Moet de PvdA voor de harde lijn kiezen in het integratiedebat?
De ‘gettocultuur’ van Marokkaanse probleemjeugd moet gebroken worden met gebiedsverboden en ‘statusverlaging’. Dat staat in een nieuwe PvdA-notitie.
De ‘nieuwe koers’ kwam op 25 november in de openbaarheid, nog geen maand na het min of meer gedwongen vertrek van Ella Vogelaar, de oud-minister voor Integratie die zich er niet voor schaamde ‘soft’ te zijn.
Het rommelt al langer binnen de partij op dit punt. Als ijkpunt nam Vogelaar, daags na haar aftreden in een opiniestuk in NRC Handelsblad, de opkomst van Pim Fortuyn en de neergang van Ad Melkert in 2002. PvdA-leider Wouter Bos verweet ze de oplossing te zoeken in populisme. “Hij begrijpt niet dat, zolang de elite blijft praten in termen van dé Marokkanen, dé Turken en dé Antillianen, migranten zich moeilijk kunnen identificeren met Nederland”, schreef de gewezen minister. Vogelaar wilde naar eigen zeggen allochtonen juist het gevoel geven dat ze “volwaardig kunnen deelnemen aan de maatschappij”.
Integratie geldt al jaren in Den Haag als één van de zwaarste portefeuilles. Hilbrand Nawijn, Rita Verdonk en Ella Vogelaar hebben de eindstreep niet zonder kleerscheuren gehaald. De juiste toon vinden lijkt belangrijker dan de inhoud van het beleid. Dat is jammer, vindt Jan Willem Duyvendak (hoogleraar sociologie, UvA). Op 14 november schreef hij: “Integratie vindt niet in Den Haag plaats maar in de wijk. Een minister voor Wonen, Wijken en Integratie die dat ook vindt, was in onze ogen zo’n gek idee nog niet.” Dat laatste was natuurlijk een subtiele verwijzing naar Geert Wilders, die haar in de Tweede Kamer “knettergek” noemde. Volgens Duyvendak is de kloof tussen gevestigden en nieuwkomers alleen maar vergroot “na zeven jaar hameren op het belang van nationale identiteit, culturele integratie, inburgering en loyaliteit”.
Maar dat is slechts de politieke werkelijkheid, wierp Ruud Koopmans tegen. In een lang onderzoeksverslag toonde de beleidsonderzoeker aan dat de toon van het debat weliswaar harder is geworden, maar het beleid beperkt is bijgesteld. “Beleid laat zich moeilijk ombuigen”, schreef hij op 21 november. “Zeker als dit wordt gedragen door een breed scala aan organisaties, deskundigen en instituten die er uit een combinatie van overtuiging en eigenbelang voor zorgen dat het gevoerde beleid gehandhaafd blijft.” De multiculturele aanpak is volgens Koopmans nog springlevend.
En daarmee zijn we terug bij het Het multiculturele drama van Paul Scheffer. Op 29 januari 2000 gooide hij als prominent PvdA-lid een knuppel in het hoenderhok door te stellen dat de integratieproblematiek juist veroorzaakt wordt door het multiculturele beleid.
Hoe luidt uw analyse? Is de werkelijkheid in de wijken echt een andere dan de politieke? Doet de PvdA er goed aan haar toon te verharden? Drijft harde retoriek de allochtoon niet juist van het burgerschap én Nederland af? In deze expertdiscussie zijn we benieuwd naar uw analyse.
Lees hier een selectie van de opiniestukken die NRC Handelsblad heeft gepubliceerd over dit onderwerp:
- Opiniedossier over de ideeën van Paul Scheffer, november 2007, NRC Handelsblad
- Duyvendak, J.W. (ea) ‘Nu kunnen we fijn op weg naar een nog geslotener Nederland’, 14 november 2008, NRC Handelsblad.
- Vogelaar, E. ‘PvdA blijft steken bij Fortuyn’, 17 november 2008, NRC Handelsblad.
- Koopmans, R. ‘Nederland is nog volop multicultureel’, 19 november 2008, NRC Handelsblad.
- Hoogland, D. (ea) ‘Vogelaar gaat voorbij aan wat voor veel mensen zichtbaar is’, 21 november 2008, NRC Handelsblad.
- Schrijer, D. ‘Onderklasse is het probleem’, 21 november 2008, NRC Handelsblad.
- Duyvendak, J.W. (ea) ‘De “feiten” van Koopmans’, 26 november 2008.
