Compassie
Tip voor de liefhebbers van J.J. Voskuil: lees Detlev van Heest.
Volgende week komt zijn tweede roman uit: Pleun. Dat boek ga ik zeker lezen nu ik net zijn debuut De verzopen katten en de Hollander heb uitgelezen. Ik had dit boek eerder kunnen lezen – het verscheen in april van dit jaar – maar ik liep er een poosje in kringetjes omheen. Stijl en vorm deden me bij eerste kennismaking – een voorpublicatie – te veel aan Voskuil denken; een schrijver moet een eigen stem hebben.
Toch begon ik op zeker moment écht te lezen in ‘De verzopen katten’ – en toen wist ik niet meer van ophouden. Ja, Van Heest is sterk beïnvloed door Voskuil, hij heeft nu eenmaal een grote zielsverwantschap met de schrijver van Het Bureau, en hij raakte ook persoonlijk bevriend met Voskuil en zijn vrouw. Maar naarmate ik vorderde in zijn boek, verdween de herinnering aan het werk van Voskuil naar de achtergrond. Op het laatst vielen de verschillen me meer op dan de overeenkomsten.
Dat komt vooral doordat Van Heest een volstrekt eigen wereld oproept: die van een rustig buitenwijkje van Tokio waar veel oude mensen wonen. Van Heest is daar een jonge eend in de bijt als hij er zich met zijn vrouw in de jaren negentig vestigt. Zij drijft een bloemenhandel, hij freelancet met enige tegenzin voor Trouw.
Wat hij liever doet, is aantekeningen maken in zijn dagboek over zijn ervaringen in de buurt. Op basis daarvan zal hij jaren later dit autobiografische debuut schrijven.
‘De verzopen katten’ bestaat uit een aantal lange en korte portretten van de mensen die Van Heest van nabij meemaakt. Hij mag dan graag in een soort afzondering leven, hij doet wel zijn best zijn buren zo goed mogelijk te leren kennen. Er ontstaat een vertrouwensband waardoor deze mensen hem een blik gunnen op hun voorbije leven.
Al die korte ontmoetingen, visites en tochtjes resulteren in weemoedig stemmende portretten van mensen die zonder veel illusies omkijken. Er gebeurt weinig meer in die levens, er is al genoeg gebeurd – en daar komen we langzaam maar zeker achter.
„Ik ben een lang geleden verwelkte bloem”, zegt mevrouw Suzuki. „Ooit heb je een dagje gebloeid, zoals men wel zegt.” Het verhaal over deze langzaam wegkwijnende vrouw waarmee het boek opent, was voor mij meteen het hoogtepunt. Van Heest is op zijn best als hij met ingehouden compassie over zulke mensen schrijft.
Dat is het grootste verschil met Voskuil die zijn personages afstandelijker, vaak op de rand van sarcasme, beschrijft.
Bij Van Heest voel ik deernis, bij Voskuil afkeer. Dat is een generalisatie, moet ik er meteen aan toevoegen, want bijvoorbeeld over zijn schoonmoeder (‘de moeder van Nicolien’) schrijft Voskuil met dezelfde empathie als Van Heest over mevrouw Suzuki.
Van Heest kan ‘zijn’ mensen nauwelijks loslaten. Hij praat met ze tot in hun laatste dagen, zoekt later ook hun graven op. In hun ondergang moet hij zijn eigen lot steeds weerspiegeld zien, ook al schrijft hij daar niet expliciet over: zijn neiging tot introspectie is – een ander verschil – minder groot dan bij Voskuil.
Aan het einde van ‘De verzopen katten’ emigreren Van Hees en zijn vrouw naar Nieuw Zeeland. Wat er daar met hen gebeurt, zullen we in Pleun kunnen lezen. Ik voorspel weinig goeds.




