Geef mij een mirakeltje van niets
Onlangs zat ik met de dichter Alexis de Roode in een tv-uitzending van Knetterende Letteren.
Ik kende zijn werk niet en bladerde kort voor de opnamen door zijn bundels. Twee zijn er tot dusver verschenen: drie jaar geleden Geef mij een wonder en nu Stad en Land. En hoewel ik, zittend op een barkruk naast hem, voor een poëzielezer een nogal onhandige positie aannam, kwam ik onmiddellijk onder de indruk van de heldere indringendheid van zijn taal. Wat goed is, overtuigt snel.
In de uitzending las hij uit Geef mij een wonder het intrigerende De lege landen voor.
Ik zit in de trein naar Utrecht
als ik mij plotseling afvraag:
waar is het wonder?
Want alles wat ik zie, bestaat zo ontzettend:
struikjes, koetjes, boerderijen,
er is geen speld tussen te krijgen.
Neem nu die haagbeuk:
die staat daar maar
aan de rand van een weiland.
Beetje groen zijn. Beetje groeien.
Het is allemaal zo van deze wereld!
Geef mij a.u.b. een wonder,
een heel klein krasje
in het diamant van de feiten,
een mirakeltje van niets,
er hoeft heus geen engel bij
of donderstem
Al is het maar die haagbeuk
die op een mistige ochtend
een beetje is verschoven.
Dan weet ik genoeg.
De dichter zoekt een godsbewijs – en vindt het niet. Mocht ik het zo lezen? Ik spreek hem enkele weken later in een café. Hij is 38 jaar, geoloog, werkzaam als webredacteur en een dichter die pas laat zijn mogelijkheden ontdekte.
Hij zegt: „Ik houd het in het gedicht nog open: het kan ook de volgende dag gebeuren. Het wondertje voelt dichtbij, maar het is toch oneindig ver weg. Ik geloof niet dat het kan gebeuren, maar ik hoop het wel. Het zou betekenen dat de materie bezield is, dat er een almachtige God is die de materie kan veranderen. Alles, ook de ethiek, wat goed en kwaad is, zou door die God worden bepaald. Maar als hij niet bestaat, dan ligt de ethiek in de materie en bepaalt de mens wat goed en kwaad is.”
Kortom, als die haagbeuk verschuift, kantelt het hele wereldbeeld van de dichter? Hij knikt. Maar het gedicht is ruim drie jaar oud en hij lijkt als godzoeker alweer een stap verder. „Soms geloof ik wel in God, ik wil erin geloven. Ik heb God zó abstract gemaakt dat ik op een bepaalde manier kan geloven, het geeft mijn bestaan een lading van magie en mysterie. Ik geloof inmiddels dat de materie bezield kan worden zónder een almachtige God. De samenhang in de kosmos van alles wat materie is en van alle levensprocessen zie ik als iets goddelijks – een soort superbewustzijn.”
Hij is in Nijmegen niet-religieus opgevoed, zijn vader geloofde zelf niet meer na een harde, roomse jeugd. Maar deze vader, inmiddels overleden, heeft hem wel ooit verteld over zijn enige mystieke ervaring. „Hij zat alleen thuis, dacht na over de wereld en raakte los van tijd en plaats, voelde warmte en liefde, zag licht, nou ja, alle clichés die bij zo’n ervaring horen. Mijn vader merkte ook dat het niet uit te leggen is aan anderen. Ik was een jaar of twaalf toen hij me dat vertelde. Het is me blijven fascineren.”
„En jij?” vraagt hij als we opstappen. „Ik denk dat die beuk blijft staan”, zeg ik.