- Akkerman, T. ‘Koopmans laat ons maar raden wat zijn feiten betekenen’, 26 november 2008, NRC Handelsblad.
- Vogelaar, E. ‘Politiek handwerk, geen ferme taal’, 27 november 2008, NRC Handelsblad
- Kleijn, L. de ‘Integratie en emancipatie kunnen niet zonder klassenstrijd’, 28 november 2008, NRC Handelsbad
- Dronkers, J. ‘Integratiebeleid heeft geen aanwijsbaar effect’, 28 november 2008, NRC Handelsblad
- Koopmans, R. ‘Integratiebeleid dat geen eisen aan migranten stelt, komt de integratie niet ten goede’, 1 december 2008, NRC Handelsblad
- PvdA verlaat op botte wijze leugenachtig multiculturalisme, 31 januari 2009, NRC Handelsblad
- Electorale positie van de PvdA nog steeds labiel, 4 februari 2009, NRC Handelsblad
- Wiskie, B. – ‘Traditionele PvdA-achterban ontvluchtte de grote steden’, 9 februari 2009, NRC Handelsblad
- Hek, A. van der – ‘Electorale positie van de PvdA nog steeds labiel’, 4 februari 2009, NRC Handelsblad



vrijdag 28 november 2008, 18:11 uur
Nergens is de integratie zo van karakter veranderd als in Nederland. Uitsluiting, hameren op eigen identiteit en populisme zijn de norm. Daarin paste Vogelaar niet. Ella Vogelaar is gestruikeld over het geborneerde nationalisme dat het bang gemaakte Nederland nu al zo’n zeven jaar in zijn greep houdt. Lees verder.
vrijdag 28 november 2008, 18:12 uur
Net als Obama moeten Nederlandse politici oog krijgen voor de bijna onzichtbare veranderingen richting een etnisch diverse samenleving. Lees verder.
vrijdag 28 november 2008, 18:12 uur
Nederland is helemaal niet een bang, nationalistisch landje geworden dat allochtonen tot assimilatie dwingt. Multiculturalisme is nog de standaard. Lees verder.
vrijdag 28 november 2008, 18:13 uur
Armoede en criminaliteit zijn duidelijk verkleurd. Als oud-minister Vogelaar (Integratie, PvdA) spreekt van “bijna onzichtbare veranderingen’’ gaat ze voorbij aan wat voor veel mensen wel zichtbaar is, elke dag in hun eigen omgeving. Wie focust op de dingen die goed gaan en de rest terzijde schuift, geeft in feite hele groepen mensen op. Lees verder.
vrijdag 28 november 2008, 18:15 uur
Het debat over integratie gaat steeds maar over geloof en afkomst. Maar de echte sociale scheidslijn loopt tussen meedoen of aan de kant staan. Lees verder.
vrijdag 28 november 2008, 18:15 uur
Een beroep op de ‘feiten’, zoals Koopmans in zijn repliek op ons deed, is altijd zeer effectief om het laatste woord op te eisen in een debat. In een klap zet je daarmee jezelf neer als de waardevrije, neutrale toeschouwer die slechts de ‘feiten’ laat spreken, en diskwalificeer je je tegenstanders als ideologisch verblind. Zeker als je daar vilein aan toevoegt dat ze de ‘feiten’ willens en wetens negeren. Lees verder.
vrijdag 28 november 2008, 18:16 uur
Multicultureel of nationalistisch, het is een discussie met een hoog symbolisch gehalte. Veel belangrijker is de rechtsgelijkheid van migranten. Lees verder.
vrijdag 28 november 2008, 18:17 uur
Sinds mijn vertrek is het beeld geschapen alsof die softe Vogelaar de problemen met een groep Antilliaans-Nederlandse jongeren negeert. Niets is minder waar. Lees verder.
vrijdag 28 november 2008, 18:18 uur
Maatschappelijke problemen worden steeds vaker ‘cultureel’ verklaard. Het is bon ton om de beroerde positie van de ‘gekleurde onderklasse’ te verklaren uit de cultuur of religie van de mensen waar het om gaat. Lees verder.
vrijdag 28 november 2008, 18:19 uur
Het Nederlandse immigratiebeleid is wel zacht, maar dat heeft geen effect op integratie van zijn migranten. Ook kan het zijn dat het beleid geheel losgezongen raakt van de maatschappelijke werkelijkheid, en een eigen schijnwerkelijkheid creëert van subsidiestromen en overlegorganen. Lees verder.
maandag 1 december 2008, 09:47 uur
Integratiebeleid dat geen eisen aan migranten stelt, komt de integratie niet ten goede.
