Wat is erger: een uitvoerend ambtenaar of een politiek bestuurder bedreigen?
Ricardo Offermans, VVD-burgemeester te Meerssen, schrok vannacht wakker omdat er een paal door de voorruit van zijn woning is gegooid. “Geen beleefdheidsbezoekje”, zo reageerde hij laconiek.
Toch is er reden tot zorg, zo blijkt uit onderzoek van het ministerie van Binnenlandse Zaken (BZK). Intimidatie, bedreigingen of fysiek geweld: 69 procent van de burgemeesters en wethouders en 49 procent van de raadsleden zou daar in 2008 mee geconfronteerd zijn.
Wildwestsituatie
Minister Ter Horst lichtte de cijfers toe op het jaarcongres van het Nederlands Genootschap van Burgemeesters (NGB) in Wassenaar. “Een recent voorbeeld is de wildwestsituatie in Weert”, zei ze. In september waren daar wethouders het doelwit. Een auto werd in brand gestoken, ruiten sneuvelden en er zou zelfs op een huis van een wethouder geschoten zijn.
Ook Bergen op Zoom kan meepraten. Toen de gemeente in maart een sluitingsbevel op een coffeeshop plakte, kalkte iemand daar “Dood aan Han Polman” (de naam van de burgemeester) overheen. En zo zijn er nog wel meer voorbeelden.
Vertrouwenslijn
Naar aanleiding van deze voorvallen is er een vertrouwenslijn opgetuigd voor raadsleden, wethouders en burgemeesters. Want het openbaar maken van bedreigingen kan ongewenste consequenties hebben, zo schrijft de NGB. “Wat als die fel begeerde aanleg van een bedrijvenpark niet doorgaat omdat de investeerders afhaken vanwege negatieve publiciteit? Kortom, wat als door de bedreigingen het risico wordt vergroot dat beslissingen van een bestuurder worden beïnvloed?”
Zwaardere strafeis
De afgelopen jaren ging de aandacht van de overheid vooral uit naar agressie richting uitvoerders. In de campagne ‘Vindt u dit normaal?!‘ vertelt BZK dat een verkeersregelaar per maand gemiddeld 25 keer wordt uitgescholden, 8 keer uitgedaagd en 1 keer bedreigd. Het Openbaar Ministerie kwam zelfs met zwaardere strafeisen voor geweld tegen mensen met een publieke taak.
Maakt het verschil als de ambtenaren een politieke functie hebben? Ja, zo blijkt uit een aantal strafmotiveringen van het Openbaar Ministerie. In februari 2007 motiveerde het OM de strafeis tegen een bedreiger als volgt.
“Het gedrag van verdachte is dan ook maatschappelijk volstrekt onaanvaardbaar, nu leden van het college van B&W hun taak moeten kunnen uitoefenen zonder aan bedreigingen te worden blootgesteld. Bovendien brengt het karakter van de bewezenverklaarde feiten het risico met zich dat derden worden geïnspireerd tot geweldpleging jegens lokale bestuurders en dat gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving worden versterkt.”
Hoe politiek gemotiveerd bedreigingen kunnen zijn, bleek ook na de brandstichting in een anti-kraakpand dat de gemeente Den Bosch in gebruik wilde nemen voor de opvang van dakloze verslaafden. “Als de overheid nou eens één keer zou luisteren, dan was dit nooit gebeurd”, schrijft bewoner Mick op de website van Omroep Brabant. “In een democratie is dit niet de manier om je gelijk te halen”, reageerde burgemeester Rombouts in het NOS Journaal.



dinsdag 13 oktober 2009, 04:25 uur
Het democratisch systeem van Nederland (en nogal wat andere landen) is deels gegrondvest op burgers die door middel van verkiezingen dat wat “hun macht” genoemd wordt afstaan aan volksvertegenwoordigers van allerlei aard. Dat mandaat, dat afstaan van macht, duurt voor de meeste gedelegeerde machtstructuren om en nabij anderhalf duizend dagen, pas daarna kan een burger weer blijk geven van instemming of afkeuring met wat er in de tijd van zijn/haar verstoken zijn van macht, gebeurd is. Gemiddeld leven burgers zo’n 70 en nog wat jaar, wat neerkomt op zo’n 15 x per leven de kans krijgen om je invloed uit te oefenen voor het kiezen van het landelijk bestuur. Nu zijn er verschillende soorten verkiezingen: Europees, landelijk, provinciaal, gemeentelijk en dan nog wat vaak onduidelijke oproepen om je stem uit te brengen op deelraden, waterschappen en andere vaak tijdelijke initiatieven, die met hetzelfde gemak weer door de overheid zelf afgeschaft worden. Dus laten we het houden op 4 x 15 (even verontacht laten dat de frequentie van Europese verkiezingen wat lager zijn), dat is dan 60 x in je leven heel eventjes macht krijgen om die direct daarna weer te moeten delegeren. Hoe gestuurd en gemanipuleerd die momenten van meningspeiling, van delegatie van macht, van verkiezingen zijn, wil ik hier even buiten beschouwing laten, omdat het mij er om gaat in grote lijnen de oorzaak van kennenlijk bestaande frustratie van de burger te vinden, die in het artikel van Steven de Jong, waar ik hierbij op reageer, geduid wordt als “zorg over bedreiging” van ambtenaren en bestuurders.
