CS-Recensent: wedergeboorte van de afvalkunstenaar
Wanneer hij geboren is, is niet precies te zeggen. Maar het moet ergens in het Italië van de jaren zestig zijn geweest, toen hij voor het eerst op het idee kwam om sculpturen te maken van een berg vodden of wat gestapeld stenen. De afvalkunstenaar bedacht dat het onzinnig was om altijd maar beelden te maken in brons, terwijl ook veel goedkopere materialen voorhanden waren, zoals sprokkelhout of neonbuizen. Een criticus betitelde zijn werken als Arte Povera – armeluiskunst – en die term dekte de lading wel.
Rond dezelfde tijd dook de afvalkunstenaar ook in Frankrijk op, waar hij oude rotzooi verzamelde in plexiglazen bakken en die ‘poubelles’ noemde. Ook stapelde hij autowrakken op tot reusachtige torens van verwrongen metaal. Schoonheid, zo vond hij, schuilt in de banaalste troep. Later, in de jaren negentig, keerde de afvalkunstenaar terug in Engeland. Hij vulde er een glazen vitrine vol ziekenhuisafval, gaf het geheel de naam ‘Waste’ mee, en verkocht het voor 450 duizend gulden aan een museum in Amsterdam. Hij wist zelfs kunst te maken van zoiets ranzigs als een rottende koeienkop.
Nu, een halve eeuw na zijn geboorte, na de Arte Povera, Arman, en Damien Hirst, is de afvalkunstenaar nog steeds springlevend. Hij leeft voort in iemand als David Bade, die voor zijn tentoonstelling Catch of the Day acht vrachtwagens vol zooi uit zijn eigen atelier naar het Haagse GEM liet transporteren. ‘Less is a bore’, zo luidt Bades motto, en dus bracht hij nauwelijks een selectie aan in wat hij in het museum laat zien. De berg oude meubelen en half-affe sculpturen van piepschuim, purschuim en ander non-materiaal reikt zowat tot aan het plafond. Van alles kun je kunst maken, zo lijkt Bade de toeschouwer voortdurend op het hart te willen drukken. En hij heeft gelijk. Want Catch of the Day mag dan een tyfusbende zijn, de tentoonstelling is in al haar armzalige overdaad wel een sublieme tyfusbende.
Intussen probeert een andere hedendaagse afvalkunstenaar, de uit Iran afkomstige Navid Nuur, in het Haarlemse museum De Hallen precies het tegenovergestelde te bereiken. Hij maakt op The Value of Void kunst uit bijna niets. Hij gebruikt restmateriaal van de opbouw van zijn tentoonstelling – handschoenen, plakband, bubbeltjesplastic – om vernuftige kijkdoosjes mee te bouwen. En hij weet een stuk piepschuim op zo’n manier uit te hollen en uit te lichten dat het een edelsteen lijkt.
‘Even a single spark of thought can turn into a lifetime memory’, schreef Nuur in kleine, nauwelijks leesbare lettertjes bij de entree van zijn tentoonstelling. Met een knipoog naar de diamanten schedel van Hirst zegt hij dat kunst niet duur, imposant of blingbling hoeft te zijn. Je komt ook een heel eind met een paar tl-buizen, een tikkeltje poëzie en een beetje fantasie.
Deze nieuwe generatie afvalkunstenaars laat zien dat kunst weer speels mag zijn. Zowel bij David Bade als bij Navid Nuur spat het maakplezier van hun werken af. En dat is na alle gelikte kunst van het afgelopen decennium een verademing.


