Straks bepaalt de auteur welke wetenschappelijk publicaties zinvol zijn
Door Jan P. Vandenbroucke (Akademiehoogleraar en hoogleraar klinische epidemiologie aan het Leids Universitair Medisch Centrum)
Volledige openbaarmaking van wetenschappelijke publicaties kan ertoe leiden dat auteurs veel meer macht krijgen dan nu. Dat is niet zonder risico.
Op het eerste gezicht lijkt er geen zinnig argument in te brengen tegen de roep om totale openbaarheid van wetenschappelijke publicaties (NRC Handelsblad, 1 augustus). Echter, er zijn mogelijke onvermoede gevolgen. Die hebben te maken met het financieringsmodel. Het maken van een vooraanstaand wetenschappelijk tijdschrift kost (veel) geld. Het voorstel om volledige openbaarheid mogelijk te maken betekent dat niet langer de lezer een abonnement neemt, maar dat de auteur het tijdschrift moet betalen om zijn artikel gepubliceerd te krijgen. Dat betekent dat een wetenschapper extra geld (naast zijn salaris en geld voor onderzoek) nodig heeft om zijn artikelen te publiceren.

AEX: 338,65 







woensdag 5 augustus 2009, 16:48 uur
De heer Vandenbroucke schrijft het volgende:
> Het maken van een vooraanstaand wetenschappelijk tijdschrift kost (veel) geld.
Het hele betoog daarna staat of valt hiermee: omdat er ergens geld vandaan moet komen, verschuift de macht, en dat zou gevaarlijk zijn.
Echter, er zijn al voldoende vakgebieden (met name in de exacte wetenschappen) waar de kosten van publiceren nihil zijn: het wordt namelijk op een website gepubliceerd, waarvoor geen subscriptie vereist is. Als iemand toch een kopie van de resultaten van een congres wil, kan er tegen kostprijs een hardcopy verkregen worden.
Let wel: het gaat hier om congressen die zorgvoldig peer-reviewed zijn, en waarbij het acceptatiepercentage tussen de 10 en 20 procent ligt. Doorgaans zijn dit ook de artikelen die vaak geciteerd worden, en dus een relatief grote invloed hebben op de wetenschap.
Dit is dus de droom van minister Plasterk. En terecht: de markt voor wetenschappelijke tijdschriften lijkt kunstmatig, en er vloeit dus geld (voor dure subscripties) naar instanties die eigenlijk niet nodig zijn. Geld dat dus beter aan onderzoek besteed kan worden.
donderdag 6 augustus 2009, 09:20 uur
Het Open Access model is nog niet volledig uitgekristalliseerd. Je zou kunnen denken aan publicatie in gedrukte vorm na 2 jaar (voor bibliotheken en andere vermogenden). Dan kan na 2 jaar besloten worden welke artikelen aan de criteria van de editor voldoen, en heeft de editor ook nog voldoende tijd om onderzoek naar belangen conflicten te doen etc. ArXiv doet het weer anders, en wie weet staat er een nieuwe uitgever op die het weer anders doet. Als de macht van de editor niet voldoet wellicht doet dan de macht van het bijtende commentaar van je collegaas wel om aanpassingen te bewerkstelligen.
Blijft de vraag over of een commercieel bedrijf een OA journal kan publiceren zonder dat het tijdschrift verwordt tot een product van commerciele publicaties. Wetenschappers moeten de vinger aan de pols houden en de overheid ook. Als deze vraag met nee beantwoord moet worden dan moeten OA journals via universiteiten, instituten of stichtingen opgezet en onderhouden worden.
De financiering hoeft niet via de betalende auteurs te gaan, maar kan ook via bibliotheken gaan (die houden wellicht wat geld over), of via een taakverdeling binnen de EU of europese bibliotheken.
Ik zou me niet direct zorgen maken, maar wel voortdurend alert blijven en zoeken naar andere manieren van publiceren als dat via de (zeer) machtige bedrijven niet goed gaat.
