. Dit is een van de illusies die Gray wenst te bestrijden. Ook wees hij erop dat in de naam van de vooruitgang de grootst mogelijke misdaden zijn gepleegd in de geschiedenis. Ook de nazi’s dachten dat zij een voor hen betere maatschappij zouden kunnen creeren door joden uit te roeien en Untermenschen door de Wehrmacht van de aardbodem te laten verdwijnen of in kampen als werkvee tewerk te stellen tot groter heil van het Vaderland. De rassentheorieen werden als een belangrijke stap voorwaarts gezien op weg naar de realisering van het Duizendjarige Rijk.
Tegelijkertijd kan ook John Gray zelve niet ontkomen aan het feit dat hij sommige ontwikkelingen of gebeurtenissen meer verwerpelijk of bedenkelijk vindt dan andere. Zo heeft hij een treffende notitie geschreven tegen de terugkerende praktijken van het martelen door het Amerikaanse leger in Irak (“Martelen: een gematigd voorstel”, Provocaties (Ambo 2004), p. 134-140.) Voorts gaf hij aan zich toch eigenlijk wel ongerust te maken over de proliferatie van nucleair materiaal en uiteindelijk van nucleaire wapens in het Midden Oosten. Toen ik het hem op de man af vroeg, wilde hij wel toegeven dat een wereld zonder kernwapens beslist een betere wereld zou zijn. “Maar of dit ideaal van Global Zero ook gerealiseerd kan worden, lijkt me stug.” Gray voorzag juist het begin van een nieuwe nucleaire wapenwedloop tussen rivalen als Iran en Saoedi Arabie, Syrie en Israel, Jemen en overige landen die vinden dat ze niet achter kunnen blijven bij hun medestrevers of tegenstrevers op het orientaalse schaakbord. Hij achtte de kans reeel dat in the heat of the conflict, dit zou resulteren in een kernoorlog die eerst op kleinere schaal en later op grotere schaal zou worden uitgevochten. Met alle katastrofale gevolgen van dien.
Over slavernij verkondigde Gray in zijn lezing te Brussel dat er heden ten dage nog evengoed sprake is van slavernij als een of twee eeuwen geleden, alleen dat het nu niet meer zo heet. Hij verwees naar de vele arbeiders in sweatshops en al die armoedzaaiers, kinderen of ongelukkigen die door koppelbazen,uitbuiters of pooiers te werk worden gesteld. Net als in de tijd van Dickens. Vooruitgang – in de zin van accumulatie – op het gebied van kennis, techniek en wetenschap bestaat weldegelijk gaf Gray toe. Maar: “in ethics and politics the gains are not cumulative as in science.” Iedere precaire menselijke verworvenheid kan vroeg of laat weer ongedaan worden gemaakt.
Of er sprake is van vooruitgang of achteruitgang is een moreel oordeel. En zoals met alle oordelen, is zulks altijd kwestie van perceptie en overtuiging. Their truth is in the eye of the beholder. Ze zijn relatief. Grootste obstakel om te kunnen oordelen of er sprake is van vooruit- dan wel achteruitgang, vond Gray, is het feit dat mensen slecht in staat zijn om persoonlijke ervaringen over te dragen op anderen die niet het geluk of de pech hebben gehad aan zulke ervarigen te zijn blootgesteld. We kunnen moeilijk vergelijken, ons empathisch vermogen schiet tekort en onze neiging te vergeten of weg te drukken wat ons onwelgevallig is, is te groot. Hoe is het om in een totalitair regime te leven? We kunnen er ons een voorstelling van proberen te maken door er dingen over te lezen of er een studie van te maken. Maar het echt weten kunnen we niet zolang we er niet werkelijk voor enige tijd dag en nacht aan zijn blootgesteld. Hier lijkt Gray aan te sluiten bij Einstein, die verkondigde dat “voelen superieur is aan weten omdat gevoelens peilloos zijn en kennis is begrensd”.
