De zwarte dag van Wilders

Geert Wilders, onze nationale kampioen van het vrije woord, die streeft naar een verbod op de Koran en ontslag van Clairy Polak bij Nova, was erg „aangeslagen” door de beslissing van het Amsterdamse gerechtshof om hem te laten vervolgen.

Het belette hem gelukkig niet zo ongeveer alle actualiteitenrubrieken en kranten uit te leggen welk een vreselijke slag („zwarte dag”) de vrijheid van meningsuiting in Nederland hiermee wordt toegebracht.

Zijn interviewers zijn altijd een beetje bang dat hij à la Louis van Gaal uit zijn slof schiet, dus behandelen ze hem met nogal fluwelige handschoenen. Een aardige vraag die hem nooit gesteld wordt, is: vindt u dat er een grens is aan wat u zou kunnen zeggen over de islam en de islamieten, zo ja waar ligt die grens dan, zo nee waarom zou zo’n grens voor u niet gelden en voor alle andere Nederlandse burgers wel?

Want dat is het gevoel dat Wilders steeds meer opwekt: dat hij denkt boven de wet te staan.

Toen jonge, demonstrerende Marokkanen onlangs antisemitische leuzen riepen en Israël vergeleken met Hitler verweet hij de politie dat ze die jongeren niet had aangehouden. Hij wil kennelijk vervolging van deze jongeren, en terecht, maar daarmee geeft hij aan dat hij ook zelf vindt dat er grenzen zijn aan de vrijheid van meningsuiting. Bovendien vergeet hij dat hij met hetzelfde vuur speelt als hij vergelijkingen met het nazisme maakt.

Zo vanzelfsprekend als het voor Wilders is dat deze Marokkanen worden vervolgd, zo vanzelfsprekend is het tegelijkertijd voor hem dat hém geen strobreed in de weg wordt gelegd. En ik geef toe: als we de kloof met de moslims willen verbreden – en Wilders lijkt dat te beogen – dan moeten we ons vooral op dit pad van de rechtsongelijkheid begeven.

De beschikking van het gerechtshof is een lang, indrukwekkend werkstuk (zie www.rechtspraak.nl, onder LJ nummer BH0496). Stap voor stap maakt het hof in klare taal duidelijk waarom een vervolging van Wilders – in tegenstelling tot wat het Openbaar Ministerie dacht – succesvol kan zijn. Een cruciale passage staat aan het einde:

„Wie een geloofsgemeenschap haar heilige teksten en gebedshuizen ontzegt en de landsgrenzen voor haar wil sluiten of gesloten wil houden, creëert een vijandbeeld dat gevoelens van haat kan oproepen, gebaseerd op intolerantie, discriminatie en minachting. Vernietiging van de rechten van anderen vanuit een ideologie, zoals de islamofobie, strookt niet met de waarden van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens.”
Wilders doet nu alsof het hof hem al heeft gevonnist. Onzin natuurlijk: nieuwe rechters, nieuwe kansen. Misschien kan ik hem geruststellen met een persoonlijke ervaring.

Evenmin als Wilders staan columnisten boven de wet. Enkele jaren geleden voelde iemand zich beledigd door wat ik als columnist over hem in een blad had gezegd. Hij begon een rechtszaak tegen mij. De rechter zei niet tegen mij: „U bent columnist? Prima, dan ga ik u natuurlijk níét veroordelen, want dat zou een zwarte dag voor onze democratie zijn.”

Nee, hij vond dat ik mijn beschuldiging moest onderbouwen. Toen ik dat in zijn ogen voldoende had gedaan, sprak hij me vrij.

Als Wilders straks de rechters overtuigend kan uitleggen waarom hij de Koran een nazistisch boek noemt, maakt hij een goede kans twee jaar gevangenisstraf te voorkomen. Het lijkt me de moeite van het proberen waard.