Liberalisering van de landbouw is niet eng


Door Klaas Johan Osinga (werkzaam bij LTO Nederland)

De liberalisering van de landbouw komt op dit moment hard aan. Maar zijn er eigenlijk alternatieven?

Moet het landbouwbeleid verder geliberaliseerd worden of juist niet? De stijging van de voedselprijzen in 2007 gevolgd door abrupte prijsdalingen in markten zoals voor melk en groenten, verscherpen het debat. Liberalisering betekent grotere prijsschommelingen. Kunnen onze boeren en tuinders dan de internationale concurrentie aan? Een tweede optie is: blijvende inkomenssteun als vergoeding voor instandhouding van het agrarisch landschap. Sommigen willen ‘een derde weg’: sta boeren en ketens toe zelf verkoopprijzen vast te stellen in een van wereldmarkt afgesloten Europese markt.

Lees het volledige artikel van Osinga op nrc.nl/opinie.


Dit bericht heeft 2 reacties op “Liberalisering van de landbouw is niet eng”

  1. Gerbrand Rustenburg zegt:

    WAAR HEEFT OSINGA HET EIGENLIJK OVER?
    Het stuk van Osinga (LTO) heb ik met gemengde gevoelens gelezen. Het gaat over verschillende, vaak niet met elkaar te vergelijken zaken, zoals ‘melk en groenten’, ‘Nederlandse markt, wereldmarkt, Europese markt’, ‘boeren en tuinders’, ‘Nederlandse land- en tuinbouw’. Het Europese landbouwbeleid heeft vooral betrekking op producten, zoals melk, granen, suiker en niet op tomaten, komkommers, speciebonen, bloemen, bollen e.d. In de zuivelsector zijn er uitzonderlijk sterke coöperaties, zoals FrieslandCampina, terwijl in de tuinbouw de coöperaties, de veilingen, door de leden zelf zijn afgebroken. Primair schrijft Osinga over melk. Het heeft velen verbaasd dat de fusie van Friesland Food en Campina door de Europese Commissie, met minimale aanpassingen, is goedgekeurd. Het nieuwe concern FrieslandCampina heeft nu een zeer dominante positie in Nederland, terwijl de positie in de omringende landen gering is. FrieslandCampina is nu een producent van topmerken, waarop goede marges worden verdiend. Van commodities, d.w.z. gewone melkproducten, zoals melk, yoghurt en karnemelk moet FrieslandCampina het niet meer hebben. Deze producten zijn voor meer dan driekwart vervangen door huismerken van supermarktketens. Interessant is natuurlijk de vraag: Waar worden de huismerken geproduceerd? Natuurlijk, deels in één van de fabrieken FrieslandCampina. Ondanks de uitzonderlijk sterke positie van FrieslandCampina klagen de melkboeren ‘steen en been’ over hun lage melkprijs. De melkboeren, leden van deze coöperatie hebben blijkbaar geen voordeel van hun lidmaatschap. Laat de LTO zich daar ook eens druk over maken.
    De fusie FrieslandCampina moet leiden tot o.a. meer efficiëntie, d.w.z. bepaalde fabrieken worden gesloten. Kortom, de werkgelegenheid wordt minder, terwijl de werkgelegenheid in land- en tuinbouw in de afgelopen decennia al enorm is teruggelopen. Het geringe belang van de werkgelegenheid in de agro-sector is voor de politiek nauwelijks reden om veel aandacht aan deze sector te besteden. De meeste boeren zijn ZZP’-er, terwijl de schaalvergroting op een melkveebedrijf enorm is toegenomen. Osinga pleit voor het opheffen van productiebeperkingen en schaalvergroting van coöperaties, terwijl de bedrijfseconomische positie van agrarische bedrijven door schaalvergroting niet is verbeterd. Voortgaande schaalvergroting is blijkbaar geen goede richting. Door grotere bedrijven neemt de druk op ‘groen, rust en ruimte’ in Nederland ook toe. Het streven van de LTO naar groot, groter, grootst is een doodlopende weg. Zo heeft het streven naar megastallen en -dierenflats voordelen op technologisch, hygiënisch en milieugebied, maar zal nooit door consumenten en supermarktketens worden geaccepteerd. Gelijk hebben is wat anders dan gelijk krijgen, dat moet de sector en LTO zich goed realiseren. Met de Brentspar heeft Shell in de vorige eeuw haar lesje wel geleerd.
    Minimumprijzen en inkomensteun, lijken voor de handliggende instrumenten, maar moeten altijd worden gekoppeld aan beheersing van het aanbod. Dergelijke instrumenten stimuleren ook niet het entrepreneurship; flexibiliteit en creativiteit. Als boer moet je dit niet willen, het is je eer te na. Een organisatie als LTO zou een leidende rol moeten spelen in het ontwikkelen van een visie voor de toekomst. Deze lijkt te ontbreken en daardoor brokkelt ook de steun af onder de boeren. Het LTO moet zich ook bezinnen over haar rol. Het is m.i. beter tijd te investeren in een lange termijn strategie dan het in de wereld sturen van veelal negatief ‘getoonzette’ persberichten. De politiek (Ministerie van LNV, EU) en koepelorganisaties, zoals de LTO leggen de schuld ook bij de supermarktketens neer, hetgeen maar zeer ten dele terecht is. De positie van supermarkten is inderdaad heel sterk, maar zij doen ook uitstekend werk, lopen met kort houdbare producten veel risico’s, hun winkels zijn continue ‘tentoonstellingen’ van agrarische producten en zij beheersen op innovatieve wijze de informatiestroom naar miljoenen consumenten. In de discussie wordt de toenemende rol van de groothandel – vooral in groenten en fruit – niet of nauwelijks genoemd. Onterecht! Door het wegvallen van het veilingsysteem is de macht van de handelshuizen enorm toegenomen en de producenten van agrarische producten delven het onderspit. Herbezinning op producentenniveau is nodig; er moeten nieuwe vormen van samenwerking komen. Bovendien moet de amateuristische communicatie van de sector met consumenten worden vervangen door professioneel gebruik van oude en nieuwe mediavormen. Consumenten informeren over prijzen in de bedrijfskolom en per supermarktketen; er zijn tenslotte prijsverschillen van 30-50% per groente of fruit waargenomen. Met gerichte informatie is sturing van consumenten mogelijk, waardoor telers hogere prijzen voor hun producten ontvangen en het volume van de toch gezonde producten toeneemt. Door gebrek aan communicatie daalt jaarlijks de consumptie aan gewone melkproducten per hoofd der bevolking. Melk heeft zelfs geen positief ‘gezond’ imago meer. Indien tien procent van de gezinnen eens per twee maanden tomatensoep eet, komt dat neer op ruim vier miljoen kg tomaten extra. De sector verzuimt met consumenten te communiceren en laat dat geheel over aan supermarktketen. In Nederland is te weinig regie vanuit de overheid, LTO en Productschap Tuinbouw, om de positie van telers en boeren te verbeteren. Het Productschap doet te weinig voor telers, terwijl zij wel door telers worden betaald. De groothandel heeft daarentegen wel veel profijt van het Productschap. De telers mokken, terecht, maar gaan te weinig eendrachtig tot actie over.
    Een goed voorbeeld hoe het anders moet is de coöperatie van kiwitelers in Nieuw Zeeland, die het wereldwijde topmerk Zespri® op de markt brengt. Hoe is het Zespri wel gelukt?
    1. Zespri is een wereldwijdmerk. De positie in Nederland is uitermate sterk, met kenmerken van een monopolie-marktleiderpositie. Supermarktketens waarderen betrouwbare sterke merken, waaraan goed wordt verdiend.
    2. De organisatie heeft een duidelijke strategie en visie, doelbewust ontwikkeld in de laatste tien jaar.
    3. Door regulering van het aanbod houden zij de prijs hoog en constant. De organisatie van Zespri aarzelt niet om grote partijen kiwi’s te vernietigen, dit ten gunste van de prijs. De prijzen voor Zespri variëren weinig per supermarktketen.
    4. De Zespri-organisatie heeft de bedrijfskolom van producent tot aan de supermarkt in handen. De groothandel komt er niet aan te pas. Deze organisatie zorgt ervoor dat zij als partner van de supermarkten wordt gezien. Met dit A-merken vindt geen prijsconcurrentie tussen de supermarktketens plaats.
    5. Het A-merk Zespri wordt jaarrond geleverd, tegen een stabiele goede kwaliteit. De Zespri-organisatie heeft daarom ook teeltbedrijven in verschillende landen (o.a. Nieuw Zeeland, Italië) op verschillende continenten.
    6. De Zespri-organisatie is innovatief. Ze brengt nieuwe producten, ook biologische kiwi’s op de markt.
    7. De policy van de kiwi-organisatie wordt krachtig door de overheid van Nieuw Zeeland ondersteund.
    8. De aanbieder communiceert nadrukkelijk met consumenten.
    Nederland kan van dit voorbeeld nog veel leren.
    Gerbrand Rustenburg, consultant.