donderdag 6 augustus 2009, 09:21 uur
Het betoog van Vandenbroucke lijkt me vooral gericht te zijn op het behoud van gerenommeerde papieren tijdschriften als Nature en Science. Zoals Cramer in reactie 1 helder verwoordt, is er evenwel een trend waarbij de meeste (en zeer bruikbare) publicaties al op een heel andere manier hun weg vinden onder de wetenschap. Vooral bij de peer-reviewed congrespapers. Maar ook de opkomst van internettijdschriften zal vermoedelijk veel en duur papier van de markt doen verdwijnen. Het behoud van de papieren tijdschriften op het niveau van Nature en Science lijkt me echter verhoudingsgewijs weinig van de middelen te vergen. Welke wetenschappelijke bibliotheek kan zich permitteren zonder te doen? Om er redactioneel aan deel te mogen nemen is verder een zo grote eer, dat me het bemanningsprobleem niet urgent lijkt te worden. Overigens is ook daar het heikele probleem de selectie van aangeboden artikelen. De ‘indrukwekkende vorm’ wil daarbij nogal eens gemakkelijk de soms schrale inhoud overschaduwen. Het gros van de overige papieren tijdschriften zal naar mijn verwachting een verschuiving naar het veel goedkopere en efficientere internet maken (of verdwijnen). Zelfs al zou je als uitgever deze ontwikkelingen willen tegenhouden, ik zie niet hoe dat te realiseren zou zijn. Althans, zolang ook op het web de kwaliteitseis duidelijk gehandhaafd blijft.
donderdag 6 augustus 2009, 10:20 uur
De heer Vandenbroucke heeft natuurlijk gelijk als hij aan het einde in essentie zegt dat “wie betaalt, bepaalt”. Zolang de wetenschappelijke uitgeverijen commerciele instellingen zijn zullen zij trachten hun winsten te maximaliseren. Het maakt dan weinig uit of de afnemer betaalt of de leverancier.
De oplossing is volgens mij eerder dat niet-commerciele instellingen, of instellingen met een nutsfunctie zorgdragen voor de logistiek van het uitgeven van wetenschappelijke artikelen.
Als een commercieel bedrijf als Reed Elsevier een rendement heeft van meer dan 30 procent op haar wetenschappelijke uitgaventak, dan betekent dat dat de abonnementskosten zeker met 30 procent omlaag kunnen. Bedrijven met dat soort rendementen kunnen verder veel efficienter gaan werken, zodat de kosten nog veel lager gaan uitkomen. Het prestige van een tijdschift hangt niet af het verdienvermogen van het tijdschrift (eerder omgekeerd), dus de reputatie van de tijdschiften zelf zal hier niet onder lijden.
Het tijdschrift Science wordt al uitgegeven door een non-profit instelling, het is dus niet noodzakelijk om gerenommeerde wetenschappelijke tijdschriften door commerciele instellinge te laten uitgeven.
donderdag 6 augustus 2009, 11:11 uur
Storm in een glas water over openbaarheid van wetenschappelijke artikelen?
Beide NRC artikelen over wetenschappelijke publicaties (“Maak wetenschappelijke publicaties openbaar” en ”Straks bepaalt de auteur welke kennis zinvol is”, Vandenbroucke) vertonen grote manco’s. Het is (grotendeels) overbodige zomerophef van beleidsmakers.
Ten eerste, in mijn vakgebied (Toegepaste Wiskunde en stromingsleer) hebben nagenoeg alle auteurs preprints (voorversies) van hun artikelen openbaar toegankelijk op hun webpagina’s staan, of op eprint-sites, van hun faculteiten. Daarmee wordt de toegankelijkheid voor iedereen gegarandeerd, zowel voor algemeen publiek alsmede wetenschappers uit armere landen. Het verschil tussen preprints of ongecorrigeerde drukproeven en de eindversies is miniem. Logisch, de individuele wetenschappers weten donders goed dat hun pr sterk wordt vergroot middels openbaarmaking van preprints op het internet. Het argument dat openbaar onderzoek daarmee moeilijk toegankelijk is, is daarmee praktisch gezien grotendeels onderuit gehaald. Anders gezegd: de eis “Wetenschappers die subsidie krijgen van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) moeten hun wetenschappelijke publicaties voor iedereen toegankelijk op internet te zetten” is overbodig want vele auteurs doen dit allang, uit eigenbelang.
Ten tweede, het argument van J.P. Vandenbroucke dat betaling voor publicatie van artikelen de auteurs (teveel) macht geeft, heeft in mijn wetenschapspraktijk geen effect gehad. Een aantal prestigieuze tijdschriften waarin ik publiceer vraagt geld bij publicatie maar de controle via andere wetenschappers is streng en loopt via bonafide organisaties, waar het afwijzingspercentage van artikelen (terecht) hoog is. Waarom ik publiceer in dergelijke tijdschriften is evident: mijn gewaardeerde collega’s publiceren er en samen houden wij het niveau hoog; dat valt onder onze beroepseer.
Gegeven bovenstaande twee kanttekeningen is de conclusie dat binnen mijn vakgebied wetenschappelijke artikelen openbaar toegankelijk zijn en dat de ophef over die vermeende ontoegankelijkheid dus onzinnig is. Het is een storm in een glas water, waarvan de wiskundige en numerieke beschrijving binnen mijn vakgebied valt, en eventuele publicatie daarover zou iedereen zo via mijn website moeten kunnen vinden: zie link.
