Calvijn is een zegen voor Nederland of toch niet?
Het calvinisme verdient beter dan verheerlijkt of beschimpt te worden, schrijft André Rouvoet in NRC Handelsblad. Volgens de minister voor Jeugd en Gezin kan nuchter vastgesteld worden dat het calvinisme veel heeft bijgedragen aan de totstandkoming van politieke vrijheid, economische bloei en culturele ontwikkeling.
Calvinisme en vrijzinnigheid gingen ooit goed samen, maar deze vervlechting staat nu onder druk. Een nieuw soort predestinatieleer kwelt ons, stelt D66-kamerlid Boris van der Ham.
Nederland is een calvinistisch land. Het “een beetje toeval” dat Nederland dit stempel heeft gekregen, zegt kerkhistorica Mirjam van Veen van de Vrije Universiteit. Ga maar na: de rooms-katholieken werden in de zestiende eeuw met de Spaanse overheersing geassocieerd – niet te vertrouwen.
Wat vindt u? Is het calvinisme nog actueel en terug te zien in onze politieke cultuur, zoals Rouvoet stelt? En waarborgt het calvinisme individuele vrijheid? Of is, zoals Boris van der Ham betoogt, het calvinisme de contramal voor het vrijzinnige mensbeeld waarbij de mens zijn eigen lot kan beïnvloeden?
De redactie nodigt u uit om over deze stukken te discussiëren. Gelieve met volledige naam, woonplaats en functie te ondertekenen.



zaterdag 17 januari 2009, 15:08 uur
Boris van der Ham creëert een tegenstelling tussen vrijzinnigheid en Calvinisme met o.a. een verwijzing naar de predestinatie, waarbij hij al te gemakkelijk van het begin van de 17de eeuw in de 19de en 20ste eeuw aanbeland. De Nederduits-Hervormde Kerk was in 1610 niet tolerant tegenover remonstranten, maar zie dat in de tijdgeest, waar de R.K. kerk de brandstapels sanctioneerde. Het vrijzinnig liberale denken is juist uit het Calvinisme voortgekomen door de eis van Willem van Oranje om predikanten hoog op te leiden (Stichting Universiteit Leiden). Door het gedegen bronnenonderzoek kregen predikanten een meer wetenschappelijke opleiding en als gevolg een goede balans tussen ratio en emotie. Petrus Hofstede de Groot trok daar omstreeks 1834 de consequentie uit – mede wegens het afnemend aantal belijdenissen in het noorden van het land – dat het niet gaat om de dogmatiek maar om het navolgen van Jezus. Dat is het begin van de vrijzinnigheid, die fundamentalistische krachten opriep in de daaropvolgende kerkscheuringen. Het valt heel goed te verdedigen dat de hoofdstroom van het Calvinistisch denken geleidelijk is geseculariseerd en dat we nu waarden als soberheid, discipline, bescheidenheid en hard werken niet zonder meer als calvinistisch herkennen. Boris van der Ham identificeert het Calvinisme nu met de afgescheiden kleine kerkelijke groeperingen waaruit de Christenunie is voortgekomen, maar dat is langzamerhand slechts een klein deel van de bevolking geworden. Vrijzinnig liberalisme, zoals Mr. Oud die bedreef en die mij dierbaar is in tegenstelling tot het Amerikaanse liberalisme, heeft Calvinistische wortels in de goede zin des woords. Voor mij is D’66 de voortzetting van het ideaal van Mr. Oud.
zondag 18 januari 2009, 12:31 uur
De misvatting dat Calvijn opstand tegen ontaard gezag zou hebben gerechtvaardigd, is eenvoudig te verklaren (Opinie 15 en 16 januari). Het was zijn leerling en opvolger Theodore Beza die dat deed, namelijk in 1572 in reactie op de Bartholomeusnacht in Frankrijk. Het was dus niet Calvijn, maar wel het calvinisme dat verzet tegen de vorst zou toestaan.