Een wetenschapper verwijten dat hij zich beroept op feiten, zoals Jan Willem Duyvendak, Eald Engelen en Ido de Haan doen in hun reactie (NRC van 26 novemner 2008) op mijn bijdrage “Nederland is nog volop multicultureel” (NRC van 19 november 2008) heeft iets merkwaardigs. Feiten zijn in een debat tussen wetenschappers niet het laatste woord, maar juist de basis voor een zinvolle discussie. Daarom is het verheugend dat Duyvendak c.s eindelijk instemmen met de constaterering dat het Nederlandse integratiebeleid in vergelijking met andere landen migranten en hun nakomelingen nog altijd een hoge mate van rechtsgelijkheid toekent en veel ruimte voor uitingen van minderheidsculturen en -religies biedt.
Lees verder
maandag 1 december 2008, 11:41 uur
Ouderbetrokkenheid – en hoe die te organiseren
Het integratiedebat gaat volgens de Rotterdamse PvdA-wethouder Dominic Schrijer (Opinie, 21 november) steeds maar over geloof en afkomst, en niet over integratie door sociale verheffing, een sociaal-democratisch speerpunt. En het heeft de laatste decennia ontbroken aan drang en dwang die duidelijk moesten maken “dat individuen ook zelf verantwoording nemen, bijvoorbeeld door de taal te leren spreken, de kinderen naar school te laten gaan, de opleiding af te maken, te werken voor het eigen geld en rekening te houden met de buren.” De PvdA moet deze individuen, de ouders, dit houvast opleggen: “dan pas kunnen we de onderklasse verheffen.”
Gelijk heeft Schrijer, maar hij roert een kip-ei-probleem aan.
Het onderwijs, aldus de socioloog Kees Schuyt, weet geen raad met de afvallers, je ziet de heterogenisering van de samenleving (naar herkomst, etniciteit en sociale achtergrond) het scherpst op scholen, en immigrantenkinderen hebben de gevoeligste antennes voor de problemen van de sociale cohesie.
Dat is structureel geweld. Dat ook via het beleid tot de school doordringt. Het Nederlandse onderwijs, aldus Pisa-onderzoek uit 2003, is, na het Belgische, het meest etnisch selecterend van de 30 rijkste landen ter wereld. Zo’n 95 procent van de twaalfjarige kinderen van laagopgeleide allochtone ouders gaat, met of zonder cito-toets, naar het vmbo, en van hen valt op 17-jarige leeftijd een aanmerkelijk deel uit. Het percentage voortijdige schoolverlaters in Nederland, jongeren tot 23 jaar zonder kwalificatie voor eenvoudig werk, ligt met 15,5% onder het EU-gemiddelde (19,7 procent), de meeste landen presteren beter. De uitvalcijfers liggen hoger in de steden, tot een kwart, en veel hoger zijn ze bij het (v)mbo: tot 40 procent in steden als Rotterdam.
De begroting belooft overigens met 39 miljoen euro in 2009 tot 71 miljoen de schooluitval in 2012 te halveren. Dat is het Kabinet geraaien: volgens de Lissabon-afspraken van 2000 had die er al eind 2009 moeten zijn. En een zoetje: de aanvankelijke korting van 155 miljoen in het mbo wordt in 2009 omgezet in een inzet van 114 miljoen.
Overigens blijft Nederland nog altijd 1 procentpunt onder de Oeso-norm van 6% van het Bruto Binnenlands Product voor het onderwijs steken.
President elect Barack Obama rekent investeringen in het onderwijs tot één van zijn drie topprioriteiten. Hij kent zijn Keynes: geld pompen in economische domeinen met toekomst, de kenniseconomie, niet in omgevallen casino’s en in voorbije industriële bedrijvigheid. Obama lijkt in te stemmen met het Oeso-rapport The Economics of Knowledge (2006) van Andreas Schleicher, die wijst op het Finse onderwijsmodel, dat ‘hoge verwachtingen’ verbindt met ‘stevige support systems’. Zware investeringen in de kenniseconomie, van pre-school tot hoger onderwijs, om de wereldeconomische concurrentie bij te houden, te zorgen voor betere banen en huisvesting én om te vechten tegen multiculti-wrok.