Het democratisch systeem van Nederland is een parlementaire democratie, maar gelukkig is er meer dan dat, meer dandat 60 keer per leven je mening kunnen uiten. Er is een hele wirwar van ingangen, kanalen, lijnen, teugels, lobbies, opinievormers en peilers, adviesorganen, pressiegroepen, stichtingen, verenigingen, instituties, centrales, bonden, actiecomités, noem het maar op. In een oneindig aantal voortdurend wisselende combinaties werken deze elementen en verbanden in op besluitvorming en bestuur van Nederland. Het is dus niet zo dat het land enkel geregeerd wordt via een wettig verkozen volksvertegenwoordiging en – voor hen die het willen geloven – via van God gegeven taken uitgevoerd door het Huis van Oranje. De samenleving is vele malen meer complex. Samenleving dient ook letterlijk gezien te worden als “samen leven” en hoeveel regels en wetten er ook zijn, het meeste gebeurd door individuele beleefde instemming en aanvaarding – hoe mokkend dat ‘aanvaarden’ ook moge zijn. Een paar eeuwen terug omschreef de Franse denker Étienne de la Boétie deze toestand als “vrijwillige slavernij” en hij gaf als één van de redenen van dit aanvaarden op, dat de mens geneigd is zich het liefst met zijn eigen directe leven en belangen te bemoeien en het besturen daarom graag aan anderen overlaat. Voortdurende algemene deelname aan het regelen van de maatschappij, heel het leven in zelfbeheer op alle niveaus, is dan ook niet meer dan een droommodel, wat niet wil zeggen dat er herhaaldelijk spanningsmomenten in de geschiedenis zijn geweest waar een begeesterde algemene deelname aan het bestieren van de samenleving ontstond. Dat vindt zowel op micro als macro niveau plaats en hoeft niet altijd als “revolutie” door geschiedschrijving en in historische canons zichtbaar gemaakt te zijn. Wij leven samen door het voordurend vinden en aanpassen van vormen van overeenstemming. Wij kunnen on bestel “vrij” noemen in de mate waarin dat soort overeenstemming – hoe minimaal ook in veel gevallen – dagelijks geleefd wordt. Dat is de echte basis van onze democratie. Het ceremonieel delegeren van onze macht middels een beperkt aantal verkiezingen is niet meer dan het bezweringsceremonieel dat die dagelijkse feitelijkheid bevestigd. Zouden wij enkel uit angst voor bestraffing ons leven inrichten, zouden wij ons voortdurend alle verbodsregels in gedachte moeten roepen om niet in gevang of erger te belanden, dan zou het woord “vrij” niet langer voor onze samenleving van toepassing zijn.