De brief van Beza is bekend geworden als het tractaat ‘Over het recht van magistraten over hun onderdanen en de plichten van onderdanen tegenover hun heersers’ (De Jure Magistratuum in subditos et Officio subditorum ergo Magistratis). Geheel in lijn met Luther en later ook Calvijn stelt Beza dat vorsten gehoorzaamd moeten worden. Maar Beza voegt eraan toe: “Heersers die door macht of bedrog een gezag opleggen waarop zij geen enkel recht hebben, zijn niet legitiem.”
Hij gaf daarmee de protestantse Fransen een vrijbrief om zich te verzetten tegen koning Karel IX, die hen in de Bartholomeusnacht verraden had. Aannemelijk is dat de brief in handen is gekomen van calvinisten in de Lage Landen, met name in hun toenmalige bolwerken Antwerpen, Gent en Brugge. Een aanwijziging daarvoor is dat het Plakkaat van Verlating van 1581, waarin Philips II wordt afgezworen, treffende overeenkomsten toont met de brief van Beza.
Hopelijk brengt het jaar van Calvijn meer duidelijkheid aan de Nederlandse calvinisten, want er leven blijkbaar veel misvattingen over zijn verdiensten. De zogenaamde machtsgreep tegen paus en kerk waar de heer Rouvoet het over heeft, was niet het werk van Calvijn maar van Luther. Ook het lezen van de bijbel in de volkstaal was werk van Luther. Hij heeft er in 1521 het Nieuwe Testament zelf voor vertaald. Calvijn heeft vooral het werk van Luther van een institutioneel jasje voorzien.
Feico Houweling is verteller van geschiedenis.
woensdag 11 februari 2009, 16:08 uur
Een geloof is inwisselbaar. Groeit een kind bij gelovige X op, dan wordt het een X. Daarbij doet het er niet toe wat X is. X heeft daarom geen absolute inhoud. Iets kan geen aanspraak maken op waarheid wanneer het zonder verminderde geldigheid kan worden vervangen.
Gelovigen kunnen hun levensovertuiging niet onderbouwen en het bestaan van een god niet bewijzen of zelfs maar aannemelijk maken. De vraag is dan onmiddellijk: waar is god. Dan zegt een gelovige tenslotte: god is overal. De vraag is dan: is god ook aanwezig bij de vreselijkste dingen die op aarde gebeuren?
Een gelovige is er niet tevreden mee dat god een denkbeeld is, mede omdat hij wenst dat anderen zijn god erkennen als absoluut en een denkbeeld daarbij een gedegradeerde grootheid is.
Gelovigen stellen graag de tegenvraag: bewijs dan maar eens dat er geen god bestaat. Een ongelovige zou dan moeten bewijzen dat het denkbeeld van de gelovige onjuist is? Een ongelovige heeft helemaal geen denkbeeld van een god. Zou hij dan moeten bewijzen dat hij een denkbeeld niet heeft?
Gelovigen eisen wereldwijd respect voor hun geloof. Dit moet dan wel een à priori respect zijn, want in geen enkele discussie op niveau beschikt de gelovige over algemeen geldige argumenten die het geloof nog enigszins respectabel zouden kunnen maken.
Waar het geloof niet beschikt over de intellectuele middelen om zich tegen fundamentele en goed geformuleerde kritiek te verdedigen en waar zelfs het begrip godslastering onhanteerbaar is, doen Balkenende c.s. alsnog een poging om de privileges van het geloof in het openbare domein in stand te houden via het strafrecht. Men speelt daarbij op de man door kritiek op een geloof gelijk te stellen met het beledigen van personen of groepen.
Wanneer hen dit lukt maakt Nederland een stap terug in de culturele evolutie en gaat de discussie terug naar het niveau van de lagere hersengebieden.
Wereldwijd heeft de mensheid geleden onder een godsdienstplaag. Dit zal zo blijven als het geloof zich niet aan de moderne wereld weet aan te passen. Die aanpassing zal moeten bestaan uit een stap terug van de absolute pretentie van waarheid naar de acceptatie van het geloof als denkbeeld.
Alleen dan kan het geloof in alle rust zijn kleine positieve rituele rol vervullen bij aangelegenheden van emotionele aard.