In het basisonderwijs zijn ouders niet altijd afwezig. Daarvoor zorgen 1000 brede scholen met allerlei sociale, zorg- en pedagogische voorzieningen, die mikken op een doorlopende leerlijn van opvoeding-thuis naar onderwijs-op-school. Bruggen slaan. Lokale initiatieven. Soms met enige pressie die een deel van de ouders achteraf waardeert: had dat maar eerder gedaan!
De 350 brede scholen voor voortgezet onderwijs leggen minder nadruk op de buurt als extensie van de school, maar op haar aard en kwaliteit, en met enige concurrentie, al dan niet thematisch. Dan heten ze bijvoorbeeld magneetscholen, met meer tijd en ruimte voor bijvoorbeeld sport, cultuur, ict, taal. Of ze gebruiken Artikel 23 Grondwet dat het uitsluiten van niet- passende leerlingen vergemakkelijkt; tweederde van de scholen heeft die mogelijkheid.
Ouderbetrokkenheid in het voortgezet onderwijs is een lastiger kwestie. Slechtopgeleide ouders, het Nederlands vaak niet machtig, komen de deur amper uit, en missen enig besef van de school die hun pubers (on)regelmatig bezoeken. Margalith Kleijwegt doet in Onzichtbare ouders. De buurt van Mohammed B. verslag van haar pogingen om contacten te leggen achter de voordeuren in Amsterdam-West. Een geïsoleerde wereld. De school zou een spil moeten zijn in het leven van zulke ouders en hun kinderen, met een vaste leerplichtambtenaar, met taalles, maatschappelijk werk dat vijf dagen per week aanwezig is, en met permanent overleg tussen de leraren en straathoek- en jongerenwerkers. Rotterdam heeft zijn ouderconsulenten, weliswaar pover opgeleid. Of neem het Albeda-college aldaar dat startte met parallelle onderwijsfaciliteiten voor leerlingen én voor hun ouders. Aan beide kanten van de gang wordt hetzelfde onderwijs gegeven, voor twee generaties.
Dat zijn gestage bijdragen aan de kenniseconomie. Die vraagt niet alleen van 23-jarige jongeren een elementaire startkwalificatie, maar ook van hun ouders. Ouders moeten aandeelhouders worden van de school. In de betere kringen, Ons Soort Mensen, is dat allang zo, zij rekenen de directie van hun school af op de bijdrage van het schoolteam aan de opwaartse mobiliteit van hun kroost.
Tot slot: moge er na de decennia onderwijsvernieling bij het opleidingenonderwijs aan universiteiten en hogescholen weer een herleving komen van de vaderlandse onderwijssociologie. Veertig jaar geleden verscheen Frederik van Heeks Het verborgen talent. Volgens deze Leidse professor diende de toegang tot voortgezet en hoger onderwijs te worden gedemocratiseerd. Investeer vooral in het primair en het secundair onderwijs, zegt Jaap Dronkers vandaag.
Er wordt in Nederland aanhoudend gekissebist over woorden. Over ouders of beleid. En over kippen of eieren. Een beetje drang-en-dwang naar de overheid kan geen kwaad.
Ton Notten is lector Opgroeien in de Stad aan de Hogeschool Rotterdam. Recent verscheen zijn boek De lerende stad. Het laboratorium Rotterdam.
maandag 1 december 2008, 12:55 uur
Nederland cultureel incompetent
In het NRC Handelsblad van 19 november 2008 http://www.nrc.nl/opinie/article2066348.ece/Nederland_is_nog_volop_multicultureel” rel=”nofollow”>stelt Ruud Koopmans dat het integratiebeleid in Nederland multiculturalistisch is. Het beeld dat hij schetst behoeft aanvulling uit de praktijk.
Allochtone kinderen krijgen systematisch een lager schooladvies dan autochtoon-Nederlandse kinderen met een vergelijkbare intelligentie en cito-score, en dat zij veel vaker werkloos zijn. De gezondheidszorg heeft te maken met verschillen in gezondheid tussen allochtone en autochtoon-Nederlandse patiënten, met een hoger sterftecijfer onder allochtone kinderen en met patiënten die niet verzekerd zijn. De geestelijke gezondheidszorg wordt geconfronteerd met een oververtegenwoordiging van bij voorbeeld Marokkanen en Antillianen onder schizofrenen. Allochtone jongeren scoren hoog op depressieve items.