  2. Gerard Veldman zegt:

    er dient onderscheid gemaakt te worden tussen landbouw en veeteelt in de discussie over het europese landbouwbeleid. landbouw brengt inderdaad groen, rust en ruimte. veeteelt absoluut niet. de gemiddelde burger ziet graag landbouw in de directe omgeving. niemand zit te wachten op een mega varkensstal. daarbij komt nog eens het morele schemergebied waar de moderne “productie” van vlees zich bevindt. want als we ons drukmaken over stierenvechten, co2, etc. dan verdraagt de intensieve veehouderij het morele daglicht zeker niet.

    veeteelt zou men gewoon aan de tucht van de markt moeten bloot stellen. er is namelijk geen enkele rechtvaardiging voor het subsidieren van de veeteelt. de oorspronkelijk gedachte dat het goed zou zijn voor de volksgezondheid is volledig achterhaald. de gemiddelde westerling eet veel te veel vlees. een heffing zou vanuit het oogpunt van volkgezondheid eerder op zn plaats zijn dan een subsidie

    bescherming van de landbouw heeft wel legitieme gronden, want we willen ten alle tijde eigen voedselbronnen behouden en de burger vindt het prettig om dergelijke bedrijven in de omgeving te hebben. een systeem met een periodiek vast te stellen prijssubsidie is hiervoor waarschijnlijk het meest geschikt. Hiermee kunnen de prijzen binnen een bandbreedte tov wereldmarkt blijven en kan overproductie worden voorkomen

Reageren op dit bericht is niet meer mogelijk.