*

Dag » ‘Blasfemie’ :: nrc.nl

‘Blasfemie’

Als je verdraaiingen en verdachtmakingen maar vaak genoeg herhaalt, gaan ze vanzelf een eigen leven leiden, moet Joost Zwagerman gedacht hebben, toen hij deze week een artikel schreef dat door de Volkskrant als opening van de opiniepagina werd afgedrukt.
Een deel van zijn insinuaties, gericht aan mijn adres, had Zwagerman al eerder (Leven etcetera, 1 september) in NRC Handelsblad gepubliceerd. Nu vind ik dat je in dit vak niet kleinzerig moet zijn als iemand een handvol slordige leugens nodig heeft om zijn gezicht tegenover vrouw en kinderen te redden. Maar het wordt iets anders als zo iemand van die leugens een nummer gaat maken, dat hij elke week in een andere krant en in een steeds agressievere vorm opvoert.
Zou dat nou bij het herstel van normen en waarden horen, waar Zwagerman in een ander verband de laatste tijd zo vroom voor pleit?
Wat is er aan de hand? Zwagerman beweert dat ik twee jaar geleden in een column christenen en hun God heb beledigd. Blasfemie dus – een strafbaar feit. Daarom mag ik nu niets meer zeggen over het gescheld op de islam door Ehsan Jami, wiens Comité voor ex-moslims door Zwagerman gesteund wordt. „Juist uit de mond van Abrahams is dat hypocriet”, schrijft Zwagerman, „want zelf schreef hij twee jaar geleden over God als Geile Beer, die zich verlustigt in kinderlijkjes.”
Zwagerman doelt hier op een column die ik schreef over een rooms schoolboekje uit 1907, waarin God weliswaar ‘Onze Lieve Heer’ heet, maar intussen handelt als een wrede, tirannieke god die naar willekeur kinderen doodt en tot zich laat komen.
In dat boekje vliegt een engel naarboven met een kindje in zijn armen. Een ander kind vraagt aan de engel waarom hij dat kindje meeneemt. De engel antwoordt: „Onze Lieve Heer wou dat bij zich in den he-mel hebben, en toen is het kind-je gestorven. Nu neem ik het mee, zijn ziel-tje.”
Zó werden kinderen in die tijd op school religieus gehersenspoeld, schreef ik. Zo’n God, voegde ik er badinerend aan toe, zouden we nu een Geile Beer noemen die kindjes laat doden om aan zijn gerief te komen. Het ging mij niet om God, maar om het godsbeeld dat in zulke boekjes aan kinderen werd voorgehouden.
Zwagerman laat deze context uiteraard weg, zijn beschuldiging zou er al te drastisch door ondermijnd worden.
Hoe ging het verder? Niemand maakte destijds bezwaar tegen deze column, ook Joost Zwagerman niet, behalve de Bond tegen het Vloeken. Deze bond deed aangifte tegen mij wegens godslastering bij de officier van justitie in Rotterdam – welke aangifte in recordtijd door de officier werd geseponeerd, „omdat er geen sprake is van strafbare feiten”.
„Dat is in blasfemie Theo van Gogh voorbij”, hijgt Zwagerman nu over deze column. Maar niks blasfemie. Het was de gebruikelijke flauwekul van de Bond tegen het Vloeken.
Zwagerman als medestander van de Bond tegen het Vloeken – het is een prachtig gezicht, bijna nog prachtiger dan zijn naam dicht onder die van Geert Wilders op dat steunlijstje voor Jami. Van mij mág hij, maar hij moet ophouden iemand stelselmatig zonder een schijn van bewijs van strafbare feiten te beschuldigen. Dat heet hetze.