We wenschen jelui nog een prettige dag

 Thijs en Sandra wonen nu op de Gedempte Schalkburgergracht 65 in Haarlem. Ik ken ze niet, ze waren niet thuis toen ik voor hun huis stond en naar hun naamplaat keek. De baksteen is gereinigd, maar voor de rest ziet het huis er nog precies uit zoals vroeger. Het is een hoog, vriendelijk rijtjeshuis in een straat die de halfdeftige zoom van een arbeidersbuurt moet zijn geweest.
Wat had ik er te zoeken?
Alles.
In dit huis was mijn moeder opgegroeid. In de jaren vijftig was ik er met mijn ouders en mijn broer regelmatig op bezoek geweest. Die typische zondagmiddagvisites waarbij kinderen zich nogal snel vervelen, al kan ik me herinneren dat ik een merkwaardige opwinding onderging toen mijn nichtje in mijn oor begon te ademen – mijn eerste opwinding.
Mijn grootmoeder woonde er toen alleen, haar man was in 1947 overleden op een leeftijd die ik nu ook begin te naderen en me daarom te denken geeft: 63 jaar. Veel te vroeg. Kanker. Hij zal mij als pasgeboren baby misschien nog wel hebben gezien. Deze grootvader dook regelmatig op in de verhalen van mijn moeder.

Zij beschreef haar vader als een stille, fatsoenlijke man, een nijvere boekhouder die versomberde toen hij in de crisisjaren dertig plotseling ontslagen werd. Ze was, vermoed ik achteraf, meer op hém gesteld dan op haar wispelturige, extraverte moeder. Ze had in ieder geval met hem meer gemeen.
De kredietcrisis, ‘onze’ crisis, bracht hem weer prominent in mijn herinnering terug – vooral  de brief die hij op 13 september 1944 aan mijn moeder schreef. Het is de laatste brief die ik van hem aan haar in mijn bezit heb; mijn moeder heeft hem altijd bewaard, hoewel ze niets liever deed dan alles opruimen en weggooien.
Het is een eigenaardig gevoel om zo’n brief, die alleen in de vouwen wat slijtage vertoont, 64 jaar later vast te houden op enkele meters van het huis waarin hij geschreven is. Schrijver en ontvanger zijn allang morsdood, maar komen plotseling weer tot leven in de intimiteit van dit proza. Mijn moeder woonde toen met haar gezin in Nijmegen, dat ruim een half jaar eerder per ongeluk zwaar gebombardeerd was door Amerikaanse vliegtuigen.
„Hoe is het in Nijmegen met de voedselvoorziening?”, vraagt haar vader. „Hier is het mooi nodig hoor! Aardappelen en groenten zijn zoowat niet te krijgen. Melk en boter ook haast niet. En als je moet geloven wat de menschen vertellen, dan is er straks helemaal niets meer te krijgen en komen we bovendien nog zonder gas en elektriciteit ook. Verleden week heb ik nog eens 15 à 20 kilo aardappelen gehaald van de tuin van baas Meijer. Maar ja, daar zijn we ook al haast weer doorheen, en wat dan? (…) Het wordt natuurlijk iedere dag beroerder.”
Mijn grootvader had ongetwijfeld een montere felicitatiebrief willen schrijven, maar zijn ontreddering was er te groot voor. Een dochter in een platgebombardeerde stad, een zoon tewerkgesteld in Duitsland en een hongerwinter in aantocht – het werd hem te veel. „Ja kinderen”, sluit hij af, ,,we wenschen jelui nog een prettige dag, voorzover deze dan prettig kan zijn in deze omstandigheden. Na den oorlog doen we het weleens dunnetjes over.”
Daar zal weinig van gekomen zijn. Twee jaar na de bevrijding was hij er niet meer.

Bekijk op nrc.tv hoe Frits Abrahams de hele brief voorleest.

Lees hier een interview met de jubilerende Frits Abrahams, die afgelopen weekeinde vierde dat hij tien jaar columnist is op de Achterpagina.