Bent u op zoek naar de columns van Frits Abrahams?

Abonnees kunnen deze vinden in de digitale editie en het krantenarchief. U kunt hier (digitaal) abonnee worden.

Op ijzers door de sneeuw

Volgens de Zweedse media gaan we de strengste winter sinds 1850 meemaken, en dat wil ik graag geloven als ik in de vroege morgen naar buiten kijk. De wereld ligt er onbeweeglijk wit bij, alles lijkt tot eeuwige stilstand gekomen, iedereen heeft besloten nooit meer wakker te worden. Het leven op aarde, het is voorbij.

Dat is maar goed ook, want dan hoef je nooit meer die vreselijke dagen mee te maken waarop alles en iedereen zich tegen je lijkt te keren.

De winter is de gretige leverancier van zulke dagen.

Lees verder »

Alweer die jaren dertig

In korte tijd is zowel Frits Bolkestein als Job Cohen in opspraak gekomen door uitlatingen waarin ze, min of meer expliciet, naar de Tweede Wereldoorlog verwezen.

Bolkestein raadde herkenbare Joden aan uit Nederland weg te gaan; als ze dat niet deden, suggereerde hij daarmee, zou hun hetzelfde lot wachten als de Nederlandse Joden in de Tweede Wereldoorlog.

Interviewers van Vrij Nederland vragen deze week aan Cohen: „Gebeurt nu weer wat in de jaren dertig gebeurde: dat mensen worden buitengesloten?”

Lees verder »

Drie (film)rolletjes

Wat wij toeval noemen kan ook een of andere boven ons gestelde macht zijn die het leuk vindt spelletjes met ons te spelen. Ze vinden zichzelf daar beneden reuze rationeel, meesmuilt deze machthebber, en vooral die eigenwijze columnisten, dus laat ik er eens eentje af en toe flink in verwarring brengen. Zo kan er met een zekere wetmatigheid iets in je leven gebeuren dat je niet helemaal kunt verklaren – een soort running gag van het lot.

Een zomer of zes geleden zat ik op een mooie zondagmiddag in ijssalon Tofani aan de Kloveniersburgwal in Amsterdam een ijsje te eten toen een echtpaar met kind binnenkwam. In de vader herkende ik de fameuze Belgische acteur Jan Decleir, een man met een markante, krachtige kop die zich ooit uitstekend zal lenen voor een borstbeeld in een lommerrijk stadspark. Ik had hem nooit op toneel gezien, wel in enkele speelfilms en op tv.

Lees verder »

Hoe Hofland zijn columns begint

De jury van de P.C. Hooftprijs prees H.J.A. Hofland onder meer om „de souplesse van zijn virtuoze omgang met het woord”. Laat de woorden voor zichzelf spreken.

Ik trok mijn stapel Hoflandboeken uit de kast en toetste het compliment van de jury aan een aantal beginzinnen en beginalinea’s, die tevens typerend zijn voor dit oeuvre:

Dit is de wordingsgeschiedenis van een verbazing; de verklaring waarom de meeste mensen, massa’s en bewindvoerders, mij door brutale (onbeschaamde, naakte, grijnzende) domheid hoe langer hoe meer afschuw bezorgen, en waarom ik tegelijkertijd moedelozer word als ik denk dat ik er iets aan zou moeten of kunnen doen. (Tegels lichten, 1972.)

Lees verder »

Wat een vader zijn zoons aandeed

Een poos geleden kreeg ik een mailtje van een jonge man die mij een bijzonder verhaal wilde vertellen over zijn vader. Ik nam telefonisch contact met hem op. Zijn vader was een oplichter, vertelde hij, geen grote, maar wel een van de ongeneselijke soort: hij deed niets liever dan mensen belazeren. Hij verdiende er soms aan, maar hij deed het vooral ‘voor de sport’; hij genoot ervan om te zien hoe zijn slachtoffers er steeds weer intuinden.

Wilde ik daar niet eens over schrijven? Liefst met naam en toenaam, want hij was het als zoon spuugzat steeds de praktijken van zijn vader van nabij te moeten meemaken.

Lees verder »

Een volle trein naar Antwerpen

Lang niet meer in Antwerpen geweest en wat me, vergeleken met Amsterdam, gauw opviel: 1. De vele orthodoxe joden die zich daar nog met hele families in volle uitrusting door de stad durven begeven. 2. Het geringe aantal gestalde fietsen, nog geen tien procent van de hoeveelheid in Amsterdam. 3. De lange rijen van voetgangers voor de verkeerslichten op de Meir, waar je extreem lang op ‘groen’ moet wachten.