Uit mijn onderzoek blijkt na verdiscontering van de ernst van het delictgedrag en de zwaarte van de strafzaak dat allochtone jongeren een ruim twee keer zo grote kans hebben om opgesloten te worden en dat zij gemiddeld veel langer vastzitten dan autochtoon-Nederlandse jeugddelinquenten. Gevolg is een enorme oververtegenwoordiging van allochtonen in gesloten justititiële inrichtingen. Uit onderzoek van DSP-groep blijkt (terecht) dat allochtone jongens van mening zijn dat zij harder worden aangepakt dan autochtoon-Nederlandse jongeren.
Culturele incompetentie leidt tot een ongelijke toegang tot voorzieningen, tot miscommunicatie, tot gevoelens van ressentiment en wrok bij de groepen om wie het gaat, tot verslechtering van de kwaliteit van interventies, de hulpverlening, het onderwijs en tot een toename van problemen.
vrijdag 12 december 2008, 10:23 uur
Er is meer dan de toon, om integratie succesvol te maken.
Beste Jan-Willem,
Dat was een mooi antwoord in het stuk in de Volkskrant van Donderdag 11 December, waarin jullie ingaan op mijn bezwaren tegen jullie boek, die ook in mijn bijdrage aan de expertdiscussie over integratie van de NRC zijn terug te vinden. Maar zoals altijd heb ik toch enkele kanttekeningen bij jullie stuk.
1) Kenmerken van bestemmingslanden kunnen inderdaad van invloed zijn op de succeskansen van immigranten in een land. Ik noemde al in mijn stuk in de Volkskrant het beroepsonderwijs in Duitsland en je noemt zelf terecht de gesloten arbeidsmarkt in veel continentale Europese landen. Dat laatste is door vele al aangetoond (Kogan, Heath, Fleischmann, mijzelf): een lagere ontslag bescherming geeft migranten meer kans op de arbeidsmarkt en niet alleen bij het betreden daarvan maar ook bij het klimmen op de beroepenladder. Maar het verlagen van de ontslagbescherming en het openbreken van de corporatistische arbeidsmarkt (niet alleen van de Nederlandse arbeidsmarkt, maar ook van de Scandinavische) wordt door de meeste politici en beleidsmakers niet gezien als een middel om migranten meer kansen te geven. Ik heb daarvoor op grond van het onderzoek wel eens voor gepleit in de Volkskrant (“Soepel ontslagrecht helpt migranten” de Volkskrant, 7 September 2007). Ik kreeg toen de volle wind van voren van Wilma Wind (de cao coördinator van de FNV) in de Volkskrant van 14 September. Kortom, kenmerken van bestemmingslanden kunnen een verschil maken, maar vaak gaat het dan om kenmerken die niet zijn bedoeld of opgezet om integratie van immigranten te bevorderen. Sommige regels en wetten kunnen inderdaad al dan niet bevorderlijk zijn, maar dat hoeven niet noodzakelijkerwijs de regels te zijn die daarvoor bedoeld waren (zoals de mogelijkheid ritueel te slachten voor Joden, die nu vooral door Moslims gebruikt worden).
2) Of vroege onderwijsselectie immigranten leerlingen extra benadeelt, betwijfel ik op grond van mijn analyse van de PISA 2006 data, die ik 15 Januari bij de vakgroep sociologie UvA hoop te presenteren. Dat extra nadeel van vroege selectie vindt men (ik ook) wel bij autochtonen uit de laagste sociale klassen, maar ik vind dat niet in mijn gefocuste analyse van immigranten. Het verschil met de uitkomsten van Crul kan zijn dat zijn internationale vergelijking zich beperkt tot Turken, terwijl ik een groot aantal migrantengroepen met de PISA data analyseer. Ook is het mogelijk dat Crul niet voldoende controleert voor andere kenmerken van het onderwijsstelsel. Ik vind bijvoorbeeld wel dat het % besteed aan onderwijs van het totale overheidsbudget wel een positief significant effect heeft op de onderwijsprestaties van immigranten (inderdaad een kenmerk waarop Nederland niet goed scoort). Bovendien controleer ik ook voor kenmerken van het land van herkomst van de migranten, en wij vinden dat de lengte van de leerplicht van het herkomst land van belang is voor het onderwijssucces van migranten in het land van bestemming. Door Crul’s beperking tot Turken en de ongelijke verdeling van Turken over de EU-landen kan hij dit herkomst effect niet meenemen, maar het kan zijn uitkomst vertekenen als de meeste Turken naar landen met een vroege onderwijsselectie (Duitsland, Nederland) zijn gegaan. Maar dit moet nog verder uitgezocht worden en ik denk dat Crul’s internationale vergelijking daaraan zeker kan bijdragen. Mijn kritiek punt op jouw stuk is hier evenwel dat immigranten (ook laaggeschoolde migranten) niet gelijk gesteld kunnen worden met laaggeschoolde autochtonen, en dat je te makkelijk verondersteld dat wat goed is voor de laatste ook goed is voor de eerste. Maar je hebt gelijk met de stelling dat sommige onderwijsregels en wetten al dan niet bevorderlijk kunnen zijn. Echter door te weinig analyse van de immigranten afzonderlijk en te weinig rekening houden met de kenmerken van het land van herkomst (mede omdat OECD en de overheden van de EU dit soort analyses niet willen) weten wij weinig welke onderwijsregels en wetten dat verschil uitmaken. Het OECD rapport “Where immigrant students succeed. Pisa 2003” en het rapport van de EU Commission “Migration & Mobility: challenges and opportunities for EU education systems” (Green paper 2008) zijn voorbeelden van hoe het niet moet.
