Vreselijk moe
De jonge vrouw woei als een wervelwind de bus binnen. Ze was zo sjofel als een vrouw kan zijn die aan de drugs is: sliertig vet haar, grauwe ongewassen kleding en een losse hoektand die als een verlaten voorpost in haar mond stond.
Luid in zichzelf pratend zette ze haar bagage – groot woord voor de uitpuilende plastic tas – in het rek achter de chauffeur. Ze liep snel terug naar de deur. „Even een sjekkie roken”, zei ze, „hoe laat ga je weg?”
„Twee minuten”, mompelde de chauffeur, die de motor al had aangezet.
Ze holde voor de bus langs, op weg naar een vrouw die bij een andere bushalte stond te wachten. Zij leek me ook een junk, maar nog aan het begin van de verloedering. De vrouwen omhelsden elkaar, lachten te luid en namen weer afscheid. De vrouw rende terug naar onze bus en stortte zich hijgend naar binnen, terwijl de chauffeur zei: „Nu moet je opschieten, ik ga.”
De vrouw gooide haar brandende sigaret door de deur naar buiten. „Ik heb toch nog een paar trekjes gehad”, zei ze.
Druk pratend tegen niemand in het bijzonder zocht ze een plaats. Als het maar niet naast mij is, dacht ik, en velen ongetwijfeld met mij. Maar dat was ook niet nodig, ze vond nog een bankje voor zichzelf.
Onmiddellijk begon ze met haar mobieltje te bellen. „Ik ben onderweg”, riep ze. „Ik ben er over een kwartiertje. Het gaat niet goed met me! Ja! Niet goed!”
Iedereen hoorde het en iedereen bleef uit het raam kijken. Wat moet je anders? Met een EHBO-diploma, dat ik overigens ook niet heb, kom je er niet in zulke situaties. Toch had ik de stellige indruk dat ze graag wilde dat wij haar hoorden en dat ze er niet op tegen was als we ons met haar bemoeiden. Misschien is dat wel de opzet van álle luidruchtige mensen, niet alleen van drukke junks.
De bus stopte na een minuut of vijf bij de halte voor een ziekenhuis. Een vrouw van tegen de zestig stapte met een grote tas als enige binnen. Ze ging aan de andere kant van het gangpad zitten, met haar gezicht naar de junk toe. De vrouwen kenden elkaar niet, maar toch maakten ze vrijwel meteen contact.
„Je voelt je niet goed, hè”, zei de oudere vrouw terwijl ze de ander monsterde. „Ik zie het aan je gezicht.”
„Nee, ik voel me niet lekker. Maar u ziet er ook moe uit.”
„Ik kom net uit de nachtdienst. Ik werk in de verpleging.”
„Iedereen zegt dat het onzin is, dat ik niet ziek ben”, zei de junk, „maar ik voel me wél ziek, ik ben zó moe, ik kan niks.”
„Als je moe bent, moet je eraan toegeven. Ga naar bed en trek je niks van anderen aan. Het is jóúw lichaam.” De verpleegster zei het op normale toon, maar met een grote dwingende kracht waarin oprechte bezorgdheid doorklonk. Ze behandelde de ander niet als een soort halvegare, maar als iemand van gelijk niveau.
Ze was geschikt voor haar vak.
De vrouwen praatten nog wat door over moeheid in het algemeen en vreselijke moeheid in het bijzonder. Ik heb nooit beseft dat moeheid zo’n onuitputtelijk thema is, je zou er bijna moe van worden.
Toen moest de verpleegster eruit. Ze hees zich met haar tas overeind en knikte vriendelijk naar de junk. „Denk erom, goed voor jezelf zorgen”, zei ze, voordat ze als een engel in het heldere daglicht verdween.




