Politiek en spelen
Als favoriet gespreksonderwerp lijkt het voetbal de komende weken de politiek te verdrijven, maar dat is slechts schijn. Beide onderwerpen nemen elkaars gestalte aan en al over een paar dagen zullen we het verschil niet meer zien.
Het is geen toeval dat deze onderwerpen bij uitstek geschikt zijn om onze universele verveling te verdrijven. Ze zijn een ideale stoplap in elke stokkende conversatie, waar ook ter wereld. Welke Nederlander heeft nooit in het buitenland over Kroif of Fortoin moeten praten?
In Nederland mogen we ook nog van het voordeel genieten dat de discussies over politiek en voetbal chronologisch naadloos in elkaar overlopen. De verkiezingen zijn net achter de rug en tegelijk met het Grote Formeren (Vomeren, voor sommigen) begint het WK voetbal.
Je zult op sommige momenten niet meer weten waar je nu precies naar zit te kijken: NOS WK Voetbal, Buitenhof, Nova, Knevel & Van den Brink? Al die praatprogramma’s zullen zozeer op elkaar gaan lijken dat ze op den duur uitmonden in één grote brij van gemeenplaatsen, dooddoeners en stokpaardjes.
Bij Nova hoor je Hans Wiegel zeggen dat het „eigenlijk over rechts moet”, omdat dat een logische keus is na alles wat er is gebeurd, maar Youri Mulder zal in NOS WK Voetbal volhouden dat het „beter over links kan”, omdat daar de meeste ruimte ligt, tenzij Arjen Robben op rechts beschikbaar is.
Jawel, zal Hans Hillen tegenwerpen, maar op links zit je toch nog steeds met de lastige vraag of Van der Vaart en Sneijder wel samen op het middenveld kunnen spelen. Lopen ze elkaar niet in de weg, willen ze elkaar niet te veel aftroeven?
Ben je gek, vindt Johan Derksen in weer een ander programma, PvdA en SP kunnen toch best samenwerken als het moet? Eventueel samen met de PVV? Laat me niet lachen, al die egootjes moeten overboord.
Ik vind dat gewoon de beste spelers moeten spelen, provoceert Jan Mulder, heb je elf Cruijffs dan speel je ook met elf Cruijffs, schei toch uit met al dat tactische gelul van die trainers.
Prima, juicht Jules Paradijs van De Telegraaf, dan stellen we toch elf Mark Ruttes op? Dat is iets wat mijn krant altijd de beste oplossing heeft gevonden: elfmaal de VVD, en je wordt vanzelf wereldkampioen.
Wereldkampioen van wát, roept Jan Marijnissen, van bezuinigen zul je bedoelen. Nee, wij moeten wereldkampioen worden met mooi-voetbal-voor-iedereen, ook voor de gewone man, en dan moet je niet op een paar centen kijken.
Vervolgens komen de spelers aan het woord. Ze kijken grimmig, want ze willen maar al te graag „aan de bak”.
Ik zie mezelf in de eerste plaats als stormram, schreeuwt Geert Wilders, en daar wil ik best een breekpunt voor opofferen. Maar wie moet er dan uit, vraagt Hugo Borst op zijn bekende parmantig-ijzige wijze, toch niet Dirk Kuijt? Nee, zegt Wilders, zó’n sterke blonde Hollander hoeft er voor mij natuurlijk niet uit, maar wat dacht je van Afellay, ik hoef toch niet mijn plaats af te staan aan de eerste de beste nieuwkomer?
Koppen dicht, maant bondscoach Bert van Marwijk, wie is de komende weken in Nederland eigenlijk de baas? Precies: ik en Mark Rutte – in die volgorde.
Samen gaan wij Nederland voorgoed op de kaart van de wereldgeschiedenis zetten. Ja toch, Mark? Ik hoor je niet, zegt Rutte, ik zit in België.