Dr. Ir. Onno Bokhove, Toegepast Wiskunde, Universiteit Twente; op persoonlijke titel.
woensdag 9 september 2009, 21:03 uur
Jan Vandenbroucke verkondigt de mening dat als wetenschappelijke auteurs moeten gaan betalen om gepubliceerd te worden zij, en niet de redacties, het laatste woord hebben. Hij is niet helemaal alleen in die mening, maar dat betekent niet dat hij het bij het rechte eind heeft. Integendeel, zijn mening is gebaseerd op een aantal hardnekkige misverstanden.
Zijn notie lijkt vooral gebaseerd op op een beschouwing van wat er in dat geval zou kunnen gebeuren met ‘vooraanstaande wetenschappelijke tijdschriften’, die hij de rol toebedeelt van ‘nieuwsgaring, opinievorming en richting geven aan wetenschap’. Het probleem is hier dat de wetenschappelijke tijdschriften die zich richten op nieuwsgaring, opinievorming en richting geven aan wetenschap – hij noemt Nature als voorbeeld – niet meer dan een minieme fractie vormen van de hoeveelheid tijdschriften waarin de voortgang van wetenschappelijk inzicht wordt vastgelegd en gepubliceerd. Slechts een handvol van de duizenden tijdschriften doet aan iets dat als nieuwsgaring kan worden gekarakteriseerd.
Vandenbroucke geeft dat ook toe: ‘het ligt totaal anders bij tijdschriften die zich richten op een heel beperkt vakgebied, waar auteurs en lezers min of meer samenvallen’, zegt hij. En gelijk heeft hij. Maar dat betekent dus dat het totaal anders ligt bij zo’n 99% van de wetenschappelijke tijdschriften. Als auteurs betalen – in de praktijk zijn het de geldschieters van het onderzoek die dat doen – geeft dat de mogelijkheid voor iedereen, wetenschapper of geïnteresseerde leek (patient, bijvoorbeeld), om gratis toegang te verkrijgen tot de gepubliceerde onderzoeksresultaten, omdat de uitgevers niet meer afhankelijk zijn van het geld dat wordt binnengebracht door abonnees – in de praktijk vrijwel uitsluitend institutionele bibliotheken. En omdat de geldschieters meerendeels overheidsinstanties zijn, en het geld dat zij schieten belastinggeld is, lijkt dat een logischer en eerlijker gebruik van dat geld dan het te besteden aan bibliotheken voor de aanschaf van abonnementen, met de toegangsbeperkingen die daarmee gepaard gaan.
Ook het idee dat tijdschriften alles maar zouden accepteren en een loopje zouden nemen met kwaliteitsnormen omdat de auteurs betalen berust op een misverstand. Wetenschappers willen het liefst publiceren in een tijdschrift met een goede reputatie, of zelfs prestige, in hun vakgebied. Een tijdschrift dat alles maar accepteert wat wordt aangeboden vanwege de spreekwoordelijke boter bij de vis zal al gauw merken dat die boter ranzig is en de vis verrot, geen enkel prestige overhouden, en een hele slechte reputatie verwerven. En zal ook zelden of nooit geciteerd worden. In de ‘erkennings economie’ waarin wetenschappers leven is dat dodelijk. Zij wachten er wel voor om hun artikelen in te zenden aan tijdschriften die alles maar accepteren.
Van een machtsverschuiving van abonnees naar auteur is geen sprake, omdat het helemaal niet om macht gaat. Iedereen kan alles publiceren op het internet, en wetenschappers zijn daarop geen uitzondering. Ze publiceren in een tijdschrift omdat hen dat de erkenning van hun vakgenoten brengt, en ze zo hun wetenschappelijke reputatie kunnen opbouwen. De wetenschappelijke gemeenschap zorgt uiteindelijk voor een kwaliteitscontrole, waarvan de zogeheten ‘peer review’ in tijdschriften slechts de eerste stap is. Artikelen van slechte kwaliteit of van onbetekenende waarde worden simpelweg niet geciteerd, en zijn voor hun auteurs niet anders dan verloren energie. Het is in het belang van de wetenschap dat Open Access, het vrijelijk toegankelijk zijn van de resultaten van onderzoek, uiteindelijk universeel wordt. Het enige struikelblok dat nog in de weg staat is dat er te strak wordt vastgehouden aan het financiële uitgeefmodel dat in het tijdperk van papieren tijdschriften zin had, maar in het internet tijdperk voor de wetenschap onnodige beperkingen oplegt.
Jan Velterop, wetenschappelijk uitgever, en open access en concept web advocate, Cobham, Surrey, UK.