3) Wat heel duidelijk is dat naast individuele sociaal-economische achterstanden van immigranten ook de macrokenmerken van hun land van herkomst van belang zijn voor hun succes in het land van bestemming. Zoals altijd zijn individuele kenmerken van immigranten (inclusief ouderlijke beroepsstatus en opleiding) de belangrijkste voorspellers van dat succes, maar ceteris paribus komen de macrokenmerken van het land van herkomst op de tweede plaats als goede voorspellers van dat succes, en pas daarna macrokenmerken van het land van bestemming. Hoe je ook je best doet om het effect van het land van herkomst weg te verklaren met individuele kenmerken, dat lukt niet. Dit belang van macrokenmerken van het land van herkomst (naast én na het belang van individuele kenmerken, maar steeds voor macrokenmerken van het land van bestemming) treedt op bij een breed spectrum van succesindicatoren van immigranten. Er ligt dus een feitelijke grondslag aan het maken van groepsonderscheiding naar herkomstland. Het lijkt mij onjuist die in het beleid of het debat te negeren of te tabouiseren.
4) Zonder twijfel worden immigranten op de Nederlandse arbeidsmarkt gediscrimineerd: geregeld wordt gevonden in empirisch onderzoek dat hun opbrengst van hun opleiding kleiner is dan die van vergelijkbare autochtonen. Ik heb daar geregeld op gewezen: “Geef Ahmed een baan op niveau” de Volkskrant (27 Augustus 2006). Of een lagere opbrengst van onderwijs alleen maar op discriminatie wijst valt nog wel wat op af te dingen (de ongelijke waarde van schijnbaar gelijke einddiplomas door de inflatie van schoolexamencijfers bijvoorbeeld), maar het bestaan van discriminatie (met name mannelijke migranten uit de Islam) blijft staan, ook in het empirisch crossnationale onderzoek dat ik met Fleischmann in Sociologie heb gepubliceerd. Maar ik betwijfel wel of het niveau van discriminatie lager was in de jaren ‘80 of ‘90 in vergelijking met 2008, en dat is wat jullie suggereren. Ik heb geen aanwijzingen gevonden dat de opbrengst van onderwijs van migranten tegenwoordig lager ligt dan in de jaren ’80 en ’90. Wel is het mogelijk dat de arbeidsmarkt discriminatie nu meer zichtbaar is, omdat er nu meer hooggeschoolde immigranten kinderen zijn dan in de jaren ’80 en’ 90. Maar die grotere zichtbaarheid kan heel goed komen door deze verschuiving in de randtotalen (stijging van het aandeel hoger geschoolden migrantenkinderen) en die hogere zichtbaarheid hoeft niet te komen door een verandering in de kans op discriminatie. Ik betwijfel of Nederlanders (en Europeanen) in de jaren ’80 en’ 90 in feite minder discrimineerden. Hoogstens spraken zij daar toen minder openlijk over, omdat ze wisten dat ze dan onmiddellijk van racisme beschuldigd zouden worden. Ik voel mij gesteund doordat de MIPEX anti-discrimantie index geen significant effect heeft, zelfs niet als ik waargenomen groepsdiscriminatie als afhankelijke variabele hanteer (Perceptions of In-group Discrimination by First and Second Generation Immigrants from Different Countries of Origin in EU Member-States. S. André, J. Dronkers & F. Fleischmann) en Nederland te midden van de andere EU landen niet meer dan gemiddeld scoort.
