‘Proces van de eeuw’ (2)
’s Avonds, na de eerste zittingsdag van het proces tegen Geert Wilders (het zogenaamde ‘proces van de eeuw’), gebeurde er iets opvallends in het tv-programma Pauw & Witteman. Misdaadverslaggever Peter R. de Vries veegde de vloer aan met een volgeling van Wilders, die ’s morgens bij de rechtbank had gedemonstreerd.
Die ‘kopvoddentaks’ van Wilders was maar een geintje geweest, zei de demonstrant. Een geintje, zei De Vries kwaad, niks geintje, heeft hij er soms ooit iets van teruggenomen, heeft hij er zijn excuses voor aangeboden? En hij analyseerde bekwaam de grondeloze superioriteitswaan en minachting waaruit het gebruik van zo’n term voortkomt. Wilders is een gevaarlijke man, concludeerde De Vries.
Het leek alsof de anderen aan tafel verstijfd toeluisterden. Wat De Vries deed is tegenwoordig immers ongebruikelijk: tegen een gewone Nederlandse burger zeggen dat hij uit z’n nek lult. Ho, dat kan zomaar niet! Wat de gewone burger zegt, moet per definitie serieus genomen worden. Je kunt die houding ook bij allerlei opiniepaginascribenten aantreffen.
De filosoof Ger Groot schreef onlangs in Trouw dat Fortuyn, Verdonk en Wilders hem weliswaar onsympathiek waren, maar hij voegde eraan toe: „Het is niet alleen legitiem, het is zelfs wenselijk dat zich in de politiek een denken en voelen uitspreekt dat een maatschappelijke realiteit is, maar vanuit het maatschappelijke centrum als zodanig liefst wordt ontkend.’’
Groot vindt dat je Wilders en zijn kiezers serieus moet nemen en niet bij voorbaat van regeringsdeelname moet uitsluiten: „Je moet je ervan bewust zijn dat ook dáár wel iets van waarheid te vinden is – hoe klein misschien ook.”
Dus als zich, ik noem maar iets dat ooit gebeurd schijnt te zijn, in de politiek een antisemitisch denken en voelen uitspreekt dat een maatschappelijke realiteit is, dan moeten wij ervan uitgaan dat ook daar wel iets van waarheid te vinden is – hoe klein misschien ook Als het maar een maatschappelijke realiteit is, dan is er verder niet zoveel aan de hand.
Denkers als Groot zwichten voor de populistische verleiding, als ik die variant op Jean-François Revels ‘totalitaire verleiding’ even mag gebruiken. Niet uit overtuiging, vermoed ik, maar omdat zij het benauwd krijgen van al die wilderiaanse verwijten over hun elitaire positie.
Van de weeromstuit vallen zij ‘het volk’ – wat dat ook precies moge wezen – in de armen, ook als dat de meest bizarre onzin uitkraamt.
Iets van die houding vond ik ook terug in het stuk dat Herman Vuijsje afgelopen zaterdag voor de opiniebijlage van deze krant schreef.
Hij vond het proces tegen Wilders weliswaar geoorloofd, maar hij haalde tegelijkertijd uit naar politici als Pechtold, die alsmaar Wilders en zijn aanhangers ‘bashen’. „Laten politici eerst behoorlijk hun huiswerk doen alvorens de kiezers ervan te beschuldigen dat ze dom en slecht zijn door achter de verkeerde leider aan te lopen’’, aldus Vuijsje.
Kortom, pas nadat de politici een foutloze samenleving tot stand hebben gebracht, mogen ze wat over Wilders en zijn achterban zeggen. Dan kunnen we lang wachten. Ik stel voor om het synchroon te blijven doen: Wilders aanpakken en tegelijkertijd werken aan die ideale samenleving, die er nooit komt.




