Ontmoetingen
De interessantste televisie die ik de laatste tijd zag, was bijna vijftig jaar oud. Het waren de door uitgeverij Bas Lubberhuizen op dvd uitgebrachte uitzendingen van het programma Literaire ontmoetingen, van 1962 tot 1964 voor de AVRO gemaakt door presentator H.A. Gomperts en regisseur Hans Keller.
Daar rezen opeens in zwart-wit uit het literaire dodenrijk grote schrijversgestalten op, zoals J.C. Bloem, Simon Carmiggelt, Hugo Claus, Adriaan Morriën, Simon Vestdijk en G.K. van het Reve. Sommigen waren nog in de bloei van hun aardse leven, anderen – Bloem voorop – stonden kort voor hun dood. Een aantal van deze uitzendingen heb ik destijds als jongen van zestien, zeventien jaar gezien. Ze maakten toen al grote indruk op mij, in feite waren ze een introductie in de moderne Nederlandse literatuur.
De wondere werking van het geheugen: vrijwel alles was ik vergeten, maar ik herinnerde me nog scherp dat er in de uitzending met Morriën beelden met meeuwen voorkwamen. Dat bleek te kloppen, want Morriën las een gedicht voor over het IJmuiden van zijn jeugd.
Deze documentaires kunnen niet met de maatstaven van nu beoordeeld worden. Het hoge tempo, de hijgerigheid ook, van veel hedendaagse televisie ontbreekt. We betreden het tijdperk van het geduld waarin de presentator nog lange exposés geeft van het desbetreffende oeuvre om zich vervolgens vriendelijk tot zijn gast te wenden met de eerste vraag: „Vertel eens over je jeugd.”
Maar uiteindelijk ontstonden er voor de volhardende kijker toch boeiende gesprekken, waarbij Gomperts geen genoegen nam met de rol van aangever – zoals je nu vaak ziet – maar wel degelijk in de ideeënwereld van de schrijver probeerde door te dringen.
Dat lukte hem het overtuigendst in het gesprek met Harry Mulisch, die hij ook van alle schrijvers het meest kritisch benaderde.
Gomperts sprak een deftig, nog net niet bekakt klinkend Nederlands en bediende zich van subtiele, nooit wrange ironie.
Hij bleef altijd hoffelijk, ook toen hij op het einde van de uitzending tegen Mulisch zei: „Je weet dat ik je werk bewonder, maar wat mij erin stoort is dat je geen helderheid geeft. Ik hoop dat je ons toch nog in deze duistere wereld de helderheid zult geven die wij van een schrijver als jij bent mogen verwachten.”
Ik denk niet dat in de vijftig televisiejaren hierna nog ooit zulke woorden door een interviewer tegen Mulisch zijn gesproken.
Opvallend is ook de ernst waarmee doorgaans tot ironie neigende schrijvers als Reve en Carmiggelt op de vragen van Gomperts ingaan. Reve praat zonder enige koketterie over zijn bekering tot het katholieke geloof. En over zijn zogenaamd seksloze roman De avonden zegt hij: „Hij zit stampvol met erotiek.”
In sommige afleveringen zitten ook brokjes van een voorgoed voorbij Amsterdam. De vrijwel autoloze Rivierenbuurt, Reve die een inmiddels ook alweer afgebroken woning in de Jordaan betrekt. Het stemt enigszins weemoedig.
Je beseft dat bijna niemand die deze uitzendingen heeft mogelijk gemaakt, nog leeft.
Vestdijk die met zijn hond naar zijn huis loopt, Bloem die bedremmeld in de tv-studo zit, Morriën die door een desolaat IJmuiden wandelt – ze zijn beeld geworden, afgestoft beeld nu, dat gelukkig wel.