5) Ik ontken niet dat een denigrerende wijze van het spreken over andere etnische groepen en culturen de lucht vergiftigt. Die mogelijkheid is reëel, maar het is de eerste taak van sociologen dat empirisch aan te tonen, en jullie boek is naar mijn smaak op dit punt te impressionistisch. Maar tegelijkertijd hebben sociologen ook de taak reële etnische en culturele verschillen te analyseren, benoemen en bespreekbaar te maken. In de jaren ’80 en ’90 is dat niet gebeurd maar zijn deze verschillen genegeerd en getabouiseerd, en daarvan plukken wij nog steeds de wrange vruchten. Een mooi voorbeeld is de commotie rond de bevinding van Putnam over het negatieve verband etnische wijkdiversiteit en vertrouwen in buren. Zolang dit soort onderwerpen (zoals herkomst verschillen van immigranten) niet open kunnen bespreken, wordt de lucht ook vergiftigd. Om mijn punt te illustreren verwijs ik naar Obama die in zijn verkiezingscampagne openlijk durfde te spreken over het slechte vaderschap van veel zwarten in de USA, niet alleen in vergelijking met de blanken maar ook met de Aziaten en Mexicanen. Pas als dat kan gebeuren, zonder van racisme beschuldigd te worden, kan de lucht gezuiverd worden. Als wij dus de lucht willen zuiveren, moet de denigrerende toon verdwijnen, maar dat lukt alleen als tegelijkertijd problemen open besproken kunnen worden zonder beschuldigingen van kwade trouw, zoals neonationalisme, etc.
Met vriendelijke groet,
Jaap Dronkers
zondag 1 februari 2009, 11:52 uur
De Nota is een schoolvoorbeeld van `teveel, telaat`. Dat we eindelijk spreken over migranten in plaats van asielzoekers, is winst. Dat repressie nodig werd door vele jaren van probleemontkenning is duidelijk, maar wordt onvoldoende erkend. Overigens zijn geen nieuwe regels nodig.
Het -eindelijk- consequent handhaven van de bestaande is voor goed bestuur voldoende. Wat ik mis is een gedegen voorstel inhoud te geven aan samenwerking met liberale moslims. Doel: het stimuleren van de modernisering van de islam. Lukt dat niet, dan blijft de scheiding tussen kerk en staat, kenmerk van een gezonde democratie, een probleem.
dinsdag 3 februari 2009, 20:06 uur
Het verbaast mij dat ik nergens de opinie van een immigrant kan lezen. Alleen de herkaude en gefaalde dogma’s van wetenschappers en politici.
Als opa Mohammed 3000 km kon reizen, dat is een risico van leven en dood nemen, uit zijn “comfort zone”, totaal naar het onbekende, een baan en een dak boven zijn hoofd kon vinden, wat is het probleem voor de volgende generatie dat in Nederland was geboren en getogen? Gewoon een onderschat probleem dat in minder dan tien jaren opgelost kan zijn.
dinsdag 10 februari 2009, 11:10 uur
Mooi, al die uiteenzettingen van deskundigen, maar ook de opinie van de normaal opgevoede, redelijke en goedbedoelende Nederlander vind ik nergens terug.
Mag ook de ontwikkeling van de Nederlandse samenleving in totaliteit ( dus inclusief immigranten) onderwerp van gesprek zijn?
Hadden we er misschien even met elkaar over moeten praten voordat we ca. 1 miljoen immigranten naar Nederland lieten komen?
dinsdag 10 februari 2009, 18:46 uur
De groep die de dupe is van gezinshereniging en gezinsvorming kreeg ook nog de zwarte piet toegespeeld door de elite. Elke stedeling is vertrouwd met het idee dat samenleven met buren een kwestie van geven en nemen is: ‘buurman wat was u nog laat op gisteren’, ‘zou u uw radio na tienen wat zachter kunnen zetten, mijn man moet altijd vroeg op, dat weet u’, ‘buurvrouw, we geven vanavond een verjaardagspartijtje, we proberen het zacht te doen’.
En zo leefden buren min of meer in harmonie. Toen kwamen de migranten. Hoe moest je tegen ze zeggen, wat de usance was. In welke taal? In ieder geval niet in het Nederlands, want die taal verstonden ze nou net niet.