De trein naar Antwerpen puilde zaterdagmorgen uit. Op het perron van Roosendaal stonden zoveel reizigers te wachten dat het de vraag was of ze wel allemaal mee konden. Waarheen en waartoe? De kerstsfeer in Antwerpen, of net als ik, de Willem Elsschot-tentoonstelling in het Letterenhuis aan de Minderbroedersstraat? Die tentoonstelling loopt op haar laatste benen en ik begon daarover ernstige schuldgevoelens te krijgen.

Lees verder »

Aspirine alsof het drop was

Ieder mens is blij als hij zich als ervaringsdeskundige kan melden, het is het enige terrein van deskundigheid waarop hij zelf de baas kan blijven. Ik veerde dan ook verheugd op bij het artikel dat Wim Köhler gisteren in deze krant over aspirine en kanker schreef. Ha! Eindelijk kon ik mijn bescheiden medische ervaring inzetten voor een goed doel: voorlichting.

Niet dat ik eigen ervaring met kanker heb – gelukkig maar. Maar aspirine, ja, daar heb ik een tijdje wel pap van gelust. Achteraf mag ik dat als een van de grote zegeningen van mijn leven beschouwen, begrijp ik nu. Britse artsen zouden hebben aangetoond dat de kans op kanker met zeker 20 procent afneemt als je langer dan vier jaar achtereen dagelijks een aspirine met 80 milligram acetylsalicylzuur slikt. Het beschermende effect zou nog twintig jaar duren. Aspirine beschermt vooral tegen kankers in het spijsverteringskanaal.

Lees verder »

De brief heeft iets heiligs

In de sneeuwpap op straat lag een witte envelop. Van de Belastingdienst, zag ik, toen ik hem had opgeraapt. Ik kende alleen hun blauwe enveloppen – geen geliefde jongens, maar je was in ieder geval een gewaarschuwd mens zodra je ze zag. De envelop was nog gesloten. Ik veegde de modder eraf en las het adres: een van de flats aan mijn rechterhand.

Iemand had hem verloren, vermoedelijk de postbode zelf. Ik zocht met mijn ogen de lange straat af – geen postbode te zien. Zou ik hem dan maar zelf posten? Die postbodes hadden het tegenwoordig al moeilijk genoeg. Als ze pech hadden, liepen ze hun eigen ontslagbrief te bezorgen. Ik liep naar de flat, vond de naam van de geadresseerde en liet de brief in de bus glijden.

Lees verder »

Hoe waren ze binnengekomen?

Op de dag dat John Lennon dertig jaar geleden werd vermoord, moet ik me over een ander type moord buigen. Ik kan het ook niet helpen. Het gebeurde toevallig deze week en het was, net als in het geval van Lennon maar wel om een andere reden, een aangrijpende ervaring.

„Een vlo!” riep mijn vrouw.

Ze zat op haar knieën over onze kat gebogen, die loom op een tapijt lag uitgestrekt als een, als een…als een kat. Als ze ‘een bom!’ had uitgeroepen, zou onze verbijstering niet groter zijn geweest. De laatste keer dat een vlo bij ons huisvredebreuk pleegde, was een jaar of tien geleden. Die heeft er niet lang van mogen genieten. Wij maakten verbeten jacht op hem en executeerden hem standrechtelijk. Waarom destijds zoveel haast? Het had te maken met een trauma uit het begin van ons huwelijk. We hadden voor het eerst een kat, zonder enig benul van mogelijke gevolgen. Dat vlooien graag tussen de haren van (huis)dieren leven, was ons onbekend. Dagelijks kammen, regelmatig antivlomiddelen toedienen? Wisten wij veel. We kwamen er na een vakantie vanzelf achter toen de vlooien ons, gastvrij als ze zijn, uitbundig begroetten door op onze blote benen te springen.„Welkom!” riepen ze, „kom mee naar zolder, daar hebben we in de biezen matten een heel wooncomplex ingericht, inclusief crèche en eiermarkt.” We gingen mee en hebben boven heel wat afgejeukt. Gelukkig moesten we kort daarna verhuizen. Nog altijd vraag ik me af waarom de nieuwe eigenaar later geen juridische procedure tegen ons begonnen is. Als je een huis niet met een verborgen gebrek mag verkopen, dan zal het ook wel niet met verborgen vlooien mogen. Daarna hebben we onze grenzen hermetisch voor vlooien afgesloten. Er is nooit meer een vlo door de bewaking geslipt, behalve die ene, vermoedelijk meegenomen door een bezoeker. En nu dus weer een.

Lees verder »