De geconstateerde vrijwillige aanvaarding van hoe met elkaar om te gaan, aanvaarding van gedragregels die op de een of andere wijze stroken, of niet al te veel afwijken van ons persoonlijk rechtsgevoel, kan niet altijd werkzaam zijn. Voor ieder van ons kunnen er momenten voorkomen dat er spanning ontstaat tussen eigen waarden en dat wat dan als ‘dwang van buiten’, of ‘misstanden’, ervaren wordt. Zulk een situatie kan dan aanleiding vormen voor een veranderd ‘normbesef’. Dit kan – het hoeft niet, want wie weet de diepte van het onuitgesproken ongenoegen te peilen – leiden tot zulk een onbehagen dat ‘directe actie’ ondernomen wordt. Directe actie neemt in veel gevallen een symbolische vorm aan, bespotting, ludieke actie, demonstratie, stipheidsactie, symbolische bezetting en kan dan in in gradueel nauwelijks van elkaar te onderscheiden stadia meer ingrijpende vormen aannemen: blokkade, staking, bezetting… De meeste vormen van dit soort directe actie zijn min of meer legaal te noemen, alhoewel er een trend is om dat wat door velen als verworven uitings- en actievrijheid, als legitieme ‘burgerlijke ongehoorzaamheid’ gezien wordt, in te perken. Het aantal aangespannen gerechtelijke procedures tegen in wezen volstrekte legale vakbondsacties neemt toe, de nu voorgestelde anti-kraakwet brengt dat wat in het civielrecht zat naar het strafrecht, de woningzoekende en vindende kraker dreigt (na eeuwen gedogen) tot misdadiger gemaak te wordent. Terroristenwaan legt de grenzen van wat satire en bespotting was mijlenver terug, gekalkte leuzen worden tot serieuze doodsbedreiging verklaard. Dat wat, in het geval van simpele bedreigingen, bij hoge uitzondering waar bleek te zijn, wordt tot algemeen geldend verheven en vormt de basis van het potsierlijk ceremomieel van weer een nieuwe electronische registratie, weer een aanscherping van controle, nog weer een incidenteel wetje, alsof de potentieele bedrijvers van onwelgewillige of vijandelijke handelingen daardoor ooit gestuit zouden kunnen worden. Had de door de gemeente Almelo gemaltraiteerde Turkse eigenaar van een restaurant eerst het wetboek van strafrecht erop nageslagen voordat hij door wanhoop gedreven tot gijzelaar van een democratisch gekozen stadsbestuurder werd? Zo volstrekt uitzonderlijk is Alemelo niet, zulk soort situaties komen in veel gemeenten voor en kennelijk weten slachtoffers van overheidsbeleid zich in de meeste gevallen te beheersen. Zijn er dan, na een reeks van onthullende publicaties en anlayzes van dit persoonlijke drama, publiekelijk zichtbare maatregelen genomen vanuit de centrale overheid om duidelijk te maken dat het niet zo kan zijn dat een kwestie van vergunningen voor een bar en restaurant, dusdanig slecht behandeld wordt dat er een dergelijke wanhopige daad uit voortkomt? (Ik meen daar geen strijdvaaardige minister van BInnelandse Zaken gehoord te hebben). Wat te denken van het stoere ‘lik op stuk’ beleid dat stadsbestuurders keer op keer aankondigingen om het gedrag in de openbare ruimte onder controle te kirjgen? Is het ongewenste hufterig gedrag vaak niet het resultaat van een jarenlang lokaal beleid van overmatige ondersteunen van commercieel vertier? Zijn niet de Rotterdamse bestuurders met hun oorverdovende massa manifestaties van decennia mede aanstichters van een- in een drama eindigend – op gratis maar toch commercie gericht strandfeest bij Hoek van Holland? Weet het Genootschap van Burgermeester dan niet hoe de hand in eigen boezem te steken? Kom op burgervaders en moeders verwerf eerst enig inzicht in de verhouding tussen oorzaak en gevolg, voordat u strafverzwaring gaat eisen.
Het heeft geen enkel nut weer een stok toe te voegen aan het bestaande overvolle arsenaal van stokken om “de hond” – die wij menen te kennen en menen te moeten bestraffen – te slaan. Wie of wat is dan die hond die geslagen moet worden? Met het quantificeren van incidenten – zonder dat het oorzakelijk verband ertussen op enige wijze aangetoond is- zoals nu door onze minister van Binnenlandse Zaken, zal die hond niet gevonden worden. Het hoog van de toren en nationaal afkondigen van harde maatregelen, daar waar het vaak om specifiek lokale incidenten gaat is nutteloos. Lokale bestuurders, lokale bevolking, lokale media moeten gestimuleerd worden om voor zichzelf te achterhalen waar en waarom het mis ging. Waarheidsvinding op plaatselijk niveau in plaats wapengekletter uit Den Haag. Goed gedrag zal niet afgedwongen worden door hogere strafmaten voor hen die verordeningen of beslissingen van een overtheid – die arrogant haar eigen legiitimieit aan prijst- niet wensen te aanvaarden. Het ‘algemene rechtsgevoel’ staat nergens opgeschreven, toch is het één van de peilers van onze samenleving. De noodzakelijke innige band tussen ongeschreven rechtsgevoel en wet- en regelgeving dient beter begrepen te worden. De legitimiteit van de macht die zich beroept op de hierboven kort beschreven principes van vertegenwoordiging, is betrekkelijk. Ook slaven moeten in enige mate gewillig zijn om ze tot arbeid aan te zetten. Een grotere zorgvuldigheid bij besluitvorming is geboden. Belangenafweging dient verder te gaan dan de meerderheid plus één. Een streven naar consensus en het ontwikkelen van nieuwe meer flexibele bezwaar- en beroepsmogelijkheden zou het aantal bedreigingen tegen ambtenaren en bestuurders als gevolg van bestuurlijke maatregelen meer ten goede komen, dan de nu voorgestelde zwaardere strafeisen voor boze en radeloze burgers.