Bij wie moesten ze klagen of om hulp vragen. Bij die wereldverbeteraars die zelf niet in zo’n buurt woorden, liefst zelf van het platteland kwamen, uit een vrijstaande woning of eensgezinwoning; die een ‘antenne’ hadden ontwikkeld voor racisme, die overliepen van mededogen voor de verschoppelingen der aarde (de migranten, niet de oorspronkelijke bewoners!). Van de ene dag op de andere werd een groep hard werkende Nederlanders gecriminaliseerd. Aan wie kreeg die groep toen een hekel? Aan de veroorzakers en de ontkenners van hun slapeloze nachten. De oude bewoners hadden maar één keus: hun vertrouwde omgeving ontvluchten en vluchten naar een slaapstad. Er zit zeer veel onvrede onder grote groepen autochten.
Tot besluit een anekdote, waar gebeurd.
Een gastarbeider had werk gekregen op een abattoir. Toen hij voor de tweede keer óp het deksel van de wc had gescheten in plaats van in de wc kwam de struise, blonde werkster de kantine in, pakte hem in zijn lurven, liet hem zijn stront opruimen en deed uitgebreid, compleet met geluiden, voor hoe hij die wc diende te gebruiken. Ook het gebruik van papier werd niet vergeten, ook aanschouwelijk uitgelegd.
Die migranten kwamen uit de Middeleeuwen en kregen door de PvdA-doctorandussen een slachtofferrol aangepraat. Rechten en geen plichten, dat kon en kan nooit goed gaan.
donderdag 12 februari 2009, 14:48 uur
De vraag of de PvdA moet kiezen voor een harde of een zachte lijn in het integratiedebat doet m.i niet terzake. In de politiek is een pragmatische benadering doorgaans de enige begaanbare weg. Het debat zoals dat via de media tot ons komt wordt in ieder geval buitengewoon slecht gevoerd. Ik hoef maar te wijzen op de buitensporige aandacht die een politieke spookrijder als Wilders krijgt toegemeten. Minister Vogelaar werd destijds aangesteld om de hysterie uit het debat te halen. Dat is haar niet gelukt. Haar kwaliteiten liggen elders. Dat neemt niet weg dat de politiek heeft gefaald. Ook de media verdienen m.i. een gele kaart.
Toen de gastarbeiders en de migranten die in hun volgspoor naar Nederland kwamen, was dat geen aandachtspunt van betekenis. Behalve DS’70 van Drees junior en de Socialistische Partij, die destijds nog niet in het parlement was vertegenwoordigd, besteedde de politiek er nauwelijks aandacht aan. Men was er aan gewend dat de problemen, voorzover ze zich al voor zouden doen, mettertijd ook wel opgelost zouden worden. Zo ging dat in de polder. De wederopbouw was een succesverhaal en de majeure culturele omslag waarbij het saaie ingedutte Nederland veranderde in toonbeeld van vrijzinnigheid en tolerantie ging ook al van een leie dakje. De recente geschiedenis heeft sindsdien pijnlijk duidelijk gemaakt dat die wereldberoemde tolerantie zo af en toe helemaal niet zo tolerant is. Vrijzinnigheid lijkt inmiddels plaats gemaakt te hebben voor visieloze benepenheid.
Natuurlijk hadden we dertig jaar geleden moeten nadenken. Immigranten moet je inburgeren, al was het alleen maar omdat ze als opvoeders hun kinderen zoveel mogelijk moeten meegeven om zich in de maatschappij te ontplooien. Wat dat betreft is het eigenlijk een klein wonder dat het met de meeste migrantenkinderen helemaal niet zo slecht gaat. En dan hoef je niet eens te denken aan gelauwerde schrijvers van Marokkaanse komaf of aan allochtone politici en voetballers. In de situatie waarin we ons thans bevinden moeten politici iets doen waar Nederlandse politici slecht in zijn: leiderschap tonen. Erkennen dat de integratieproblem gewone politieke problemen zijn die je scherp en objectief moet analyseren en die tijd en geld vergen voor ze zijn opgelost. Het is in ieder geval van belang dat we eindelijk verlost raken van de hysterie want dat belemmert niet alleen de verdere integratie maar leidt ook tot allerlei andere ellende.
woensdag 10 februari 2010, 00:43 uur
[...] Discussie – Moet de PvdA voor de harde lijn kiezen in het integratiedebat? [...]