Interessant was Gray’s opmerking over Barack Obama, die volgens de filosoof het slachtoffer leek te zijn geworden – of gaan worden – van zijn eigen vooruitgangsretoriek in de verkiezingstijd van 2008. Yes We Can! In weerwil van zijn magische en charismatische mantra van de door hem te realiseren maatschappelijke veranderingen die Amerika van hem kon verwachten, is ook deze president vastgelopen in het moeras van de realiteit en de tegenwerking en praktische bezwaren. Wat Obama nu het meest dreigt op te breken, is iets wat niemand had kunnen voorspellen bij zijn aantreden: een eindeloos lekkende oliebron in de Golf van Mexico die met geen mensenhand gedicht lijkt te kunnen worden. Over vooruitgang in de strijd tegen de Taliban in Afghanisten durft ook niemand echt meer te praten. En wie dacht dat de Crisis louterend zou hebben gewerkt voor de door hebzucht en consumptie voortgedreven vrije markt en haar Masters of the Universe aan de top, komt ook bedrogen uit. Allan Greenspan heeft zijn verzuchting dat hij het zelfcorrigerend principe van de Vrije Markt danig overschat had, inmiddels weer herroepen. Wereldwijd werden miljoenen mensen zwaar getroffen door de crisis. Velen werden werkeloos of verloren hun huis. Maar behalve Madoff is er vrijwel niemand van de hebzuchtige speculanten en asociale graaiers, die de crisis op hun geweten hebben, voor diens misdadige praktijken echt gestraft. Banken keren opnieuw bonussen uit, alsof er nooit een crisis is geweest. Greed Is Good Again! hoor je de opvolgers van Gordon Gekko uit de Film Wall Street van Oliver Stone opgelucht uitroepen.
In de Volkskrant stond gisteren een interessante tekst te lezen: “Hebzucht tiert zonder dat het zichzelf beperkt. Zonder achting voor het menselijke ras, groeit de inhaligheid maar door. Niet in jaren of maande, maar in uren en minuten. Slechts de gedachte van beheersing zou de hebzucht al kunnen temmen. Maar ongetemde gekte heeft geen oog voor wat voor iedereen noodzakelijk is.” De nog uiterst actueel klinkende verzuchting is van de Romeinse keizer Diocletianius, die dit in 301 als voorwoord liet opnemen in zijn Edictum de pretiis rerum venalium (edict over de prijzen van koopwaren). “Het feit alleen al, dat een 1.700 jaar oude waarschuwing nog steeds relevant is, leert ons minstens twee dingen”, schreef Robert Giebels treffend in zijn commentaar op pag.29. “Dat we als mensheid verbluffend slecht leren van onze fouten. En dat ze dus eigenlijk niets aan de huidige crisis kunnen doen: het zit gewoon in het bloed te falen.”
David Hume formuleerde dit twee eeuwen terug ook al. Die schreef: “Door de kracht van de vindingrijkheid kunnen mensen hun levenslot vergemakkelijken of uitstellen, maar zij kunnen zich er niet van bevrijden.” Geschiedenis was ook voor hem geen verhaal over vooruitgang, maar een opeenvolging van cycli waarin beschaving wordt afgewisseld door barbarij.
Opmerkelijk, al met al, vind ik John Gray’s constatering aan het einde van zijn boek Strohonden, ‘dat men het goede leven niet zal vinden in dromen over vooruitgang, maar door de tragische wisselvalligheden van de wereld met opgeheven hoofd tegemoet te treden’. Kijk, dat biedt toch enige hoop in al deze duisternis van het pikzwarte pessimisme. Het is een inzicht dat zelfs frapante gelijkenis vertoont met de beroemde, ontroerende scene van berusting in het laatste bedrijf van Hamlet (V.2), waarin de tragische held zijn beste vriend en vertrouweling Horatio vertelt dat hij zich niet meer op zal laten jagen en geen angst meer voelt voor het mogelijk echec in het duel met Laertes die zich wil wreken voor de dood van zijn vader. Als Horatio een poging doet om zijn vriend van het duel af te laten zien, antwoord Hamlet: ‘Not a whit, we defy augury; there’s a special providence in the fall of a sparrow. If it be now, ’t is not to come; if it be not to come, it will be now; if it be not now, yet it will come: the readiness is all. Since no man has aught of what he leaves, what is’t to leave betimes? Let be.’
Kome wat komt, niemand kan het winnen van de krachten der vernieling. De nederlaag lijden is niet aangenaam, maar je kunt je er beter maar vast op voorbereiden want uiteindelijk is ze onvermijdelijk. Hamlet: ‘the readiness is all.’ Alle schepselen wacht dezelfde nietige bestemming, op ieder liedje volgt alweer die stilte, na iedere uitvoering valt altijd weer datzelfde zwarte doek. Geen mens zal ooit als winnaar uit de tweekamp met de tijd tevoorschijn komen. Geen mens is in staat om het lot te pareren. Het enige wat voor ons geboren verliezers nog verschil maakt, dat is onze manier van incasseren. Hoe vangen we de klappen op? Hoe houden we het hoofd recht tot de laatste slag? Laten we ons als een koe of schaap naar de slacht voeren? Zullen we loeien, mekkeren, piepen en rennen als een muis of janken als een hond die van het erf af wordt getrapt? Slagen we erin om onze menselijke waardigheid te bewaren, zoals het mensen betaamt? Of zullen we creperen als beesten, onkruid dat wordt weggemaaid, ongedierte dat wordt verdelgd?
‘Met opgeheven hoofd,’ schrijft Gray – die normailiter geen kans voorbij laat gaan om het humanisme te reduceren tot of ontmaskeren als een armzalige verlossingsleer voor een bende praatjesmakers, goudzoekers en randdebielen die hardnekkig in hun sprookje van het paradijs blijven geloven. Het aardse paradijs dat met prikkeldraad en hekken van de rest van de natuur is afgesneden, en waar boven de ingang staat geschreven: ‘alleen voor mensen toegestaan. Voor andere dieren verboden’…. Ik vond het een opluchting om dit alles bij John Gray toch nog te mogen lezen. Maar: is het niet vreemd dat juist deze intellectuele koppensneller die zich in navolging van ‘de filosoof met de hamer’ in tal van geschriften kennen laat als ‘denker met het kapmes tussen de tanden’ die het als zijn roeping ziet om de aarde schoon te vegen van het humanistisch saprofiet dat het westerse denken al zolang besmet en vertroebelt, voor zijn finale conclusie teruggrijpt naar een inzicht dat vier eeuwen eerder al geformuleerd werd (en in veel scherpere bewoordingen) door een van de meest vitale humanisten uit de westerse geschiedenis? Is het niet merkwaardig dat ook deze strijdlustige renegaat, die op vrijwel iedere pagina van zijn boeken het anthropocentrische en humanistische gedachtengoed aan mootjes probeert te hakken – als puntje bij paaltje komt zich deemoedig in de armen blijkt te nestelen van het Humanisme? Is dit een bewijs van John Gray’s intellectuele spoepelheid,een sterk staaltje van ‘kritische nuance’ dat de schrijver aan het eind van zijn boek ten beste geeft om zijn lezers voor een laatste keer op het verkeerde been te zetten, of moeten we concluderen dat de filosoof aan het eind van de rit zijn somberste krachten heeft verspeeld en per ongeluk in een valkuil is getuimeld die hij eigenlijk voor zijn vijanden gegraven heeft?
Ook John Gray, de bewonderenswaardige kritikaster van de mens en zijn illusies, is gelukkig als puntje bij paaltje komt een sanguin mens die – net als die socialisten van de PS in de Keizerlaan in Brussel – zijn streven naar menselijke waardigheid en hang naar beschaving niet heeft opgegeven. De Vlaamse dichter Hughes Pernath besluit een van zijn nagelaten gedichten (voor Martine) met de schitterende regel: “De mens is alles en meer of ook minder, nu eens de koning en soms zelfs een dwaas”.
Serge van Duijnhoven, Brussel